Het blijft een onwezenlijke ervaring, een dik half uur voor een thuiswedstrijd van Beerschot de auto gewoon recht tegenover de ingang van het stadion parkeren en ongestoord naar binnen stappen. In precoronatijden was het in de dichtbevolkte wijken van het Kiel altijd rondjes rijden tot je een plaats vond, om je vervolgens naar binnen te wurmen tussen in paars en wit uitgedoste fans aan café de Change, rechtover het stadion.
...

Het blijft een onwezenlijke ervaring, een dik half uur voor een thuiswedstrijd van Beerschot de auto gewoon recht tegenover de ingang van het stadion parkeren en ongestoord naar binnen stappen. In precoronatijden was het in de dichtbevolkte wijken van het Kiel altijd rondjes rijden tot je een plaats vond, om je vervolgens naar binnen te wurmen tussen in paars en wit uitgedoste fans aan café de Change, rechtover het stadion. Vandaag is de Change leeg. Uitbater Tom De Meirleir nam in 1996 het toenmalige café Goal over en voor de pandemie verzamelde hier iedereen die iets met Beerschot te maken had: bestuur, supporters, journalisten en de spelers die hier hun lunch aten en zelf hun drank mochten nemen. Mochten de muren kunnen praten, ze zouden straffe verhalen vertellen. Er hangt een foto van het Beerschots kampioenenelftal uit 1924, maar ook het truitje van François Sterchele uit 2006; als nationaal topschutter werd hij daarna verkocht aan Club Brugge. Er is ook een foto van de ploeg die in 2016 met trainer Urbain Spaenhoven kampioen werd in vierde klasse. Van die ploeg is alleen Tom Pietermaat nog overgebleven. In de geïmproviseerde perszaal, voorheen de loge van de Vrienden van het Olympisch Stadion (ook Vlaams minister-president Jan Jambon staat op het bord), kijken oude gloriën toe: Rik Coppens, Juan Lozano, Walter Meeuws met baard, enfant terrible Dirk Goossens, de Poolse doelman Jan Tomaszewski en aanvaller Emmanuel Sanon, die op het Kiel belandde als revelatie van het Haïti dat zich plaatste voor het WK van 1974. Even verderop voetbalde lang geleden ook de oudste club van het land, waar Beerschot zich in 1899 van afgescheiden had. Weinigen weten nog dat Royal Antwerp FC, opgericht in 1880, de eerste veertig jaar van zijn bestaan op het Kiel speelde, in de Broodstraat, aan de achterkant van de Wilrijkse pleinen. In 1923 verhuisde Antwerp FC naar Deurne, omdat de gronden daar goedkoper waren. Op de enorme begraafplaats Het Schoonselhof, op de grens van Wilrijk en Hoboken, hebben de grote graftombes op het historische gedeelte vooral Franse opschriften. Beerschotfan Jeffrey De Roeck wandelt al eens langs het graf van de stichter van de club, Alfred Felix Grisar, ook al met Franse tekst. Voor de derby komen Beerschotfans hier soms op bezoek. 'Om de man te bedanken die ons van die andere club heeft afgeholpen.' Het strafste is dat Grisar, telg uit één van de meest vermogende Antwerpse families, eerst het doel van Antwerp verdedigde. Tot er een meningsverschil ontstond tussen de rijkere en de minder begoede spelers, of ze bij de maaltijden bier dan wel wijn zouden bestellen. Alfred had eerder al aan zijn vader gronden gevraagd voor een omnisportclub en kreeg die ook, waar vandaag het Olympisch Stadion ligt. Na het overlijden van zijn vader werd als eerbetoon het paars als kleur gekozen. Grisar, een echte dandy, speelde overigens ook polo op de Olympische Spelen van 1920, 'op mijn eigen erf'. Het Frans hoorde toen gewoon bij Beerschot, dat zich altijd de iets chiquere club vond. Yvan Thys, één van de aanvalsleiders van de ploeg die na Wereldoorlog I verschillende keren kampioen werd, sprak Frans. Dat was ook de voertaal thuis bij zijn zoon Guy Thys in de Fruithoflaan in Berchem, al sprak de latere bondscoach ook perfect plat Antwaarps. Van het station in Berchem ben je langs de spoorweg te voet op een kwartier op het Rooi, thuishaven van Berchem Sport, vandaag een club in tweede nationale amateur. Ooit waren de geel-zwarten een vaste waarde in de hoogste klasse. Kort na Wereldoorlog II eindigde Berchem zelfs drie jaar op rij tweede, maar in 1987 verdween de club definitief uit de hoogste klasse. Eén van de laatste jaren in eerste was Rik Coppens er trainer. Dat ging goed, net als bij Beerschot. Maar bij Club Brugge lukte het niet. 'Dat was zijn probleem als trainer', herinnert tv-reporter en voormalig Beerschotvoetballer Frank Raes zich. 'Buiten Antwerpen verstond niemand hem.' Het verhaal gaat dat Coppens bij Berchem ooit tijdens de rust boos was over het lamentabele niveau van zijn spelers en in de kleedkamer riep: 'Er is er hier maar één die kan voetballen', waarop iedereen hoopte dat de trainer hem zou aanwijzen. Maar Coppens ging voor de spiegel staan en zei kurkdroog: ' Da zijde gij, jongen.' Vandaag wordt de parking voor het stadion verhuurd aan bedrijven aan de overkant; dat zorgt voor wat inkomsten. Voor de verkommerde houten hoofdtribune van het Ludo Coeckstadion, genoemd naar de in 1985 verongelukte sterspeler van de Rode Duivels, Anderlecht en Internazionale, staat een kleinere geïmproviseerde zittribune. Aan de gevel hangen borden die aangeven dat de stad, eigenaar van de velden, vanaf 2018 drie jaar lang verbouwingen zal doen voor in totaal 3,3 miljoen euro. Maar dat plan is al een paar keer bijgestuurd, zegt sportief verantwoordelijke Marc De Mulder (65) die bij Berchem begon als miniem. Hij voetbalde in het eerste elftal nog samen met Ludo Coeck, die al na een half jaar in het eerste elftal in 1972 door Anderlecht werd weggekocht. Na Coecks vertrek mocht hij ineens de vrije trappen nemen. Van de miniemenploeg van toen haalden er zeven spelers, onder wie Coeck en hijzelf, het eerste elftal van Berchem Sport in eerste klasse. Vandaag kan dat niet meer: 'Nu worden onze talenten op hun zesde of zevende al weggehaald. Vooral op zaterdagochtend is het dringen tussen de scouts van Antwerp, Beerschot, Club Brugge, Anderlecht, Waasland-Beveren en KV Mechelen. We hebben wel een overeenkomst met Anderlecht voor de allerjongsten, maar de realiteit is dat we geld uitgeven voor de opleiding en geen euro terugkrijgen. Het drama van alle amateurclubs, zeker?' Waar situeert Berchem zich vandaag in het Antwerpse voetbal? 'Beerschot en Antwerp lopen steeds verder van ons weg. Regelmatig contacteren buitenlandse investeerders ons, want traditieclubs zijn heel erg in. Maar het verhaal stopt telkens wanneer ze hier aankomen en merken dat de accommodatie in handen is van de stad en er niet zomaar gebouwd kan worden. Een club als de onze hoort een reeks hoger thuis, in eerste nationale amateurs, maar zolang we niet weten wat er met onze accommodatie gebeurt, is onze enige ambitie overleven. Zelfs dat is moeilijk.' Wel blijft het een aantrekkelijke club voor spelers 'omdat we een naam hebben, relatief veel volk trekken en nog altijd veel aandacht krijgen in de media. Onze matchen komen op ATV. Dus zijn we een ideale club voor spelers die zich hier in de picture willen spelen, en dan weer vertrekken.' De Mulder hoopt op een doorbraak in het stadiondossier, zodat de club over een paar jaar weer mensen in deftige omstandigheden kan ontvangen. 'Vroeger hadden we een verouderd publiek, maar de laatste jaren krijgen we steeds meer jonge fans. Ineens werden we hot bij de studenten, die hier graag een pint komen drinken en zingen. Een beetje een cultclub, zoals Union in Brussel. Met de maand zagen we hun aanwezigheid op die tribune toenemen. Tot COVID uitbrak. Hopelijk komen ze straks terug, en brengen ze nog wat vrienden mee.' Het is aanschuiven aan de wafelkraam in het prachtige en uitgestrekte Rivierenhof in Deurne. In de westelijke hoek van het park, net onder de Turnhoutsebaan, staat een betonnen schutting rond het intussen verlaten stadion van Tubantia Borgerhout. De club verliet vorig jaar de site, waar in 2013 de grote tribune al afgebroken werd. Straks komt op de plek een Chinese tuin. Voor echte Tubantianen zal dat pijn aan de ogen doen, maar het Rivierenhof is voor de rood-witten met stamnummer 64 voltooid verleden tijd. Het eerste stadion, in de volksmond 'de Put' geheten, helemaal aan de oostkant van het park, verliet de club al in 1960 bij de fusie met Racing Borgerhout. Vandaag trainen hier op het kunstgras de jeugdspelers van Rapid, een ploeg uit het katholiek sportverbond. Alleen verdoken in een hoek vindt men nog een oud monument met een verweerd opschrift: K.Tubantia FC aan hare helden 1941-1945, met de namen van de gesneuvelden in Wereldoorlog II. Het is een laatste herinnering aan het stadion waar voormalig international Jef Mermans nog voetbalde, tot hij in 1942 voor het toenmalige recordbedrag van 125.000 frank (ruim 3000 euro) verkocht werd aan Anderlecht. Dit seizoen trad de club aan op het kunstgrasveld aan de Ruggeveldlaan, aan de ijspiste en rechtover het Rivierenhof. Volgend seizoen fuseert rood-wit met FC Stabelino dat aan de overkant van het park voetbalt, amper tweehonderd meter van het oudste stadion. Grote ambities heeft de club van voorzitter Ronny Verhaert niet meer. 'Gewoon gezond blijven en overleven. Ambitie is voor mensen en clubs met veel geld, en dat hebben wij al lang niet meer.' Van 1987 tot 1998 kende Tubantia, dat begin jaren 30 twee jaar in de hoogste klasse aantrad, nog een opleving met een aantal seizoenen in derde en vierde klasse, maar in 2010 ging de club failliet. Omdat de oudgedienden gehecht waren aan het stamnummer 64 werd gekozen voor een heropstart in vierde provinciale, waar de club vandaag nog speelt. De eerste jaren zonder jeugd, nu met 70 spelers van U7 tot U13. 'Vaak spelertjes die bij andere clubs niet welkom zijn. In onze eerste ploeg spelen alleen jongens van hier, want wij betalen heel weinig. Ik heb gekozen voor een stille opbouw. Als je niets kunt bieden, moet je niet te groot doen.' Zelf supportert hij voor den Antwerp, terwijl de penningmeester van de rood-witten voor den Beerschot is. Altijd leuke babbels. Wie de echte scheidslijn wil voelen tussen paars-wit en rood-wit rijdt best via de Leien van zuid naar noord of omgekeerd. Via de Operatunnel onder de Keyserlei kom je boven aan het Sint-Jansplein na het chique zuid in een andere wereld terecht. Hier hangt op een gevel het veelzeggende bord: 'Noord'. Er is een Braziliaans café en er hangen Portugese vlaggen, maar hier in de Seefhoek begint het grondgebied van rood-wit, al is er nog één paars-wit eilandje. Het is café Pagadder, al 24 jaar uitgebaat door Myriam De Schepper. Vroeger was ook de gevel paars-wit, nu nog de afsluitingen van het terras plus het hele interieur. Zelfs de fles J&B Whisky is paars, faut le faire! En zeg dat het niet waar is: op een verhoogje staat warempel kabouter Eddy, genoemd naar de vroegere Antwerpvoorzitter Eddy Wauters. Het is een prachtig verhaal, hoe de spelers op de dag van de derby een kabouter aantroffen in de kleedkamer. 'Dat heeft iemand van den Antwerp gedaan', siste toenmalig trainer Marc Brys. 'Die lachen met ons, ze denken dat we kabouters zijn.' 'Germinal Beerschot had toen veel kleine spelers, met Tim Reigel, Kristof Snelders, Steve Cooreman en mezelf', glimlacht Mo Messoudi, die er toen bij was. 'Het was een idee van Marc Brys om ons te prikkelen, en Eric Verhoeven had die kabouter daar op Marcs aangeven gezet. Helemaal opgenaaid stormden we het veld op.' Het was Messoudi's eerste derby. Kent hij de uitslag nog? '0-4. Gewonnen!' Vijf kilometer ten noordoosten van het Sint-Jansplein worden aan het indrukwekkende nieuwe Bosuilstadion de werken aan Tribune 4 uitgevoerd. Het uitzicht op Tribune 1 met de vijver en de wandelpaden kan de vergelijking met buitenlandse topclubs al doorstaan. Op het veld voor het stadion oefent de oudere jeugd, terwijl de meeste ouders in deze COVID-tijden op de parking in de auto wachten. Het is een nieuw fenomeen, Antwerp dat vol op jeugd inzet. De indrukwekkende uitbouw met dank aan de puissant rijke maar nog meer ambitieuze zakenman uit Ieper doet niet vermoeden dat deze club binnen een paar jaar samen met aartsrivaal Beerschot zou verhuizen naar een nieuw stadion op Petroleum-Zuid, al was dat oorspronkelijk wel het plan. 'We wilden wel meedenken met de stad, ook omdat er geld voor vrijgemaakt zou worden, maar we zijn daar als club nooit echt voor geweest', zegt Paul Bistiaux, decennialang secretaris van Antwerp geweest en blij hoe rood-wit zich in zijn habitat ontwikkelt. 'Thuis zei mijn vader: 'Wij, wij zijn voor den Antwerp, jongen.' 'Dat klonk als de evidentie zelf, zoals de meeste mensen in onze buurt ook rood-wit waren. Op de dag van de derby ging ik als veertienjarige met de door mijn grootmoeder gebreide rood-witte sjaal op de tram naar het Kiel. Vanaf het Sint-Jansplein stapte er al eens iemand met een paarse sjaal op, zodat een perfecte mix van beide kleuren richting het Kiel liepen. Ook in het stadion zaten of stonden wij door mekaar. Nu kun je je dat niet eens meer voorstellen.' Dat zijn club vandaag gerund wordt door Luikenaars en een West-Vlaming, vindt Bistiaux niet erg. 'Ik ben vooral blij dat de Bosuil, onze Old Trafford, vernieuwd wordt en we niet naar het Kiel terugkeren. Ik ben dankbaar ten opzichte van de mensen die dit mogelijk maakten. Waar zou ik over zeuren dat het Antwerpenaren niet gelukt is om dit te realiseren, wanneer ik zie dat Manchester United in handen is van Amerikanen en Chelsea van een Rus? Uiteindelijk ben ik blij dat Antwerp nog in Vlaamse handen is. En dat we nog altijd bestaan en nooit zijn gefuseerd, wat niet evident is voor een club van 140 jaar oud.' Via de Noorderlaan gaat het langs de grauwe woonblokken van de Luchtbal naar Ekeren. De Luchtbalboys stopten noodgedwongen als club in 2009, maar er is in deze omgeving een alternatief, dat op een sociale rol mikt in plaats van op Europees voetbal. In 2014 veranderde Olse Merksem, dat tussen 1959 en 1976 een aantal jaar in tweede klasse uitkwam, zijn naam in City Pirates Antwerpen. Het stadion van de club uit tweede nationale amateur is nog steeds het Jef Mermansstadion in Merksem, genoemd naar de speler die in 1960 zijn spelerscarrière afsloot bij de club uit zijn geboortewijk. Tegenwoordig zijn de piraten actief op vijf verschillende locaties en met in totaal 1200 leden en meer dan 500 spelers op de wachtlijst zijn ze één van de grootste sportclubs in België. Op Linkeroever, op de terreinen van het vroegere Sint-Anneke, staat er zelfs een groot geschilderd portret van de peter van de club, Radja Nainggolan. Die groeide op op Linkeroever en belandde via Beerschot in Italië, maar hij is zijn stad en zijn roots nooit vergeten. Frank Raes' zoon speelt hier. 'De voorzitter, Michel Pradolini, is een idealist. Ze hebben naast de kantine een muziekstudio waar de kinderen naast voetballen ook kunnen rappen. Een mooi sociaal project.' Een paar kilometer voorbij de Luchtbal sta je plots op den buiten. Dit moet Ekeren zijn. Op maandag 17 september 1991 was een deel van de plaatselijke bevolking van Ekeren al heel vroeg uit de veren om twee autobussen aan het Veltwijckpark uit te wuiven. De spelersbus en de bus met journalisten en andere vips vertrokken naar Glasgow, waar Germinal Ekeren tegen Celtic zijn eerste Europese wedstrijd ooit zou afwerken. Twee weken later streken vierduizend Schotten neer in het Antwerpse dorp. Vandaag is voor wie over het gras loopt nauwelijks voor te stellen dat hier 7500 aanwezigen een dolle Europabekerwedstrijd bijwoonden. Germinal Ekeren zou nog een aantal Europese duels spelen, maar tegen Stuttgart en Servette Genève haalde het amper duizend betalende toeschouwers. Toen al beseften de clubleiders Jos Verhaegen en René Snelders dat hun modern voetbalsprookje een eindig verhaal was. Wanneer de rechtbank hen ook nog verplichtte om het stadion, dat in een natuurgebied stond, weer af te breken, moesten ze op zoek naar een nieuwe thuis. Gesprekken met Antwerpvoorzitter Eddy Wauters leidden niet tot een overeenkomst, dus ontfermde het bestuur van Germinal zich in 1999 over het inmiddels in derde klasse failliet gegane Beerschot. In wat nu het natuur- en wandelgebied De Oude Landen is, herinnert niets nog aan het topvoetbal van weleer. Alleen de twee doelen staan er nog, maar zelfs van de vroegere hoofdtribune is geen spoor meer te vinden. Op het oude oefenveld aan de overkant staat nu het nieuwe gebouw van het district Ekeren, met een speeltuin. Wie in Ekeren nog voetbal wil zien, moet de spoorwegbrug over, drie kilometer verder, waar op de Bist in een prachtige villawijk de blauw-witten van FC Ekeren spelen. Niet tegen Celtic maar in de Antwerpse tweede provinciale. Aan de andere kant van wandelgebied de Oude Landen voetballen de geel-zwarten van vierdeprovincialer KSK Ekeren Donk. Het verstandshuwelijk tussen de zogenaamde boeren van Ekeren en het chique volk van het Kiel werkte niet, ondanks een bekerwinst en een fantastische jeugdopleiding onder leiding van Urbain Haesaert, Simon Tahamata en later Henk Mariman. De plagerig bedoelde opmerking naar de Germinalfans bij de eerste thuiswedstrijd op het Kiel zette meteen de toon: 'Wees welkom, maar gelieve eerst uw klompen uit te doen.' Na het tweede failliet van de club in 2013 moest Beerschot opnieuw op zoek naar een helpende hand, dit keer die van eersteprovincialer FC Wilrijk. Tot een paar jaar geleden hing op het Kiel een spandoek 'Bedankt, Wilrijk', maar de voorbije twee jaar is ook van die club met de reddende hand geen spoor meer te bekennen. De naam is opnieuw Beerschot, het stamnummer 13 in plaats van het nummer 155 van FC Wilrijk. De meeste mensen van Wilrijk zijn, op de secretaris na, uit het organigram verdwenen en werden opgevangen door de tweedeprovincialer SK Wilrijk dat daarom vorig jaar zijn naam veranderde in Koninklijke Voetbalclub Wilrijk en onder SK's stamnummer 9307 in tweede provinciale uitkomt. En Beerschot zelf? Dat speelt niet zoals Antwerp op eigen gronden, maar op een accommodatie van de stad. Dé vraag is of de club om een toekomst te hebben beter kan gaan voor een vernieuwd Kiel, of zoals gepland moet verhuizen naar de voorziene braakliggende site op een verder stilaan volgebouwd Petroleum-Zuid. Die plek was voorzien voor beide topclubs, maar de rood-witten tonen er sinds de komst van bouwheer Paul Gheysens nog amper interesse in. Maar eerst is er de derby, door de uit het Wase Hamme in 't stad aangespoelde tv-reporter Filip Joos wel eens vergeleken met de Romeinse derby. 'Net als daar een dorpsderby. Niet om de landstitel, maar om de vraag wie 's anderdaags zijn vlag mag hangen aan het stadhuis of het Pantheon.' Antwerpen is wel een voetbalgekke stad, 'omdat je de meeste supporters van beide clubs hebt in of net buiten de stad. Die komen niet uit andere provincies. Hier een lantaarnpaal of en verkeersbord zonder clubsticker vinden is niet zo gemakkelijk.' Guy Van den Broeck, voorheen marketingverantwoordelijke bij Germinal Beerschot, stelt vast dat alle pogingen van Antwerpenaren om beide clubs weer omhoog te krijgen niet gelukt zijn. 'Buitenstaanders hebben het moeten doen.' Dat maakt Filip Joos weinig uit. 'Het volstaat om een match op Antwerp of Beerschot te volgen, met publiek, om te voelen dat dat niets kunstmatig is.'