Vijftien jaar geleden, in 2002, won Real Madrid de finale van de Champions League met 1-2 van het Bayer Leverkusen van Lúcio, Michael Ballack en Oliver Neuville. Bij de Koninklijke stond er, net zoals afgelopen zaterdag, heel wat aanvallend geweld op het veld: Raúl en Fernando Morientes in de spits, achter hen Zinédine Zidane en op de flanken Figo en Santiago Solari. Op de bank zat ook nog heel wat schoon volk: Steve McManaman, Guti, Pedro Munitis... Maar coach Vicente Del Bosque begreep dat je geen elftal Galácticos op het veld kon zetten, zoals voorzitter Florentino Pérez dat diep vanbinnen...

Vijftien jaar geleden, in 2002, won Real Madrid de finale van de Champions League met 1-2 van het Bayer Leverkusen van Lúcio, Michael Ballack en Oliver Neuville. Bij de Koninklijke stond er, net zoals afgelopen zaterdag, heel wat aanvallend geweld op het veld: Raúl en Fernando Morientes in de spits, achter hen Zinédine Zidane en op de flanken Figo en Santiago Solari. Op de bank zat ook nog heel wat schoon volk: Steve McManaman, Guti, Pedro Munitis... Maar coach Vicente Del Bosque begreep dat je geen elftal Galácticos op het veld kon zetten, zoals voorzitter Florentino Pérez dat diep vanbinnen eigenlijk wel wilde. Je hebt ook werkers nodig, mannen die zich uit de naad lopen ten dienste van de spelers met de gouden voeten en die het evenwicht in het elftal bewaken. In 2002 werd die rol perfect ingevuld door de Franse middenvelder Claude Makélélé. Later zouden ook Xabi Alonso en Sami Khedira op die positie uitblinken bij Real. Afgelopen zaterdag was Casemiro de man die het vuile werk opknapte. Massimiliano Allegri, de coach van Juventus, had ook al voor de finale zijn bewondering voor de 25-jarige Braziliaan uitgesproken: 'De mensen hebben het over Isco en Gareth Bale, maar voor mij is Casemiro de belangrijkste speler bij Real, want zonder hem kunnen ze niet op dezelfde manier voetballen. Hij geeft het team evenwicht, en geen enkele andere speler kan dat.' Dat heeft ook Zidane begrepen, want in de laatste rechte lijn van de competitie mochten zowat alle kopstukken van Real weleens een wedstrijdje overslaan, behalve Casemiro. In de elf competitiematchen die sinds begin april nog op het programma stonden, werden Cristiano Ronaldo en Toni Kroos vier keer aan de kant gelaten, en Luka Modric drie keer. Casemiro moest er één aan zich laten voorbijgaan wegens schorsing, maar moest voor de rest altijd opdraven, met die nuance dat hij drie keer op de bank begon. De Braziliaan groeide op in São Paulo in een klein flatje met zijn broer, zus en moeder. Bij gebrek aan slaapplaatsen ging hij soms bij zijn grootmoeder of tante overnachten. Dat hij op zijn elfde bij São Paulo FC kon gaan voetballen, was een zegen voor hem, want daar kreeg hij elke dag eten. Hij weet vanwaar hij komt, zegt hij in een recent interview met El País. Sterallures heeft hij niet, hij ziet er eerder uit als een mecanicien die in een blauwe overall aan auto's sleutelt in de dichtstbijzijnde garage. Een opmerkelijke uitspraak uit dat interview: 'Ik maak graag doelpunten, ik kan genieten van een assist of van een goede combinatie, maar wat ik het leukst vind, is een bal afpakken en aan een ploegmaat geven. Daar word ik gelukkig van.' De man die pas op zijn 21e naar Real Madrid kwam, onderstreept ook het belang van Zidane: 'Toen hij assistent was van Carlo Ancelotti, gaf hij me veel aandacht. Een van de belangrijkste dingen van mijn eerste jaar in Madrid was de vriendschap met Zidane. Hij hielp me, hij praatte met mij en zei dat mijn moment zou komen.' Profetische woorden. Steve Van Herpe