1. De duik naar een schot op halve hoogte

Een penalty, een vrije schop, een lang afstandsschot op halve hoogte ? Iedere doelman heeft zijn favoriete kant om ze te stoppen. Voor Logan Bailly is dit de rechterkant.
...

Een penalty, een vrije schop, een lang afstandsschot op halve hoogte ? Iedere doelman heeft zijn favoriete kant om ze te stoppen. Voor Logan Bailly is dit de rechterkant. "Eigenlijk zijn er vier verschillende situaties voor een doelman", licht Guy Martens, keeperstrainer van RC Genk, toe. "Ze kunnen gewoon vallen, dat wil zeggen dat ze met de beide voeten op de grond blijven. Ze kunnen ook duiken, de voeten komen dan los van de grond. Ze kunnen zweven, de beide voeten raken de grond niet meer wanneer de bal op schouderhoogte aankomt. En ook kunnen ze de bal doen terugkaatsen. De bal komt hoger dan de schouders en de doelman moet hier de linkerarm uitstrekken wanneer hij naar rechts duikt. Wanneer een keeper een favoriete kant heeft, moet je hem natuurlijk niet beschuldigen van een zwakte aan de andere kant. We oefenen de duik aan de zwakke kant zoals veldspelers hun slechte voet trainen. De zwakke punten verbeteren en de sterke punten onderhouden, is het werk van de trainer. Bailly heeft veel sterke eigenschappen, maar er is nog steeds een punt waar hij moet onderdoen voor bijvoorbeeld zijn collega en voorganger Jan Moons en dat is ervaring. Dat kan hij alleen al spelend aanleren." Het belang dat gehecht wordt aan doelmannen, heeft bij Genk al zijn vruchten afgeworpen. De Limburgse club heeft een keeper bij de nationale ploeg voor min-21-jarigen een één bij die van de min-19-jarigen. "Al van bij de jeugd krijgen de doelmannen een gespecialiseerde trainer, die hen dezelfde technieken aanleert als de keepers van de eerste ploeg", verduidelijkt Martens. "Het is dezelfde aanpak, de nadruk wordt gelegd op dezelfde details, zodat zij zoals veldspelers vanaf een jonge leeftijd evolueren met een stijl eigen aan de club."Zoals Michel Preud'homme in het verleden, bezit Logan Bailly eveneens een lange en precieze verre bal met de voet. Hij kan ermee Thomas Chatelle aan de andere kant van het veld, op de rechterflank, bereiken, om een counter in te zetten. Waarom Chatelle en niet Tom Soetaers ? Omdat Bailly de bal uitgooit met zijn rechterhand en uittrapt met zijn linkervoet. De Genkse doelman is hierin een uitzondering. "Ik weet niet waar of hoe ik dat aangeleerd heb", zegt hij. "Nog merkwaardiger is dat mijn vader het net omgekeerd deed : hij wierp uit met links en trapte met rechts !" "Bij Sinan Bolat, onze tweede doelman en de eerste keeper van de nationale ploeg voor min-19-jarigen, is het ook zo", voegt Martens toe. "Hij doet ook het tegenovergestelde van Bailly : hij werpt de bal uit met links en gebruikt zijn rechtervoet om uit te trappen !" Logan Bailly, meester in de lucht ? Hij weet zich goed te redden op dat gebied. "Hier ook is het een kwestie van techniek", legt Martens uit. "Wanneer de counter van rechts komt, moet hij zijn rechtervoet nemen ; komt hij van de linkerkant, dan zijn linkervoet. Als je het goed wil doen, moet je het andere been opheffen tussen de bal en de aanvallende tegenstander. Zo kan je jezelf beschermen. De timing is hier dus uiteraard van groot belang, de doelman moet zich tijdens de sprong op het hoogste punt bevinden als hij de bal gaat vangen. De techniek om in de lucht te springen (de aanloop, de aanzet en de lancering) heeft veel weg van de sprong die de hoogspringers gebruiken. Je kan dus enkele gelijkenissen vinden tussen de techniek van een doelman en die van een hoogspringer of speerwerper. Iedere week, twee dagen voor de wedstrijd, wordt er een kwartier op deze technieken getraind."Sommigen vergelijken hem met Nico de Bree, de Nederlandse ex-keeper van RWDM en Anderlecht. De verre bal van de hand van Logan Bailly vormt een wapen in de tegenaanval en biedt hem de mogelijkheid om Tom Soetaers aan de andere kant van het veld, op de linkerflank, te bereiken. Is dit het resultaat van lange uren in de fitnesszaal ? "Helemaal niet", antwoordt hij scherp. "Ik doe aan spiertrainingen, ja, maar niet meer dan de anderen." "Het is vooral een kwestie van techniek", verduidelijkt Guy Martens. "De meeste keepers hebben absoluut geen kracht in de armen. De lengte en de nauwkeurigheid van de verre bal hangen af van de uitgevoerde beweging. De kracht moet de aanloop en de richting beïnvloeden. Ook de positie van de voeten is hierbij, samen met de beweging van de arm, van groot belang. De bal moet van achter het hoofd vertrekken, maar je mag geen te hevige beweging maken met de arm. Anders gaat de bal hoogte nemen en kan die zijn doel niet bereiken. Je moet proberen de bal op de hoogte van je schouder te houden en hem dan te lossen op het goede moment. Niet te vroeg, niet te laat, maar daar waar het meeste kracht gezet kan worden. Vanaf het moment dat de bal losgelaten wordt, moet hij een bijna rechte lijn kunnen behouden. Eigenlijk is het zoals het gooien van een speer in atletiek. Om de tegenstander te verrassen, moet je proberen de bal snel weg te werpen : onmiddellijk na de vangst van de bal, zodat de tegenstander niet de tijd krijgt om na te denken en zich te organiseren." door daniel devos