Het was een scène uit de zesdaagse van Keulen, die traditioneel van het oude in het nieuwe jaar rolde. De plaatselijke renner Wilfried Peffgen wilde, in 1973, aan de zijde van zijn landgenoot Albert Fritz absoluut winnen, nadat hij eerder ook al de zesdaagsen van Zürich en Münster op zijn naam had geschreven. Drie overwinningen op rij, daar kon Patrick Sercu niet mee leven. Op een kwartier van het einde sprong Sercu, die ploeg vormde met de flamboyante Fransman Alain Van Lancker, weg uit het peloton. Hij pakte in een mum van tijd een halve ronde. Toen hij de staart van de groep in zicht kreeg, versnelde hij, het hoofd gebogen, nog eens in de versnelling. En reed de kloof meteen dicht. Het was indrukwekkend om te zien en de toeschouwers in het Sportpaleis van Keulen slaakten een kreet van bewondering. Maar veel vreugde was er achteraf bij de West-Vlaming niet te zien. Hij had zijn werk gedaan. Met heel veel plichtsbesef.
...

Het was een scène uit de zesdaagse van Keulen, die traditioneel van het oude in het nieuwe jaar rolde. De plaatselijke renner Wilfried Peffgen wilde, in 1973, aan de zijde van zijn landgenoot Albert Fritz absoluut winnen, nadat hij eerder ook al de zesdaagsen van Zürich en Münster op zijn naam had geschreven. Drie overwinningen op rij, daar kon Patrick Sercu niet mee leven. Op een kwartier van het einde sprong Sercu, die ploeg vormde met de flamboyante Fransman Alain Van Lancker, weg uit het peloton. Hij pakte in een mum van tijd een halve ronde. Toen hij de staart van de groep in zicht kreeg, versnelde hij, het hoofd gebogen, nog eens in de versnelling. En reed de kloof meteen dicht. Het was indrukwekkend om te zien en de toeschouwers in het Sportpaleis van Keulen slaakten een kreet van bewondering. Maar veel vreugde was er achteraf bij de West-Vlaming niet te zien. Hij had zijn werk gedaan. Met heel veel plichtsbesef. Patrick Sercu is nooit een man van emoties geweest. Zelfs niet toen hij afscheid nam, in januari 1983 toen hij in Gent nog maar eens in schitterende stijl over de baan suisde. Geen zweem van ontroering viel er achteraf bij hem te zien. Een keer of tien hebben we Sercu geïnterviewd. Net zoals zijn boezemvriend Eddy Merckx koketteerde hij nooit met zijn prestaties of liet hij zich minachtend uit over zijn tegenstanders. Ook bij de laatste ontmoeting niet, een jaar of drie geleden, toen Sercu zijn schitterende villa in Izegem had verlaten voor een appartement in het centrum van dat stadje, twee hoog. Hij was er helemaal tot rust gekomen en wilde hooguit nog eens mopperen over de mentaliteit van sommige renners, over een gebrek aan gedrevenheid en passie dat hij hier en daar meende te zien. En steeds weer praatte hij over zijn piste, die volgens hem noodzakelijk is voor de vorming van een jonge renner. Sercu bleef in zijn flat tot hij vorig jaar naar een rusthuis trok in Kachtem. Hij overleed op Goede Vrijdag, op iets meer dan twee maanden van zijn 75e verjaardag. De cijfers die Patrick Sercu kan voorleggen zijn indrukwekkend. Drie wereldtitels, een olympische titel, 18 Europese kampioenschappen, 37 Belgische titels en 88 zesdaagsen. Naast vele successen op de weg. Toch had hij na zijn carrière van iets spijt: dat hij vaak op een ondoordachte manier trainde, dat hij in zijn zoektocht naar een optimale conditie uitsluitend op zichzelf was aangewezen en nooit werd gecorrigeerd. Allicht, bedacht hij later, trainde hij te veel en verbruikte hij op een onverstandige manier energie. Maar het had te maken met zijn liefde voor de fiets, met zijn eerzucht, met het tijdsbeeld: hoe meer je koerste, hoe meer je verdiende. Patrick Sercu was actief in een tijd dat de zesdaagsen bloeiden. Hij reed er iedere winter minimaal vijftien. Dat kon hij het best, daarvoor ook werd hij het best betaald. Sercu beschikte over weerstand en uithouding. Het was naast zijn snelheid zijn grootste wapen. De West-Vlaming kon langer dan een ander in het rood rijden. Hij was eigenlijk gemaakt voor de piste. Stuurvaardigheid en behendigheid, macht en kracht, overzicht en doorzicht, Sercu had het allemaal. De prestaties die hij op de wielerbaan leverde, namen vaak buitenaardse prestaties aan. Sercu won 88 zesdaagsen met 27 verschillende ploegmaats. Een record dat nooit meer zal gebroken worden. Als zoon van oud-renner Albert Sercu werd Patrick gekneed op de vervallen en door enkele supporters weer opgelapte wielerbaan van Rumbeke. Vader Sercu, zelf een uitstekend renner wiens carrière door de Tweede Wereldoorlog werd geremd, nam de kosten voor de herstellingswerken op zich. Rijden op de piste bleek een roeping voor Patrick, die als jongen al de trein naar Gent nam om in het Kuipke naar de talrijke meetings te kijken die toen werden georganiseerd. Sercu was op de baan nooit een showman en distantieerde zich compleet van de theatrale en clowneske nummers die renners wel eens pleegden op te voeren. Zijn show zat in zijn prestaties. Patrick Sercu richtte voor het eerst de schijnwerpers op zich toen hij in 1963 in Luik wereldkampioen snelheid werd bij de amateurs. Zijn vader had hem naar dat nummer geduwd. In de finale klopte Sercu de Italiaan Serge Bianchetto in drie reeksen. De beslissende jump die Sercu in de derde reeks plaatste, deed denken aan de tijgersprong van Jef Scherens. In 1967 en 1969 pakte hij nog twee wereldtitels, eerst tegen een andere Italiaan, Giuseppe Beghetto, en vervolgens in een onuitgegeven Belgische finale tegen Robert Van Lancker. Memorabel was de halve finale die Sercu in 1967 reed tegen de Italiaanse spurtlegende Antonio Maspes die toen jacht maakte op zijn achtste wereldtitel, een absoluut record. Sercu klopte hem in twee reeksen. Telkens weer slaagde hij erin zijn eigen spurt op te dringen aan de tegenstander en zijn zwakke punt weg te werken: Sercu beschikte niet echt over een explosieve demarrage, hij kon niet ontploffen. Hij maakte er bij voorkeur een lange sprint van en had een groot concentratievermogen, een voorwaarde in een nummer waarin de minste fout wordt afgestraft. Sercu zou na zijn tweede wereldtitel met de individuele snelheid stoppen om meer op de weg te rijden. En om zo zijn commerciële waarde als pistier te verhogen. Daarvoor was Patrick Sercu in 1964 in Tokio olympisch kampioen geworden op de kilometer. Aanvankelijk werd hij daarvoor niet geselecteerd. Hij werd dat jaar op het WK snelheid in Parijs in de halve finales gediskwalificeerd in een rit tegen het Franse spurticoon Daniel Morelon. Volgens hem gebeurde dat ten onrechte. Sercu was zo ontstemd dat hij weigerde de kleine finale te rijden voor de derde en vierde plaats. De UCI wilde hem aanvankelijk voor drie maanden schorsen omdat hij zijn kansen niet had verdedigd. Na lobbywerk van de Belgische wielerbond kwam daar uiteindelijk niets van. De gouden medaille in Tokio pakte Patrick Sercu met woede als brandstof. Nadat hij in de individuele snelheid op een volgens hem onzuivere manier werd uitgeschakeld, richtte hij zich helemaal op dat onderdeel. Hij had nog nooit een kilometer in competitieverband gereden en tastte compleet in het duister over het niveau van zijn tegenstanders. Maar hij wist dat deze wedstrijd hem goed lag en dat hij daarin tijdens de laatste 200 meter het verschil zou maken. Terwijl de anderen dan tegen de traditionele muur reden, kon hij nog eens versnellen. Zo pakte hij het goud. En allicht zou hij zonder die olympische titel nooit op de piste hebben gereden. Dat Patrick Sercu tot de koning van de zesdaagsen zou uitgroeien, had hij aanvankelijk nooit voor mogelijk gehouden. In de tweede profzesdaagse die hij in zijn carrière reed, met Eddy Merckx in Berlijn, werd hij na twee avonden op zeven ronden gekegeld. Op de verkeerde momenten aanvallen, overmoedig met de krachten woekeren, de gevestigde waarden van het wereldje reden het jonge duo in de vernieling. Sercu-Merckx zorgden wel voor dynamiet in de wedstrijden, kwamen terug tot op vier rondes, maar Patrick kwam lijkbleek thuis, met koortsblazen op het gezicht. Hij zei dat zesdaagsen nooit iets voor hem konden zijn. Het liep dus anders. Sercu domineerde het wereldje vijftien jaar lang. Zijn geluk was dat hij aanvankelijk aan de zijde van de doorgewinterde Duitser Klaus Bugdahl kon rijden. Hij kende diens reputatie en reed speciaal naar de Franse rittenkoers Ronde van het Noorden, die Bugdahl als voorbereiding op het winterseizoen reed, om hem te vragen of hij zijn ploegmaat mocht worden. Bugdahl stemde in en zei alleen dat hij altijd in een zwarte trui reed, met het nummer negen. Dat maakte Sercu niets uit. Bugdahl bracht hem alles bij. Hij was een ploegkoerser bij uitstek, geen afwerker, niet spectaculair, maar wel efficiënt. Hoe langer een koppelrit duurde, hoe meer hij boven zichzelf uitgroeide. Toen Sercu op 20 februari 1983 een punt zette achter zijn carrière, had hij 224 zesdaagsen gereden. Met coryfeeën als Peter Post en René Pijnen, maar zelf noemde hij Eddy Merckx zijn geprefereerde ploegmaat. Met de Brusselaar reed hij 27 zesdaagsen, won er 15 en eindigde 11 keer als tweede. Eigenlijk had Patrick Sercu meer dan 100 zesdaagsen kunnen winnen, maar omdat hij vaak van ploegmaat wisselde kon hij het niet altijd opbrengen om telkens weer voor de overwinning te knokken. Zeker niet vanaf het moment dat hij zich ook op de weg kon toeleggen. Eigenlijk had Patrick Sercu op de weg veel meer kunnen bereiken. Pas op zijn 25e legde hij zich daar serieus op toe. Hij reed twee keer de Ronde van Frankrijk (1974 en 1977) en won telkens drie ritten. In 1974 droeg hij de gele trui toen de Tourkaravaan in Harelbeke halt hield. En in 1977, het jaar waarin hij 22 overwinningen boekte, schreef Sercu onder meer een etappe die in Charleroi eindigde op zijn naam, na een lange solotocht waarin hij heel alleen door de straten van Brussel reed, vooruit geschreeuwd door honderdduizenden toeschouwers. Aan het Beursgebouw raapte Sercu een premie van 100.000 Belgische frank op, 2500 euro. Nooit voelde hij langs de weg zoveel geestdrift als die dag. Toch beschouwt hij dat niet als zijn mooiste overwinning als wegrenner. Maar wel de allereerste ritzege in de Giro, de wedstrijd die hij zeven keer reed en waarin hij dertien etappes won. Toen hij als winnaar over de meet flitste, stond de tweede niet eens op de foto. Maar de beste prestatie die Patrick Sercu als wegrenner leverde is de groene trui die hij in 1974 in de Ronde van Frankrijk pakte. Hij had op die prestatie een orgelpunt kunnen plaatsen door in Vincennes de laatste rit te winnen. Het zou zijn vierde etappezege geweest zijn. Maar na een klacht van Staf Van Roosbroeck, die vond dat Sercu hem gehinderd had, werd hij gediskwalificeerd. Sercu had er achteraf spijt van dat hij maar twee keer in de Tour startte. Maar dat kwam omdat hij lang in Italiaanse loondienst reed, eerst bij Dreher en dan bij Brooklyn. En daar was alles afgestemd op Roger De Vlaeminck. Veel voldoening had Sercu ook beleefd aan een overwinning in de Ronde van Sardinië. Hij stapte toen regelrecht van de baan naar de weg over, een wereldkampioen snelheid die een rittenkoers won voor Merckx en Felice Gimondi, het zou nu niet meer kunnen. Bovendien eindigde Sercu toen in een tijdrit over 20 kilometer tweede na Eddy Merckx. De Ronde van Sardinië was een koers die Sercu graag reed. Hij won er in totaal negen ritten. Net zoals hij ook etappezeges in Tirreno-Adriatico, Parijs-Nice, de Ronde van Romandië of de Dauphiné Libéré behaalde. Patrick Sercu was van vele markten thuis. Aangedreven door de basissnelheid die hij bezat en op de vervallen piste van Rumbeke had aangescherpt. Dat wegrenners nu de piste links laten liggen, heeft Sercu altijd betreurd. Want de baan is volgens hem de basis van alles. Van de piste naar de weg en van de weg naar de baan: Patrick Sercu wilde zich wel eens vergalopperen. In 1974 bijvoorbeeld, toen hij zich na een intensieve wegcampagne in een slopend winterseizoen stortte. Toen vond hij in de zesdaagse van Gent nooit de juiste pedaalslag en mocht hij zich gelukkig prijzen dat hij met een ervaren pistier als de Duitser Sigi Renz reed. De dag na Gent startte de zesdaagse van Zürich. Sercu zat zo door zijn krachten heen dat hij om drie uur 's ochtends de organisator uit zijn bed belde om hem te vertellen dat hij forfait moest geven. Het was de eerste en enige keer in zijn carrière dat hem zoiets overkwam. Op het einde van dat jaar had hij 223 wedstrijden gereden. En opgeven stond niet zin zijn woordenboek. Hij wilde koersen, altijd maar opnieuw. Langer dan twee weken zonder koers, dat kon hij niet uithouden. Patrick Sercu werd gedreven door perfectionisme. Hij zorgde steeds voor het beste personeel, schonk veel aandacht aan zijn entourage, hij was voorkomend en beleefd en werd zelden gecontesteerd. Sercu was een echte West-Vlaming: geen gezwollen uitspraken, geen poeha, geen overdrijvingen of idolatrie, maar hard en eerlijk werk. De meer dan duizend nachten in rokerige wielerbanen en de ontelbare aflossingen tijdens ploegkoersen bleven niet zonder gevolgen. Sercu had last van rugpijn en tal van andere kwalen. Hij maakte nog de tijd mee dat er in zesdaagsen tot vijf uur 's morgens moest gereden worden. Het sloopte lichaam en geest. Na iedere zesdaagse kwam hij met een verroeste keel thuis. Het werd hem te veel. Daarom ook het afscheid, na een seizoen waarin hij nog vier zesdaagsen had gewonnen en Europees kampioen ploegkoers was. Maar de uitbundigheid bleek weg, Sercu koerste puur op routine. Dat kon hij voor zichzelf niet verantwoorden. Bovendien was hij 38 jaar, geen leeftijd om nog aan topsport te doen, vond hij. En een afgang, zo vertelde hij, zou hij nooit te boven komen. Daarvoor was zijn eergierigheid te groot. Vaak werd Sercu gevraagd of hij het niet jammer vond dat hij geen 100 zesdaagsen had gewonnen. Maar cijfers interesseerden hem niet. Bovendien kon hij het mentaal niet altijd opbrengen om telkens weer voor de zege te gaan. Zeker niet als hij een iets mindere ploegmaat aan zijn zijde kreeg. Patrick Sercu, die ook nog een tijdje bondscoach was, lag later mee aan de grondslag van enkele hervormingen binnen het wereldje. Hij stopte als bondscoach omdat hij de stiefmoederlijke behandeling van de piste kotsbeu was en niet langer tegen windmolens wilde vechten. Maar hij bleef lang een van de meest invloedrijke mensen achter de schermen en zorgde ervoor dat zesdaagsen uitgroeiden tot een totaalspektakel. Sercu was lang wedstrijddirecteur in Gent en pakte deze job met heel veel ernst aan. Tot zijn gezondheid dat niet meer toeliet. Vaak werd van Patrick Sercu gezegd dat hij te serieus was. Maar mensen die hem goed kenden, weten dat hij graag lachte en onder vrienden heel humoristisch en ongedwongen kon zijn. Maar met veel ernst had hij altijd zijn vak bedreven. Op en naast de fiets. Dus ook vanaf het moment dat hij de regie van de zesdaagse van Gent in handen kreeg. Hij waakte er altijd over dat de sportieve waarde op niveau bleef. Daarom werd hij als wedstrijddirecteur ook gevraagd voor de zesdaagsen van onder meer Rotterdam en Bremen. Altijd stapte Patrick Sercu met een groot gevoel voor realisme door het leven. Hij maakte nooit gekke sprongen en had, met zijn zakelijk inzicht, zijn geld goed belegd. Een enorme klap kreeg hij wel toen zijn vrouw Christa overleed. Patrick kon terugvallen op de steun van zijn enige zoon Christophe, vandaag manager van Sport.Vlaanderen-Baloise en betrokken bij de Gentse zesdaagse. In de warmte van het gezin voelde hij zich eigenlijk het best. Patrick Sercu kon relativeren als weinig anderen. Nooit heeft hij van de wielersport ook maar één seconde wakker gelegen. Ook toen zijn gezondheid achteruitging en hij naar een rusthuis moest, kon hij dat heel goed plaatsen. Hij kreeg er vaak het bezoek van Eddy Merckx. En geregeld ging Christophe hem halen voor een namiddagje thuis, in de vroegere villa in Izegem waar Christophe met zijn gezin zijn intrek had genomen. De wielersport bleef Patrick Sercu op de voet volgen. Op zijn salontafel lag het boek Top 1000 van de Belgische wielrenners. Hij las er iedere dag een paar hoofdstukken in. Dan wilde hij wel eens verdrinken in herinneringen aan vroeger.