PLUS

1. ROB RENSENBRINK

De voetballers van Anderlecht keken raar op toen Rob Rensenbrink de kleedkamer binnenkwam en vertelde dat hij zoveel mogelijk geld wilde verdienen en zo weinig mogelijk wilde uitgeven. Dat laatste zou heel snel blijken. Als vijf spelers van Anderlecht iets gingen drinken en Rensenbrink ging mee, dan werd er vier keer getrakteerd. Die extreme gierigheid was een klein kantje van deze dromerig ogende Amsterdammer die eerder bij Club Brugge al zijn kunsten had vertoond. Bij Anderlecht, waarvoor hij tussen 1971 en 1980 voetbalde, werd Rensenbrink pas echt een artiest. Onvoorspelbaar in zijn bewegingen, gracieus, intuïtief, opportunistisch. Maar zeer sfeergevoelig: hij kon in een Europese wedstrijd iedereen draaierig dribbelen, om vier dagen later in een match op Beringen in te dommelen.

2. JAN MULDER

Geen buitenlandse voetballer die met zoveel lyriek over zijn authentieke liefde voor Anderlecht praat als Jan Mulder. Vanuit Winschoten, in het noorden van Nederland, kwam hij naar Brussel en hij ging op een hartstochtelijke manier van die stad houden. In zijn contract stond dat hij naar Winschoten mocht terugkeren als hij heimwee kreeg. Zeven seizoenen seizoen lang, tussen 1965 en 1972, was Mulder een snelle, krachtige en door niets te intimideren midvoor. Sterker zelfs: hoe harder je Mulder aanpakte, hoe plezieriger hij het scheen te vinden. Bij Anderlecht ook overwon Mulder, aanvankelijk bedeesd, zijn schroom. Soms was hij een nijdig baasje dat ruzie maakte en dan kwaad wegliep, soms had hij over een en ander iets op te merken. Mopperen doet Mulder nog altijd, langs de zijlijn, als onvolprezen columnist.

3. ARIE HAAN

Of hij met hem een interview kon maken, wilde een Belgische journalist van Arie Haan kort na dienst aankomst weten. Dat kon, maar er moest wel betaald worden. Die koude zakelijkheid kenmerkte de middenvelder. Toen hij in 1975 net voor de bekerfinale tussen Anderlecht en Antwerp arriveerde, stond de bij Ajax uitgerangeerde Haan tien kilo te zwaar. Toch kwam hij in die match aan de aftrap en dirigeerde zijn ploeg naar de zege, ofschoon hij niet één keer uit de middencirkel kwam. Zo zou Haan blijven: een sluwe speler, een strateeg. Vaak gebeurde het dat hij na de theorie van de trainer alles veranderde. Als een leraar sprak hij de spelersgroep dan toe. Haan leek met flair door het leven te stappen, maar dat was slechts schijn: binnenin knaagde er constant een gevoel van onzekerheid.

MIN

1. ENRIQUE VILLALBA

De spits uit Paraguay gold als een van de beste Zuid-Amerikaanse goalgetters toen hij in 1979 bij Anderlecht neerstreek. Hij was uitvoerig gescout en in de rapporten stonden louter superlatieven. Kort na zijn aankomst werd hij voor een thuiswedstrijd tegen Lierse aan het publiek voorgesteld. In een wit trainingspak liep hij het veld op, het Astirdpark daverde. Maar de ster van Villalba verbleekte snel. Hij was traag en log en ging nooit in de diepte. Bovendien voelde hij zich niet goed in Brussel, waar hij in een appartement verkommerde zonder dat er zich iemand over hem ontfermde. Het rijk van Villalba was snel uit. Op een gegeven moment circuleerde het verhaal dat niet de Villalba was aangetrokken die werd gescout, maar zijn broer.

2. JOHN VAN LOEN

Slechts drie doelpunten in 26 competitiewedstrijden, John van Loen werd bij Anderlecht haast verpletterd onder de kritiek. De kopbalsterke maar loom en sloom ogende spits kreeg de bijnaam De Lantaarnpaal. De Franstalige pers ging zelfs nog een stap verder. John van Kloen (clown) werd hij daar genoemd. De Nederlandse international, die medio 1990 in het Astridpark arriveerde, werd tot aan zijn enkels afgezaagd, maar probeerde het zich allemaal niet aan te trekken. Hij geloofde in zichzelf, lachte graag en veel, maar aardde niet in het combinatievoetbal van Anderlecht. Van Loen moest het hebben van werkkracht, van rommelen en frommelen in het strafschopgebied. En van centers die er bij Anderlecht niet kwamen. Na één seizoen verdween hij. Hij had maar van één zaak spijt: dat hij niet alle muntjes die hij naar zijn kop kreeg bewaarde. Hij zou stinkend rijk zijn geweest.

3. DUNCAN McKENZIE

Raymond Goethals was gek van Engelse spitsen. Het zijn centervoors die niet mislukken, liet hij horen. Dus ging hij medio 1976 een kijkje nemen bij het toen gerenommeerde Leeds United. Zijn oog viel op Peter Lorimer. Maar die, zo liet de club horen, was niet te koop. Leeds had wel iemand anders in de aanbieding: Duncan McKenzie. Die stond niet altijd in de basis, maar dat werd niet aan de grote klok gehangen. En wat er ook niet werd bij verteld, is dat McKenzie een kleurrijk figuur was, op maar vooral naast het veld. Bij Anderlecht werd de spits al snel beoordeeld en later veroordeeld. Hij bleef maar zes maanden, speelde negen competitiematchen en maakte twee goals. Een stormram zonder verfijning. Raymond Goethals wist wat het probleem van Duncan McKenzie was: "Hij heeft zweetvoeten."

DOOR JACQUES SYS

De voetballers van Anderlecht keken raar op toen Rob Rensenbrink de kleedkamer binnenkwam en vertelde dat hij zoveel mogelijk geld wilde verdienen en zo weinig mogelijk wilde uitgeven. Dat laatste zou heel snel blijken. Als vijf spelers van Anderlecht iets gingen drinken en Rensenbrink ging mee, dan werd er vier keer getrakteerd. Die extreme gierigheid was een klein kantje van deze dromerig ogende Amsterdammer die eerder bij Club Brugge al zijn kunsten had vertoond. Bij Anderlecht, waarvoor hij tussen 1971 en 1980 voetbalde, werd Rensenbrink pas echt een artiest. Onvoorspelbaar in zijn bewegingen, gracieus, intuïtief, opportunistisch. Maar zeer sfeergevoelig: hij kon in een Europese wedstrijd iedereen draaierig dribbelen, om vier dagen later in een match op Beringen in te dommelen. Geen buitenlandse voetballer die met zoveel lyriek over zijn authentieke liefde voor Anderlecht praat als Jan Mulder. Vanuit Winschoten, in het noorden van Nederland, kwam hij naar Brussel en hij ging op een hartstochtelijke manier van die stad houden. In zijn contract stond dat hij naar Winschoten mocht terugkeren als hij heimwee kreeg. Zeven seizoenen seizoen lang, tussen 1965 en 1972, was Mulder een snelle, krachtige en door niets te intimideren midvoor. Sterker zelfs: hoe harder je Mulder aanpakte, hoe plezieriger hij het scheen te vinden. Bij Anderlecht ook overwon Mulder, aanvankelijk bedeesd, zijn schroom. Soms was hij een nijdig baasje dat ruzie maakte en dan kwaad wegliep, soms had hij over een en ander iets op te merken. Mopperen doet Mulder nog altijd, langs de zijlijn, als onvolprezen columnist. Of hij met hem een interview kon maken, wilde een Belgische journalist van Arie Haan kort na dienst aankomst weten. Dat kon, maar er moest wel betaald worden. Die koude zakelijkheid kenmerkte de middenvelder. Toen hij in 1975 net voor de bekerfinale tussen Anderlecht en Antwerp arriveerde, stond de bij Ajax uitgerangeerde Haan tien kilo te zwaar. Toch kwam hij in die match aan de aftrap en dirigeerde zijn ploeg naar de zege, ofschoon hij niet één keer uit de middencirkel kwam. Zo zou Haan blijven: een sluwe speler, een strateeg. Vaak gebeurde het dat hij na de theorie van de trainer alles veranderde. Als een leraar sprak hij de spelersgroep dan toe. Haan leek met flair door het leven te stappen, maar dat was slechts schijn: binnenin knaagde er constant een gevoel van onzekerheid. De spits uit Paraguay gold als een van de beste Zuid-Amerikaanse goalgetters toen hij in 1979 bij Anderlecht neerstreek. Hij was uitvoerig gescout en in de rapporten stonden louter superlatieven. Kort na zijn aankomst werd hij voor een thuiswedstrijd tegen Lierse aan het publiek voorgesteld. In een wit trainingspak liep hij het veld op, het Astirdpark daverde. Maar de ster van Villalba verbleekte snel. Hij was traag en log en ging nooit in de diepte. Bovendien voelde hij zich niet goed in Brussel, waar hij in een appartement verkommerde zonder dat er zich iemand over hem ontfermde. Het rijk van Villalba was snel uit. Op een gegeven moment circuleerde het verhaal dat niet de Villalba was aangetrokken die werd gescout, maar zijn broer. Slechts drie doelpunten in 26 competitiewedstrijden, John van Loen werd bij Anderlecht haast verpletterd onder de kritiek. De kopbalsterke maar loom en sloom ogende spits kreeg de bijnaam De Lantaarnpaal. De Franstalige pers ging zelfs nog een stap verder. John van Kloen (clown) werd hij daar genoemd. De Nederlandse international, die medio 1990 in het Astridpark arriveerde, werd tot aan zijn enkels afgezaagd, maar probeerde het zich allemaal niet aan te trekken. Hij geloofde in zichzelf, lachte graag en veel, maar aardde niet in het combinatievoetbal van Anderlecht. Van Loen moest het hebben van werkkracht, van rommelen en frommelen in het strafschopgebied. En van centers die er bij Anderlecht niet kwamen. Na één seizoen verdween hij. Hij had maar van één zaak spijt: dat hij niet alle muntjes die hij naar zijn kop kreeg bewaarde. Hij zou stinkend rijk zijn geweest. Raymond Goethals was gek van Engelse spitsen. Het zijn centervoors die niet mislukken, liet hij horen. Dus ging hij medio 1976 een kijkje nemen bij het toen gerenommeerde Leeds United. Zijn oog viel op Peter Lorimer. Maar die, zo liet de club horen, was niet te koop. Leeds had wel iemand anders in de aanbieding: Duncan McKenzie. Die stond niet altijd in de basis, maar dat werd niet aan de grote klok gehangen. En wat er ook niet werd bij verteld, is dat McKenzie een kleurrijk figuur was, op maar vooral naast het veld. Bij Anderlecht werd de spits al snel beoordeeld en later veroordeeld. Hij bleef maar zes maanden, speelde negen competitiematchen en maakte twee goals. Een stormram zonder verfijning. Raymond Goethals wist wat het probleem van Duncan McKenzie was: "Hij heeft zweetvoeten." DOOR JACQUES SYS