Paars is de liturgische kleur van de rouw, deze dagen meer dan ooit. Terwijl de herfst floreerde in kleur en zonneschijn, werd het in Anderlecht kil en stil. Sporting verloor twee iconen. Met geen 24 uur ertussen sijpelden twee nieuwsberichten door in de media. Ze meldden eerst het overlijden van Martin Lippens, dan dat van Jean Trappeniers.
...

Paars is de liturgische kleur van de rouw, deze dagen meer dan ooit. Terwijl de herfst floreerde in kleur en zonneschijn, werd het in Anderlecht kil en stil. Sporting verloor twee iconen. Met geen 24 uur ertussen sijpelden twee nieuwsberichten door in de media. Ze meldden eerst het overlijden van Martin Lippens, dan dat van Jean Trappeniers. Voor de jongste voetbalfans zijn het twee onbekende soldaten op wier graf nu bloemenkransen worden neergelegd. Geen balkunstenaars als Paul Van Himst of Robbie Rensenbrink, geen mediafiguren als Jan Mulder of Gille Van Binst. Maar evengoed oud-strijders. Vele oorlogen hebben ze samen meegemaakt. Lippens kwam in de eerste ploeg in 1954, als twintigjarige. Trappeniers was nog drie jaar jonger toen hij in 1959 debuteerde. De eerste behaalde zeven titels, de andere zes. Martin Lippens kende als speler nooit een andere club dan Anderlecht. Twaalf jaar bleef hij een waardevolle pion op het schaakbord van de legendarische coaches Bill Gormlie en Pierre Sinibaldi. Aanvankelijk als middenvelder, nadien als centrale verdediger, waar hij het door zijn kleine gestalte moest hebben van een feilloos positiespel. Sober, dienend, bescheiden - toch 33 keer Rode Duivel. En een fameuze traptechniek, die nooit miste vanop elf meter. Andere tijden. Toen Lippens stopte als voetballer, ging hij nog meer in de schaduw staan. Hij werd jeugdcoach van RSCA en na tien jaar schoof hij door naar het zitje van hulptrainer. Coaches kwamen en gingen: Goethals, Braems, Ivic, Van Himst, Haan... De hondstrouwe Lippens stond hen bij, dacht er niet één keer aan om zelf de teugels in handen te nemen. Pas na zijn tweede tour of duty onder Goethals, in 1989, vertrok hij uit het Astridpark. Aad de Mos hoefde hem niet als assistent en dus volgde Lippens den tuveneir naar Bordeaux. In de jaren negentig zou hij toch even T1 worden, bij STVV en RWDM, maar dat lag hem minder. Hij miste de schaduw. Jean Trappeniers legde aanvankelijk dezelfde weg af als Lippens. De jeugdvriend van Paul Van Himst groeide ook door van de Anderlechtjeugd naar het fanionteam. Als doelman dus, al kon de lenige Trappeniers ook als veldspeler goed uit de voeten. Den Trap kreeg geregeld concurrentie van buitenlandse keepers, maar hij bleef die telkens de baas. Hij schopte het ook elf keer tot Rode Duivel. Eén keer, de tweede helft van een België-Nederland in 1964, toen hij inviel voor Guy Delhasse, stond hij met tien paars-witte ploegmaats op het veld. Na twaalf jaar Anderlecht ging de minzame Trappeniers een andere richting uit dan Lippens. Hij kende nog een mooi fin de carrière bij Antwerp, Aalst en Union. Geen inniger band op een voetbalveld dan tussen de keeper en zijn laatste man. Geen verstandhouding die zo perfect moet zijn. Toen Lippens een rij naar achteren schoof, was hij de man die de verdediging voor Trappeniers dirigeerde, die sluw de buitenspelval openzette. De vista van Lippens en het fantastische lijnspel van Trappeniers: samen mochten ze vier keer (1962, 1964, 1965, 1966) de landstitel vieren. Vorige week namen ze samen plaats op de hoogste eretribune. DOOR PETER MANGELSCHOTS - FOTO'S BELGAIMAGEMartin Lippens en Jean Trappeniers speelden beiden twaalf jaar in de eerste ploeg van paars-wit.