PLUS 1 JAN CEULEMANS

Na één jaar bij Club Brugge overwoog Jan Ceulemans heel even om naar Lierse terug te keren. Hij was medio 1978 aangekocht als vervanger van Ulrich le Fèvre, vooraan op de linkerflank, de positie die hij ook bij Lierse bekleedde. Maar toen Raoul Lambert geblesseerd uitviel, werd hij centraal geposteerd. Dat beviel Ceulemans niet. Hij moest achter ballen lopen, terwijl hij liever wilde combineren. Dus verscheen Bob Quisenaerts, de voorzitter van Lierse, in Brugge om Ceulemans weer in de armen te sluiten. Uit een soort trots wilde die het nog één jaar proberen. Met het bekende gevolg. Ceulemans groeide uit tot het symbool van Club. Een architect die niet alleen dirigeerde maar ook scoorde, en die in veertien seizoenen bij blauw-zwart niet één keer zijn kwaliteiten bezong.

2 JEAN-PIERRE PAPIN

Raoul Lambert ontdekte hem in 1985 bij Valenciennes, waar Jean-Pierre Papin met vrouw en kind in een kleine studio woonde. Tijdens zijn eerste reportage nodigde hij de journalist uit om iets te gaan eten, maar hij was blij dat hij uiteindelijk niet zelf hoefde te betalen. De gemoedstoestand van Papin paste in die dagen bij de grauwheid van Valenciennes. Hij leefde aan de rand van de maatschappij. Maar bij Club explodeerde de Fransman. Een doelgerichte spits die explosiviteit koppelde aan een staalhard schot. Hij werd door de supporters tot de beste buitenlander verkozen. Olympique Marseille wilde hem, Bernard Tapie dacht de klus meteen te klaren, maar Michel D'Hooghe en Michel Van Maele (die deed alsof hij geen Frans verstond) lieten de onderhandelingen een hele dag aanslepen en kregen uiteindelijk 86 miljoen Belgische frank.

3 BIRGER JENSEN

Waregem toonde interesse voor de doelman en die zag een overgang naar de club aan de Gaverbeek wel zitten. Tot Ernst Happel bij Club een nieuwe keeper wilde en bij Ulrich le Fèvre informeerde of hij niemand kende. Le Fèvre liet de naam van zijn landgenoot vallen. Jensen hapte toe omdat de stad Brugge tijdens een schoolreis op hem een onvergetelijke indruk had gemaakt. Veertien seizoenen lang was Birger Jensen een spektakelman in doel, een vulkaan die ieder moment kon uitbarsten. Hij had lef te koop en hield ervan met aanvallers van de tegenpartij een psychologische strijd te voeren. Hij zag zichzelf als een acteur die het publiek moest vermaken. En hij vond dat hij over één grote kwaliteit beschikte: dat hij geen enkel zwak punt had.

MIN 1 WILLY CARBO George Kessler haalde de Nederlandse spits eind 1983 naar Club. Het bleek een pure paniekaankoop. Al op de eerste training frappeerde de van FC Utrecht overkomende Willy Carbo door zijn erbarmelijke balbehandeling. Hulptrainer Gille Van Binst moest proberen om het spel van Carbo in het strafschopgebied te verfijnen, al was de ex-verdediger daar niet echt de aangewezen man voor. Niettemin krijgt Van Binst nog nachtmerries als hij aan de stunteligheid van Carbo denkt. De Nederlander had een goeie instelling, bleek erg leergierig, was zeer prettig in de omgang, maar zijn technische beperkingen vielen niet meer weg te werken. Hij speelde zeven competitiewedstrijden, scoorde niet één keer en verhuisde na zes maanden naar Feyenoord waar hij ook door de mand viel.

2 ANTON ONDRUS De rijzige voorstopper kwam medio 1981 met een enorme reputatie naar de Breydelstad. Hij was Tsjechisch international en gold als een nauwelijks te passeren mandekker. Maar wat ze in Brugge kennelijk niet wisten was dat hij betrokken was geweest in een zwaar auto-ongeval. Dat liet sporen na. De handelingssnelheid van Anton Ondrus liet te wensen over, hij had motorische schade opgelopen en groeide door zijn trage en logge manier van bewegen uit tot een zwakke schakel. Ook buiten het veld gedroeg hij zich vreemd. Omdat de individuele fouten zich opstapelden, verdween hij na zeven matchen uit de ploeg en verzeilde in de B-kern. Indruk maakte Ondrus wel als hij ergens verscheen in het gezelschap van zijn oogverblindend mooie vrouw. Die maakte in Brugge carrière als mannequin en zou hem later verlaten.

3 STEPÁN KUCERA Hij stond op 13 juni 2007 op de voorpagina van dit magazine. We gingen toen Stepán Kucera in Praag opzoeken. De belofte-international had een sterk seizoen gespeeld met Sparta Praag en straalde van zelfvertrouwen. Club was voor hem een tussenstap op weg naar een Europese topclub, vertelde hij. Hij wilde in de voetsporen treden van zijn landgenoot David Rozehnal. 'De nieuwe God van Club Brugge' stond toen als titel op de cover, maar dat bleek zwaar overdreven. De linksvoetige verdediger begon in de vriendschappelijke wedstrijden sterk en voetbalde met de allure van een veldheer. In de competitie zakte hij na een blessure compleet door het ijs. Kucera verscheen amper vier keer aan de aftrap.

DOOR JACQUES SYS

Na één jaar bij Club Brugge overwoog Jan Ceulemans heel even om naar Lierse terug te keren. Hij was medio 1978 aangekocht als vervanger van Ulrich le Fèvre, vooraan op de linkerflank, de positie die hij ook bij Lierse bekleedde. Maar toen Raoul Lambert geblesseerd uitviel, werd hij centraal geposteerd. Dat beviel Ceulemans niet. Hij moest achter ballen lopen, terwijl hij liever wilde combineren. Dus verscheen Bob Quisenaerts, de voorzitter van Lierse, in Brugge om Ceulemans weer in de armen te sluiten. Uit een soort trots wilde die het nog één jaar proberen. Met het bekende gevolg. Ceulemans groeide uit tot het symbool van Club. Een architect die niet alleen dirigeerde maar ook scoorde, en die in veertien seizoenen bij blauw-zwart niet één keer zijn kwaliteiten bezong. Raoul Lambert ontdekte hem in 1985 bij Valenciennes, waar Jean-Pierre Papin met vrouw en kind in een kleine studio woonde. Tijdens zijn eerste reportage nodigde hij de journalist uit om iets te gaan eten, maar hij was blij dat hij uiteindelijk niet zelf hoefde te betalen. De gemoedstoestand van Papin paste in die dagen bij de grauwheid van Valenciennes. Hij leefde aan de rand van de maatschappij. Maar bij Club explodeerde de Fransman. Een doelgerichte spits die explosiviteit koppelde aan een staalhard schot. Hij werd door de supporters tot de beste buitenlander verkozen. Olympique Marseille wilde hem, Bernard Tapie dacht de klus meteen te klaren, maar Michel D'Hooghe en Michel Van Maele (die deed alsof hij geen Frans verstond) lieten de onderhandelingen een hele dag aanslepen en kregen uiteindelijk 86 miljoen Belgische frank. Waregem toonde interesse voor de doelman en die zag een overgang naar de club aan de Gaverbeek wel zitten. Tot Ernst Happel bij Club een nieuwe keeper wilde en bij Ulrich le Fèvre informeerde of hij niemand kende. Le Fèvre liet de naam van zijn landgenoot vallen. Jensen hapte toe omdat de stad Brugge tijdens een schoolreis op hem een onvergetelijke indruk had gemaakt. Veertien seizoenen lang was Birger Jensen een spektakelman in doel, een vulkaan die ieder moment kon uitbarsten. Hij had lef te koop en hield ervan met aanvallers van de tegenpartij een psychologische strijd te voeren. Hij zag zichzelf als een acteur die het publiek moest vermaken. En hij vond dat hij over één grote kwaliteit beschikte: dat hij geen enkel zwak punt had. DOOR JACQUES SYS