Met terugwerkende kracht lijkt het allemaal eenvoudig, eenduidig, rechtlijnig. In de achteruitkijkspiegel zie je de carrière van Alex Czerniatynski alleen nog als een recht traject. Niks bizarre bochten op het parcours.
...

Met terugwerkende kracht lijkt het allemaal eenvoudig, eenduidig, rechtlijnig. In de achteruitkijkspiegel zie je de carrière van Alex Czerniatynski alleen nog als een recht traject. Niks bizarre bochten op het parcours. Maar ongeveer een kwarteeuw geleden vroegen ze zich bij Sporting Charleroi met de handen in het haar af wat er in 's hemelsnaam moest worden van deze wildebras. Alex Czerniatynski : "Ik was toen zestien, zeventien jaar en ik had mijn buik vol van al die twijfels, van al die vraagtekens die ze op Mambourg achter mijn naam plaatsten. Ik ging een test afleggen bij Nalinnes, de club van mijn geboortedorp. Dat verbleef toen ergens obscuur in de provinciale reeksen. En de aansluitingskaarten werden toen nog niet erg aandachtig geïnspecteerd : op zondag speelde ik stiekem minivoetbal. Ik weet nog dat ik me daar in duizend haasten uit de voeten moest maken, omdat ik vernomen had dat ze me bij Sporting hadden geselecteerd voor een plaats op de bank."De betreurde Jean Piccinin behartigde toen bij Charleroi de opleiding van de jeugd. Voor Czernia had hij een grote boon. Dat van dat clandestiene minivoetbal heeft hij waarschijnlijk nooit geweten. Toeval speelt een rol in iedere voetballoopbaan. Misschien nog net iets meer in een voetbalverslaafde regio als Charleroi. "Voetbal wordt daar beleefd als een soort van religie", zegt Czerniatynski. De huidige hoogconjunctuur van de Zebra's stemt hem bijna euforisch. "Wat Sporting tegenwoordig presteert onder impuls van Jacky Mathijssen, is buitengewoon. Die ploeg staat er altijd, in alle omstandigheden. Niemand speelt graag tegen Charleroi. Ook de topploegen niet. Het is een intelligent team, dat zich niet uit positie laat brengen, dat zijn opponent het spelen belet, dat profiteert van elke steek die de tegenstanders laten vallen. Ze noemen het voetbal van Charleroi verdedigend, maar dat vind ik een onrechtvaardig verwijt. Charleroi speelt op z'n Belgisch. Het knoopt aan met de kwaliteiten van het Belgische voetbal van vroeger, de kwaliteiten waarmee het Belgische voetbal z'n grootste successen heeft behaald." "Er zitten geen sterren in de ploeg, dit team valt of staat met het collectief ", stelt hij vast. "Vorig seizoen had je nog Bertrand Laquait, maar die is intussen vertrokken. De Franse keeper was natuurlijk wel een echt monstre sacré. Laquait heeft Charleroi veel bijgebracht. De punten die hij voor de ploeg heeft gepakt, dat is niet te tellen. Het Charleroi van dit seizoen moet het nóg meer hebben van zijn collectieve kracht. Elke speler doet zijn job, zet zich in, helpt zijn ploegmaats. De groep straalt een positieve sfeer uit. Er bestaan geen mirakels, bij de topclubs zweren ze bij dezelfde recepten : aandacht voor de balrecuperatie en bij balbezit zo vlug mogelijk offensief omschakelen." Volgens Czerniatynksi mag Charleroi rustig de top vijf viseren. "Het is ongelooflijk wat Jacky uit de spelers haalt met wie hij samenwerkt. De pers schildert hem af als de Belgische José Mourinho. Ik ken Jacky. Hij is allicht de eerste die moet lachen met die vergelijking. Zoveel lof is aan hem niet besteed, hij beseft als geen ander in welk broos beroep hij staat. Niets breekbaarder dan het succes van een coach. Zodra het slecht begint te draaien, heeft hij de boter gegeten. Ik denk nu onwillekeurig terug aan dat incident tussen Mathijssen en Abbas Bayat, op het einde van Charerloi-Anderlecht. Vanzelfsprekend is dat toe te schrijven aan de enorme frustratie van het moment : Charleroi stond op het punt te stunten tegen Ander-lecht en in de blessuretijd ging die stunt alsnog de mist in. Dan is de teleurstelling natuurlijk te snijden. Toch blijf ik erbij : de plaats van een clubvoorzitter is in de tribune. Nu ja, dat is typisch Charleroi. Daar blazen ze de ene dag warm en de volgende koud. Zo is het altijd geweest en dat zal wel nooit veranderen." Alex Czerniatynski kent Charleroi als zijn broekzak. Hij werd geboren in l'hôpital Notre-Dame, vlak tegenover het stadion van Charleroi. Opgroeien deed de kleine Czernia in Couillet, vervolgens in Nalinnes. Tegenwoordig woont hij in Rumst, niet ver van Antwerpen. Maar zijn geboortestreek heeft hij nooit verloochend. Graag vertelt hij over die periode uit zijn leven. Aan zijn vrouw Freya, aan zijn zoon Nicolas, aan een reporter op bezoek. Dan gaat het over de derby's tegen Olympic Charleroi, de Doggen uit het nieuwe stadsdeel ( la Neuville) - wedstrijden op leven en dood waren dat. En over legendarische ploegmaats en kameraden, die met hem in de jeugdploegen speelden : Philippe Vande Walle, Jean-Jacques Clo-quet, Philippe Migeot, Philippe Bardaux en de rest van de bende. Overigens, het was niet al voetbal wat de klok sloeg. Om zijn vader plezier te doen, behaalde Alex Czerniatynski een diploma als automecanicien. "Op school heb ik úren in de garage doorgebracht. Toegegeven, van daar kon ik de voetbalprofs van Charleroi zien aankomen en dat betekende altijd een welgekomen onderbreking."De jonge Czerniatynski miste geen enkele match van de Zebra's. Het was nog de tijd van de sterren. "Ik wilde ze zien, in hun buurt komen, ze aanraken, een handtekening vragen. Het oude Mambourg was kleiner dan het huidige stadion, maar er heerste een heel aparte sfeer. Dat stadion kon nog ontploffen. Publiek en spelers vormden een geheel, er bestond een voelbare band tussen hen. Ik stond meestal achter het doel. Daar kon ik het best mijn grote idool bewonderen : Bobby Böhmer. Akkoord, Georget Bertoncello verdient ten volle de titel van Speler van de Eeuw van Sporting Charleroi. Maar Böhmer was de grootste artiest in de geschiedenis van de club. Hij is de Robby Rensenbrink van Charleroi. En hij maakte van Charleroi het Hollywood van het Belgische voetbal. Böhmer was een blonde god, de meisjes vielen bij bosjes voor hem. En op een voetbalveld : geniaal. Böhmer was de voetballer op wie ik wou lijken. Na de wedstrijden kon ik me op een muur hijsen en een indiscrete blik in de kleedkamer werpen. Ik wou weten hoe het daar toeging, wat mijn helden daar deden. En ik wist dat die kleedkamer op een dag tot mijn universum zou behoren." Het ging geleidelijk met de jonge Czerniatynski. Miniem, kadet, scholier, junior. "Het Jonetstadion was ons hoofdkwartier", herinnert hij zich. "Mijn moeder en mijn oudere zus Dany trokken daar dikwijls met mij naartoe. Als de eerste ploeg van Charleroi uit speelde, verzamelden de spelers in het Jonetstadion. Voor ons, kleine gasten, waren dat grote momenten. Die vedetten stonden dan een halfuur naar ons te kijken. Dan wilde ik me altijd in de belangstelling van Böhmer en de anderen spelen. Soms lukte dat, dat waren momenten van totaal geluk." Het voetbal was helemaal anders, toen. "Tegenwoordig leven voetballers in een ivoren toren. Een gevolg van het grote geld dat er nu met voetbal gemoeid is. Iemand als Bertoncello had je natuurlijk nooit kunnen opsluiten. Die had de hele barak afgebroken om bij het publiek te kunnen komen. Zonder het volk voelden voetballers zich toen verweesd. De derde speelhelft, dat wilde nog iets zeggen in die tijd. Toen ik in de eerste ploeg kwam, namen de anciens me mee naar l'Abattoir. Dat was hun stamcafé in Jonet en daar trokken ze na elke training naartoe. Ze zeiden tegen mij : Manneke, als gij ooit een goede voetballer wilt worden, moet ge met ons mee naar l'Abattoir. Ik durfde ze niet tegen te spreken. Dat waren dolle avonden. Bergen kopvlees aten ze en de tapkranen vielen geen seconde stil. En dan maar sterke verhalen vertellen. Wonnen de Zebra's, dan duurde het feest drie dagen lang. De ene week klopten ze Anderlecht, de week nadien lieten ze zich inblikken door een kleine garnaal. Dat maakte deel uit van de charme van het toenmalige Charleroi." Bij de jeugd behoorde Alex Czerniatynski doorlopend tot de uitblinkers, net als zijn Zaïrese vriend N'Sengui. In het seizoen 1978/79 hevelde coach Félix Week hem over naar de A-kern. Maar de Brusselaar deed liever een beroep op anciens. Nico Braun bijvoorbeeld hield Czernia uit het basisteam. Dan werd Week vervangen door de man die Czernia had begeleid bij de jeugd : Jean Piccinin. Die pompte hem in de ploeg voor een match tegen Beveren. Maar vooral tegen Anderlecht sloeg de jonge doelschutter gensters aan de zijde van Charly Jacobs. "Ik bewonderde hem. Charly maakte de meest onmogelijke doelpunten. Hij schoot zonder aarzelen vanuit alle hoeken." Charleroi eindigde dat seizoen negende met 33 punten, maar het had liefst vier jonge beloften in het team gegooid : Bardaux, Hervé Royet, Migeot en Czerniatynski. Laatstgenoemde : "De jeugd, dat is de rijkdom van een voetbalclub. Mijn carrière en later het succes van Philippe Albert en Daniel Van Buyten bewijzen dat er in het Zwarte Land voetbaltalent rondloopt. Momenteel trekt Charleroi meer de Franse kaart, maar dat is ook interessant. Die Franse spelers kunnen voor de jeugd van Charleroi een voorbeeldfunctie hebben." Het seizoen 1979/80 verliep dramatisch. Twijfel regeerde over Mambourg. De anciens waren aan hun seizoen te veel bezig, de jongeren misten nog metier, Czernia kreeg vanwege zijn frivoliteit bakken kritiek over zich heen, Piccinin werd vervangen door Alex Horvath en nadien weer opgevist. En Charleroi zakte naar de tweede klasse. Czerniatynski genoot de belangstelling van RWDM en Beerschot, maar verkoos bij Charleroi te blijven. Toen een verkeersongeval een einde maakte aan de carrière van Jean Dachelet, gooide trainer Michel Delire Czernia in de strijd. Een match tegen Tongeren was dat, maar in het geheugen blijft vooral de wedstrijd in Diest hangen : 0-4 en alle goals op rekening van Czernia. Alex bewaart goede herinneringen aan Delire, die op Mambourg de sfeer herstelde. En ook sportief herstelde Charleroi, het steeg weer naar de eerste klasse. Maar financieel ? Om de kassa te spijzen moest de club zijn kroonjuweel verkopen. Alex Czerniatynski was doorgegroeid tot belofte-international, had een memorabele match neergezet tegen Frankrijk. Klopten aan zijn deur : Standard, Seraing, La Louvière, Club Brugge, Gent, Berchem enzovoort en zo verder. Het geciteerde bedrag was tien miljoen frank (250.000 euro). Jef Jurion, gewezen superster van Anderlecht, ex-coach en nadien manager, wilde Alex Czerniatynski slijten aan de club die het meest bood. Gent leek het eerst te zullen halen, maar Antwerp trok aan het langste eind. Coach Dimitri Davidovic had Czernia aan het werk gezien bij de beloften en wilde hem absoluut. Een jaar later verkocht Antwerp Czerniatynski voor een miljoen euro aan Anderlecht : een gouden zaak voor Antwerpvoorzitter Eddy Wauters. "Ik wilde liever niet bij Charleroi blijven", vertelt Czerniatynski. "Ik was niet vergeten hoe men daar aan mij had getwijfeld. En bovendien verdiende ik op Mambourg amper genoeg om de benzinetank van mijn wagen te vullen. Ik werd in Antwerpen goed ontvangen, maar voetbal wordt er anders beleefd dan in Charleroi. In Antwerpen denken de mensen meer aan diamanten dan aan voetbal. " Ratko Svilar nam me onder zijn hoede. De keeper leerde me de club en de nachtclubs kennen. Ratko was de koning van het nachtleven. Hij had bij Charleroi moeten voetballen. Ik besefte vlug dat ik beter alleen ging wonen, wilde ik slagen als voetballer. Bij Antwerp leerde ik nog een ander genie kennen : Laszlo Fazekas. Een artiest en het tegenovergestelde van Svilar. Hij lachte zelden of nooit, was altijd serieus. Fazekas zou zich bij Charleroi niet gelukkig gevoeld hebben." Alex Czerniatynski is 46 jaar nu. Hij werkt veel in de tuin. En wacht op een club die hem als trainer wil binnenhalen. Voor de Rode Duivels werd hij 31 keer opgeroepen : Guy Thys liet hem in september 1981 debuteren tegen het Frankrijk van Michel Platini en Czernia bedankte met een doelpunt (eindstand : 2-0). Antwerp, Anderlecht, Standard, terug naar Anderlecht, KV Mechelen. Alex Cerzniatynski : "Maar alles is 25 jaar geleden begonnen bij FC Charleroi. Ik zal altijd een Zebra blijven." PIERRE BILIC