Er was ooit een tijd, nauwelijks anderhalf decennium geleden, dat je in het wielrennen tot je 25e als een talent omschreven werd, als wissel op de toekomst. Tot en met 2006 mocht een coureur tot die leeftijd zelfs starten aan de Ronde van de Toekomst - pas het jaar erna werd de maximumleeftijd verlaagd tot 22 jaar. Al veranderde dat toen niets aan de perceptie dat renners pas vanaf hun 24e/25e fysiek en mentaal klaar waren om topkoersen te winnen. En zeker niet te vroeg mochten debuteren in een zeer belastende grote ronde, met name de Tour. Intussen moesten ze 'het vak' leren, bidons ophalen en knechten voor oudere (nochtans niet altijd betere) kopmannen.

Ongeschreven regels die de jongste jaren langzaam uitgegomd werden. Door de toevloed van vroege twintigers, zelfs late tieners, die als steigerende paarden de oudere knollen onder de voet liepen. De meest opvallende statistiek wat dat betreft kwam van de website Procyclingstats, die een eigen ranking, op basis van resultaten, opstelt. Daarin behaalden U23-renners in 2019 6610 punten. Het gemiddelde van de voorbije vijf jaar: 2273...

Met als uitschieters uiteraard Remco Evenepoel (straks 20), Tadej Pogacar (21) en Egan Bernal (23). Toeval, de gezamenlijke, steile opgang van die drie fysiologische freaks, maar ook van veel anderen jongeren die in hun schaduw staan te trappelen? Deels wel. Maar niet alléén dat. Wat zijn de andere, mogelijke redenen?

Betere begeleiding/programma

Je hoort het vaak van oudere renners: hoe zij als beginnende profs bijlange na niet zo professioneel begeleid werden als de jongeren nu. Al van bij de beloften zijn die immers vaak al lid van een development team van een WorldTourploeg (zie ook kader), bij de hand genomen door professionele coaches. Of ze huren er zelf een in. Op vroegere leeftijd is er zo veel meer oog voor aerodynamica en voeding, voor specifiekere trainingsschema's met meer (hoogte)stages. Veel beloften leven en trainen al bijna als een prof en worden zo rapper fysiek rijp. Ze vergaren ook vlugger een grote kennis over alle aspecten van hun vak, onder meer via sociale media en onlinetrainingsplatformen als Strava. Jonge renners kregen vroeger meestal alleen advies van een koersend familielid of een oudere prof uit de buurt. En kwamen zo vaak niet verder dan proefondervindelijk nattevingerwerk.

Dit seizoen zijn er 80 renners jonger dan 23 jaar actief in de WorldTour, 15 procent van de in totaal 540 renners.

Op basis van bovenstaande stellingen is het parcours van Bernal en Evenepoel dan ook opmerkelijk. De Colombiaan was tot zijn achttiende mountainbiker (zilver en brons op WK's voor junioren) en schakelde pas daarna fulltime over naar de weg, als prof bij het kleine Italiaanse team Androni-Giocattoli. Evenepoel bekeerde zich op zijn zeventiende definitief tot het wielrennen, na een voetbalcarrière bij Anderlecht, PSV en KV Mechelen. Hij is, en in mindere mate ook Bernal, dus niet de vrucht van een uitgekiende jeugdopleiding. Toch konden hun motoren zich in het voetbal/mountainbiken goed ontwikkelen. Zoals ook (nu) oudere wonderboys als Wout van Aert, Mathieu van der Poel, Julian Alaphilippe en Peter Sagan vooral gevormd werden in offroad wielerdisciplines.

Tadej Pogacar werd derde in de Vuelta. Een jongere met ambitie., BELGAIMAGE
Tadej Pogacar werd derde in de Vuelta. Een jongere met ambitie. © BELGAIMAGE

Met die supertalenten, maar ook met andere, minder begiftigde jongeren, wordt ook voorzichtiger omgesprongen. Ze mogen wel vlugger van een grote ronde proeven (Bernal in zijn eerste jaar bij Team Sky al van de Tour, Pogacar in 2019 van de Vuelta, Evenepoel dit seizoen van de Giro), maar ze werken een beperkt wedstrijdprogramma af - een trend die zich in het héle peloton al jaren doorzet. Pogacar telde in zijn debuutseizoen zo slechts 62 koersdagen, Bernal 61 (bij Team Sky), Evenepoel 58.

Dat organisatoren van rittenkoersen etappes steeds korter maken - meer geschikt voor explosievere, jongere benen - is ook allerminst een nadeel. Voorbij is de tijd (behalve in de Giro) met bergritten tot 250 kilometer over vijf cols, beter verteerbaar voor oudere, meer gerodeerde dieselmotoren. En tot ruim tien jaar geleden ook voor renners die op verboden brandstof koersten, in het epotijdperk tussen begin jaren 1990 en 2008 (invoering van het bloedpaspoort). Want ook dat speelt mee: in een cleaner peloton - zo klinkt het toch bij veel actoren - kan een jonge kerel vlugger richting de top vliegen. Degenen die er langer over doen worden ook niet meer ontmoedigd door tegen opgefokte motoren te moeten opboksen.

Meer en betere scouting

Scouting was in het wielrennen lange tijd niet ingeburgerd, behalve bij budgetarme ploegen zoals (Top)Sport Vlaanderen. Manager Christophe Sercu kon zo vele jaren de betere vruchten uit de Belgische belofteboom plukken ( De Gendt, Vanmarcke, Bakelants, Lampaert, Naesen, Campenaerts, Wallays...). Zoals ook Gianni Savio, de manager van het Italiaanse Androni-Giocatolli, via goeie contacten in Colombia onder meer Egan Bernal en Iván Sosa op de kop tikte.

De grote WorldTourploegen hielden zich daar tot voor een paar jaar minder mee bezig. Zij haalden de beste jongeren, na een 'rijpingsperiode', gewoon weg bij de procontinentale teams. Grootste uitzondering: Patrick Lefevere. Hij en verzorger Johan Molly namen elke maandag alle uitslagen door, legden hun oor te luister bij ploegleiders. Zo stootten ze onder meer op de in Frankrijk amper opgemerkte Julian Alaphilippe. Eind 2014 haalde Lefevere ook Joxean Matxin Fernández binnen, de Spanjaard die begin deze eeuw het fameuze Mapei GS3-jongerenteam hielp opstarten, met supertalenten als Fabian Cancellara en Filippo Pozzato. Anderhalf decennium later mocht Matxin van Lefevere weer de jongerencategorieën afschuimen, met onder meer Fernando Gaviria als grootste buit. Tot de Spanjaard in 2018, voor veel geld, naar UAE Emirates trok, en er Jasper Philipsen en Tadej Pogacar voor de neus van Lefevere wegkaapte - tot diens grote ergernis.

Egan Bernal was de beste in de Ronde van Frankrijk. Een jongere met ambitie., BELGAIMAGE
Egan Bernal was de beste in de Ronde van Frankrijk. Een jongere met ambitie. © BELGAIMAGE

Ook andere ploegen gaan nu op zoek naar hun Pogacar of Evenepoel. Wie te lang aarzelt, is zijn mogelijke prooi kwijt, met veel meer jagers in het bos. Zelfs managementbureaus hebben nu scouts in dienst. Die kijken ook al rond bij de nieuwelingen/junioren, want zoals in het voetbal worden de prooien steeds jonger. In navolging van Evenepoel tekenden de Amerikaan Quinn Simmons (18), de juniorenwereldkampioen op de weg van 2019, en de Italiaan Antonio Tiberi (18), de wereldkampioen tijdrijden, zo bij Trek-Segafredo. Tiberi wordt wel eerst bij satellietploeg Team Colpack gestald, Simmons (nog zo'n fysiologische freak) zal daarentegen meteen debuteren in de WorldTour. Zoals ook de 18-jarige Spanjaard Carlos Rodríguez de beloftecategorie overslaat, als nieuwe rekruut van Team INEOS (ex-Sky).

Wat ook meespeelt: in een cleaner peloton - zo klinkt het toch bij veel actoren - kan een jonge kerel vlugger richting de top vliegen.

Meer dan ooit sporen ook nationale federaties, onder meer de Belgische, talenten op via screenings, volgens hun specifieke kwaliteiten (als sprinter, klimmer, tijdrijder). Vaak heeft een renner zo, en later via zijn coach en opleidingsploeg, als junior/belofte al een uitgebreid fysiologisch dossier. Met wattagecijfers als De Heilige Graal, door managementbureaus zo ook verkocht aan profteams. Een betere waardemeter immers dan de pure, soms misleidende resultaten.

Aanvallen (in woord en daad)

Naast hun snel geslepen klasse hebben Bernal, Evenepoel en Pogacar nog een eigenschap gemeen: ambitieuze, mondige, zelfbewuste kerels die lak hebben aan hun leeftijd, met de aandacht/druk van de buitenwereld perfect overweg kunnen, ook als leider binnen de ploeg. Als zaaiers van aanvalslust ook: liever winst zoeken dan verlies ontwijken. Zie hoe Bernal in de Tour al vertrok op de col de l'Iseran op 42 kilometer voor de finish, hoe Pogacar in de voorlaatste rit van de Vuelta al adieu zei op 38 kilometer van de eindstreep, hoe Evenepoel in de Clásica San Sebastián op 20 kilometer van de aankomst zijn vleugels spreidde. Of zoals hij het onlangs treffend omschreef: 'Als je wil winnen, moet je aanvallen, dus zal ik niet stoppen met aanvallen.' Ene Mathieu van der Poel - vorige zondag 25 jaar geworden - denkt er ook zo over.

Remco Evenepoel reed vorig jaar in september zijn eerste WK bij de profs., BELGAIMAGE
Remco Evenepoel reed vorig jaar in september zijn eerste WK bij de profs. © BELGAIMAGE

Meer plaats

Voor de jonge talenten maken de WorldTourteams ook steeds meer plaats, mede gepusht door de UCI (zie kader). Dit seizoen zijn er liefst 80 renners jonger dan 23 jaar actief in de WorldTour, 15 procent van de in totaal 540 renners. In 2019 waren dat er nog 65 op 504 (13 procent). In het hele vorige decennium gemiddeld 63.

Sunweb is koploper, al vier jaar op rij (veruit) de jongste WorldTourploeg met dit seizoen zelfs 13 renners van 23 of jonger, en een gemiddelde leeftijd van 24,2 jaar. Ook Deceuninck-Quick-Step zet, steeds ter vervanging van te duur geworden oudere renners, weer in op zes WorldTour- debutanten, onder wie (vanaf juli) Mauri Vansevenant (20).

Zelfs de rijkste ploeg, Team INEOS, bereidt al een tweetal jaar de post- Chris Froome/ Geraint Thomasperiode voor, met het aantrekken van Bernal en Pavel Sivakov (beiden toen 20) in 2018, Iván Sosa (toen 21) en Filippo Ganna (toen 22) in 2019, en dit jaar met Carlos Rodríguez (18), Ethan Hayter (21) en Brandon Rivera (23). Bij Team Emirates krijgen Philipsen en Pogacar dan weer het gezelschap van onder meer Mikkel Bjerg (21, drievoudig wereldkampioen tijdrijden bij de beloften), Brandon McNulty (21, Bjergs jeugdconcurrent) en Andrés Camilo Ardila (de Colombiaanse winnaar van de Baby Giro).

Meest opmerkelijke switch maakte echter Movistar, in het verleden vaak terend op oudere, hoofdzakelijk Spaanse/Zuid- Amerikaanse renners. Nu trok het acht renners van 23 jaar of jonger aan, uit opvallend veel verschillende landen.

Nadelen

Toch is deze evolutie niet voor iedereen gunstig. Procontinentale teams die mikken op jeugd, zoals Sport Vlaanderen-Baloise, moeten uit een vijver met veel minder getalenteerde renners vissen. Niet toevallig heeft de ploeg van Christophe Sercu de laatste drie seizoenen twéé (!) UCI-koersen gewonnen (categorie 1.1 of hoger). Die kleinere teams moeten immers passen voor de steeds grotere bedragen die op tafel gelegd worden. Zelfs WorldTourteams bieden tegen elkaar op. Lefevere vond Mikkel Bjerg bijvoorbeeld zeer interessant, tot UAE Emirates een dikkere cheque bovenhaalde.

Kleinere opleidingsploegen, zoals het Spaanse continentale Kometa-Xstra Team, gerund door Alberto Contador en Ivan Basso, stonden ook al aan de klaagmuur: zij verliezen hun bestaansrecht omdat ze vlug renners zien vertrekken, zonder enige opleidingsvergoeding. De development fee lag nochtans al op de tafel van de UCI, maar concreet is dat nog altijd niet.

Andere slachtoffers: de oudere WorldTourrenners die plaats moeten ruimen voor het jonge geweld. Ze vallen zonder contract of moeten een stap terugzetten naar het procontinentale circuit (zoals Jan Bakelants, Jelle Vanendert en Jens Debusschere).

Koersen bij een WorldTourploeg betekent automatisch meer en vlugger druk, meer dan bij teams als Sport Vlaanderen-Baloise, waar renners langer tijd krijgen om te rijpen. Vroeger leven als een prof, al vanaf je 17e/18e, betekent ook minder plezier, meer stress door opgelegde diëten en wattageschema's. En dus ook gevaar voor een burn-out op jonge leeftijd. Later dreigt dan weer een vroeger mentaal saturatiepunt. Niet toevallig gaf Tadej Pogacar nú al aan dat hij zich na zijn dertigste niet meer ziet koersen, dat hij dan met zijn familie ergens op een vakantiebestemming zal toeven. Niet toevallig lijken zelfs de vleugels van eeuwige speelvogel Peter Sagan alsmaar doffer uit te slaan, snakkend naar het einde van zijn loopbaan, verlost van alle aandacht. Herinner u ook hoe Andy Schleck, die op zijn 21e al tweede werd in de Giro, eind 2014 op zijn pas 29e stopte, compleet verzadigd. Net daarom koos het Britse toptalent Tom Pidcock, de (ex)-wereldkampioen in het veld en in het tijdrijden op de weg, ervoor om nog een jaartje bij de beloften op de weg te koersen, ondanks lucratieve voorstellen van WorldTourteams. Hij wil nu, op zijn 20e, vooral nog fun beleven.

Een ding is echter zeker: de jongeren zullen blijven toestromen. Maar niet voor elke renner zal dat op een sprookje uitdraaien. Ze heten niet allemaal Remco Evenepoel.

Gepusht door UCI

The future is now. Dat heeft ook de UCI ingezien. WorldTourploegen met 29 of 30 renners zijn verplicht om minstens één/twee neoprofs in dienst te nemen. Ze moeten voortaan ook investeren in een eigen continentaal development team, of in een ander jongerenteam, of in een vrouwenteam. Renners uit die opleidingsploegen zullen zelfs met de WorldTourploeg kunnen deelnemen aan ProSeries en Class 1-koersen (de categorie onder de WT) als Kuurne- Brussel-Kuurne of Le Samyn, met een maximum van twee tot vier renners.

Voor sommige teams geen verandering: AG2R werkt al zeventien jaar samen met Chambéry Cyclisme Formation, met Romain Bardet als uithangbord. Lotto-Soudal heeft al sinds 2012 een eigen U23-ploeg, waaruit onder meer Tim Wellens en de betreurde Bjorg Lambrecht doorstroomden. Ook Astana, Mitchelton-Scott en Sunweb investeren al jaren in een eigen satellietploeg, zoals Trek-Segafredo al sinds 2016 in het Belgische EFC-LR-Vulsteketeam van Michel Pollentier.

Quick-Stepmanager Patrick Lefevere hield lang Beveren 2000 en tussen 2013 en 2016 het meer internationaal getinte Etixx-iHNed/Klein Constantia op de been. Wegens gebrek aan geld werd die ploeg opgedoekt, maar dit jaar gaatLefevere een samenwerking aan met het Italiaanse jongerenteam Monti.

Er was ooit een tijd, nauwelijks anderhalf decennium geleden, dat je in het wielrennen tot je 25e als een talent omschreven werd, als wissel op de toekomst. Tot en met 2006 mocht een coureur tot die leeftijd zelfs starten aan de Ronde van de Toekomst - pas het jaar erna werd de maximumleeftijd verlaagd tot 22 jaar. Al veranderde dat toen niets aan de perceptie dat renners pas vanaf hun 24e/25e fysiek en mentaal klaar waren om topkoersen te winnen. En zeker niet te vroeg mochten debuteren in een zeer belastende grote ronde, met name de Tour. Intussen moesten ze 'het vak' leren, bidons ophalen en knechten voor oudere (nochtans niet altijd betere) kopmannen. Ongeschreven regels die de jongste jaren langzaam uitgegomd werden. Door de toevloed van vroege twintigers, zelfs late tieners, die als steigerende paarden de oudere knollen onder de voet liepen. De meest opvallende statistiek wat dat betreft kwam van de website Procyclingstats, die een eigen ranking, op basis van resultaten, opstelt. Daarin behaalden U23-renners in 2019 6610 punten. Het gemiddelde van de voorbije vijf jaar: 2273... Met als uitschieters uiteraard Remco Evenepoel (straks 20), Tadej Pogacar (21) en Egan Bernal (23). Toeval, de gezamenlijke, steile opgang van die drie fysiologische freaks, maar ook van veel anderen jongeren die in hun schaduw staan te trappelen? Deels wel. Maar niet alléén dat. Wat zijn de andere, mogelijke redenen? Je hoort het vaak van oudere renners: hoe zij als beginnende profs bijlange na niet zo professioneel begeleid werden als de jongeren nu. Al van bij de beloften zijn die immers vaak al lid van een development team van een WorldTourploeg (zie ook kader), bij de hand genomen door professionele coaches. Of ze huren er zelf een in. Op vroegere leeftijd is er zo veel meer oog voor aerodynamica en voeding, voor specifiekere trainingsschema's met meer (hoogte)stages. Veel beloften leven en trainen al bijna als een prof en worden zo rapper fysiek rijp. Ze vergaren ook vlugger een grote kennis over alle aspecten van hun vak, onder meer via sociale media en onlinetrainingsplatformen als Strava. Jonge renners kregen vroeger meestal alleen advies van een koersend familielid of een oudere prof uit de buurt. En kwamen zo vaak niet verder dan proefondervindelijk nattevingerwerk. Op basis van bovenstaande stellingen is het parcours van Bernal en Evenepoel dan ook opmerkelijk. De Colombiaan was tot zijn achttiende mountainbiker (zilver en brons op WK's voor junioren) en schakelde pas daarna fulltime over naar de weg, als prof bij het kleine Italiaanse team Androni-Giocattoli. Evenepoel bekeerde zich op zijn zeventiende definitief tot het wielrennen, na een voetbalcarrière bij Anderlecht, PSV en KV Mechelen. Hij is, en in mindere mate ook Bernal, dus niet de vrucht van een uitgekiende jeugdopleiding. Toch konden hun motoren zich in het voetbal/mountainbiken goed ontwikkelen. Zoals ook (nu) oudere wonderboys als Wout van Aert, Mathieu van der Poel, Julian Alaphilippe en Peter Sagan vooral gevormd werden in offroad wielerdisciplines. Met die supertalenten, maar ook met andere, minder begiftigde jongeren, wordt ook voorzichtiger omgesprongen. Ze mogen wel vlugger van een grote ronde proeven (Bernal in zijn eerste jaar bij Team Sky al van de Tour, Pogacar in 2019 van de Vuelta, Evenepoel dit seizoen van de Giro), maar ze werken een beperkt wedstrijdprogramma af - een trend die zich in het héle peloton al jaren doorzet. Pogacar telde in zijn debuutseizoen zo slechts 62 koersdagen, Bernal 61 (bij Team Sky), Evenepoel 58. Dat organisatoren van rittenkoersen etappes steeds korter maken - meer geschikt voor explosievere, jongere benen - is ook allerminst een nadeel. Voorbij is de tijd (behalve in de Giro) met bergritten tot 250 kilometer over vijf cols, beter verteerbaar voor oudere, meer gerodeerde dieselmotoren. En tot ruim tien jaar geleden ook voor renners die op verboden brandstof koersten, in het epotijdperk tussen begin jaren 1990 en 2008 (invoering van het bloedpaspoort). Want ook dat speelt mee: in een cleaner peloton - zo klinkt het toch bij veel actoren - kan een jonge kerel vlugger richting de top vliegen. Degenen die er langer over doen worden ook niet meer ontmoedigd door tegen opgefokte motoren te moeten opboksen. Scouting was in het wielrennen lange tijd niet ingeburgerd, behalve bij budgetarme ploegen zoals (Top)Sport Vlaanderen. Manager Christophe Sercu kon zo vele jaren de betere vruchten uit de Belgische belofteboom plukken ( De Gendt, Vanmarcke, Bakelants, Lampaert, Naesen, Campenaerts, Wallays...). Zoals ook Gianni Savio, de manager van het Italiaanse Androni-Giocatolli, via goeie contacten in Colombia onder meer Egan Bernal en Iván Sosa op de kop tikte. De grote WorldTourploegen hielden zich daar tot voor een paar jaar minder mee bezig. Zij haalden de beste jongeren, na een 'rijpingsperiode', gewoon weg bij de procontinentale teams. Grootste uitzondering: Patrick Lefevere. Hij en verzorger Johan Molly namen elke maandag alle uitslagen door, legden hun oor te luister bij ploegleiders. Zo stootten ze onder meer op de in Frankrijk amper opgemerkte Julian Alaphilippe. Eind 2014 haalde Lefevere ook Joxean Matxin Fernández binnen, de Spanjaard die begin deze eeuw het fameuze Mapei GS3-jongerenteam hielp opstarten, met supertalenten als Fabian Cancellara en Filippo Pozzato. Anderhalf decennium later mocht Matxin van Lefevere weer de jongerencategorieën afschuimen, met onder meer Fernando Gaviria als grootste buit. Tot de Spanjaard in 2018, voor veel geld, naar UAE Emirates trok, en er Jasper Philipsen en Tadej Pogacar voor de neus van Lefevere wegkaapte - tot diens grote ergernis. Ook andere ploegen gaan nu op zoek naar hun Pogacar of Evenepoel. Wie te lang aarzelt, is zijn mogelijke prooi kwijt, met veel meer jagers in het bos. Zelfs managementbureaus hebben nu scouts in dienst. Die kijken ook al rond bij de nieuwelingen/junioren, want zoals in het voetbal worden de prooien steeds jonger. In navolging van Evenepoel tekenden de Amerikaan Quinn Simmons (18), de juniorenwereldkampioen op de weg van 2019, en de Italiaan Antonio Tiberi (18), de wereldkampioen tijdrijden, zo bij Trek-Segafredo. Tiberi wordt wel eerst bij satellietploeg Team Colpack gestald, Simmons (nog zo'n fysiologische freak) zal daarentegen meteen debuteren in de WorldTour. Zoals ook de 18-jarige Spanjaard Carlos Rodríguez de beloftecategorie overslaat, als nieuwe rekruut van Team INEOS (ex-Sky). Meer dan ooit sporen ook nationale federaties, onder meer de Belgische, talenten op via screenings, volgens hun specifieke kwaliteiten (als sprinter, klimmer, tijdrijder). Vaak heeft een renner zo, en later via zijn coach en opleidingsploeg, als junior/belofte al een uitgebreid fysiologisch dossier. Met wattagecijfers als De Heilige Graal, door managementbureaus zo ook verkocht aan profteams. Een betere waardemeter immers dan de pure, soms misleidende resultaten. Naast hun snel geslepen klasse hebben Bernal, Evenepoel en Pogacar nog een eigenschap gemeen: ambitieuze, mondige, zelfbewuste kerels die lak hebben aan hun leeftijd, met de aandacht/druk van de buitenwereld perfect overweg kunnen, ook als leider binnen de ploeg. Als zaaiers van aanvalslust ook: liever winst zoeken dan verlies ontwijken. Zie hoe Bernal in de Tour al vertrok op de col de l'Iseran op 42 kilometer voor de finish, hoe Pogacar in de voorlaatste rit van de Vuelta al adieu zei op 38 kilometer van de eindstreep, hoe Evenepoel in de Clásica San Sebastián op 20 kilometer van de aankomst zijn vleugels spreidde. Of zoals hij het onlangs treffend omschreef: 'Als je wil winnen, moet je aanvallen, dus zal ik niet stoppen met aanvallen.' Ene Mathieu van der Poel - vorige zondag 25 jaar geworden - denkt er ook zo over. Voor de jonge talenten maken de WorldTourteams ook steeds meer plaats, mede gepusht door de UCI (zie kader). Dit seizoen zijn er liefst 80 renners jonger dan 23 jaar actief in de WorldTour, 15 procent van de in totaal 540 renners. In 2019 waren dat er nog 65 op 504 (13 procent). In het hele vorige decennium gemiddeld 63. Sunweb is koploper, al vier jaar op rij (veruit) de jongste WorldTourploeg met dit seizoen zelfs 13 renners van 23 of jonger, en een gemiddelde leeftijd van 24,2 jaar. Ook Deceuninck-Quick-Step zet, steeds ter vervanging van te duur geworden oudere renners, weer in op zes WorldTour- debutanten, onder wie (vanaf juli) Mauri Vansevenant (20). Zelfs de rijkste ploeg, Team INEOS, bereidt al een tweetal jaar de post- Chris Froome/ Geraint Thomasperiode voor, met het aantrekken van Bernal en Pavel Sivakov (beiden toen 20) in 2018, Iván Sosa (toen 21) en Filippo Ganna (toen 22) in 2019, en dit jaar met Carlos Rodríguez (18), Ethan Hayter (21) en Brandon Rivera (23). Bij Team Emirates krijgen Philipsen en Pogacar dan weer het gezelschap van onder meer Mikkel Bjerg (21, drievoudig wereldkampioen tijdrijden bij de beloften), Brandon McNulty (21, Bjergs jeugdconcurrent) en Andrés Camilo Ardila (de Colombiaanse winnaar van de Baby Giro). Meest opmerkelijke switch maakte echter Movistar, in het verleden vaak terend op oudere, hoofdzakelijk Spaanse/Zuid- Amerikaanse renners. Nu trok het acht renners van 23 jaar of jonger aan, uit opvallend veel verschillende landen. Toch is deze evolutie niet voor iedereen gunstig. Procontinentale teams die mikken op jeugd, zoals Sport Vlaanderen-Baloise, moeten uit een vijver met veel minder getalenteerde renners vissen. Niet toevallig heeft de ploeg van Christophe Sercu de laatste drie seizoenen twéé (!) UCI-koersen gewonnen (categorie 1.1 of hoger). Die kleinere teams moeten immers passen voor de steeds grotere bedragen die op tafel gelegd worden. Zelfs WorldTourteams bieden tegen elkaar op. Lefevere vond Mikkel Bjerg bijvoorbeeld zeer interessant, tot UAE Emirates een dikkere cheque bovenhaalde. Kleinere opleidingsploegen, zoals het Spaanse continentale Kometa-Xstra Team, gerund door Alberto Contador en Ivan Basso, stonden ook al aan de klaagmuur: zij verliezen hun bestaansrecht omdat ze vlug renners zien vertrekken, zonder enige opleidingsvergoeding. De development fee lag nochtans al op de tafel van de UCI, maar concreet is dat nog altijd niet. Andere slachtoffers: de oudere WorldTourrenners die plaats moeten ruimen voor het jonge geweld. Ze vallen zonder contract of moeten een stap terugzetten naar het procontinentale circuit (zoals Jan Bakelants, Jelle Vanendert en Jens Debusschere). Koersen bij een WorldTourploeg betekent automatisch meer en vlugger druk, meer dan bij teams als Sport Vlaanderen-Baloise, waar renners langer tijd krijgen om te rijpen. Vroeger leven als een prof, al vanaf je 17e/18e, betekent ook minder plezier, meer stress door opgelegde diëten en wattageschema's. En dus ook gevaar voor een burn-out op jonge leeftijd. Later dreigt dan weer een vroeger mentaal saturatiepunt. Niet toevallig gaf Tadej Pogacar nú al aan dat hij zich na zijn dertigste niet meer ziet koersen, dat hij dan met zijn familie ergens op een vakantiebestemming zal toeven. Niet toevallig lijken zelfs de vleugels van eeuwige speelvogel Peter Sagan alsmaar doffer uit te slaan, snakkend naar het einde van zijn loopbaan, verlost van alle aandacht. Herinner u ook hoe Andy Schleck, die op zijn 21e al tweede werd in de Giro, eind 2014 op zijn pas 29e stopte, compleet verzadigd. Net daarom koos het Britse toptalent Tom Pidcock, de (ex)-wereldkampioen in het veld en in het tijdrijden op de weg, ervoor om nog een jaartje bij de beloften op de weg te koersen, ondanks lucratieve voorstellen van WorldTourteams. Hij wil nu, op zijn 20e, vooral nog fun beleven. Een ding is echter zeker: de jongeren zullen blijven toestromen. Maar niet voor elke renner zal dat op een sprookje uitdraaien. Ze heten niet allemaal Remco Evenepoel.