Twee en een half uur voor de aftrap hangt in de Luikse binnenstad een gezellig eindejaarssfeertje. Het laat zich niet omschrijven als dé voetbalatmosfeer die je net voor een kraker tegen Anderlecht verwacht. Er is wel veel volk op de been, sjiek volk. Van de Place Saint Paul aan de kathedraal, waar kinderen zich op de ijspiste uitleven, tot de mooi verlichte en helemaal vernieuwde Place Saint Lambert kuieren, langs de winkelgalerijen en de Place de l'Opera, talrijke bezoekers langs het lang uitgesponnen kerstdorp. Er wordt ook Nederlands gepraat aan de kraampjes waar Luikse wafels en Luikse worst weggespoeld worden met een glaasje pékêt, de Luikse jenever.
...

Twee en een half uur voor de aftrap hangt in de Luikse binnenstad een gezellig eindejaarssfeertje. Het laat zich niet omschrijven als dé voetbalatmosfeer die je net voor een kraker tegen Anderlecht verwacht. Er is wel veel volk op de been, sjiek volk. Van de Place Saint Paul aan de kathedraal, waar kinderen zich op de ijspiste uitleven, tot de mooi verlichte en helemaal vernieuwde Place Saint Lambert kuieren, langs de winkelgalerijen en de Place de l'Opera, talrijke bezoekers langs het lang uitgesponnen kerstdorp. Er wordt ook Nederlands gepraat aan de kraampjes waar Luikse wafels en Luikse worst weggespoeld worden met een glaasje pékêt, de Luikse jenever. Tien kilometer verder zijn decor en weersomstandigheden zoals ze op een voetbalavond in het gehucht Sclessin horen te zijn. Het regent zacht, vieze rookpluimen komen uit de fabrieken aan de Maas aan de rand van het stadion. Opgehouden door de avondfile, schuiven autobussen aan die vanuit het hele land hun lading Standardsupporters komen uitbraken in de Rue Ernst Solvay. De sfeer heeft niets grimmigs. Oud en jong verzamelen in de straten tot de stadionpoorten opengaan. Om zeven uur, anderhalf uur voor de aftrap, deponeert een bus uit Eupen Duitstalige fans. Tegelijk haasten vier prille veertigers met een West-Vlaams accent zich naar een frietkraam, helemaal uitgedost in rood en wit. Ze hebben honger, want ze komen helemaal uit Brugge. Daar zijn ze, op een doordeweekse woensdag, al vertrokken om vier uur 's middags. In de oude supporterscafés, Café Europe en Café Gianni Rivera, raak je niet meer binnen. Een nog grotere volkstoeloop is er aan het kruispunt met de brug over de Maas. Dat is achter Tibune III, waar de harde kern postvat. In het Bois d'Avroy is het tijdens de week lekker eten, maar in het weekend verzamelt hier de Hell Side. Ook hier worden alle accenten gesproken die België rijk is. Een Limburger vraagt zijn vrienden per gsm waar ze blijven. Er wordt plat Oilsjters, Aalsters, gepraat. Een familie Brabanders eet een zakje friet. Wie zei ook weer dat Standard een uitgesproken Waalse club is ? Voor de topper tegen Anderlecht loopt het stadion zoals verwacht vol. Dat is al de derde keer dit seizoen. Ook tegen Lokeren en Roeselare trokken de Rouches een vol huis. Niet omdat de tegenstander zo tot de verbeelding sprak, maar omdat de actie om vrouwen en kinderen gratis binnen te laten succes kende. In het stadion, waar alle mededelingen in twee talen gebeuren, begroet de speaker afzonderlijk elke tribune met zijn eigen aanhang. Standard is meer dan een club met een spionkop, de rest van de aanhang en een bezoekend vak. Met de jaren vond elke tribune zijn eigen publiek : "Bienvenue à, welkom aan... T4, le Kop des Rouches, les Ultra's !" Uit elke tribune stijgt beurtelings gejuich op. De gepersonaliseerde aanpak wérkt. Even voor halfnegen wordt Jorge Costa, de nieuwe aanwinst, al aan het enthousiaste publiek voorgesteld. Dan is het tijd voor het kippenvelmoment. Het stadion davert, de fans op de volksplaatsen staan recht, slaan de armen om elkaars schouders en huppen op en neer. "Tous ensemble, tous ensemble, hey, hey ! !' Vanuit Tribune III wordt een reusachtig spandoek neergelaten waarop het clubembleem schittert. Ook in Tribune IV, aan de overkant, worden megaspandoeken opengevouwen, terwijl op de Anderlechtsupporters na het volk in de vier tribunes rode en witte vlagjes omhoogsteekt. Standard is klaar voor le choc ! Anderlecht komt er op Sclessin niet aan te pas. De Rouches halen de pletwals boven en pressen de bezoekers weg. Als Almani Moreira na een kwartier de 1-0 scoort, komt het feest op gang. "Hey, hey, baby !", schettert het uit de luidsprekers. Alle thuisfans zingen uit volle borst mee. Als na een uur Roland Juhász in eigen doel kopt, is de match gespeeld. Sclessin davert, armen gaan rond schouders, drie tribunes huppen op en neer. Tous Ensemble ! Opgezweept door de stadionomroeper wordt na de wedstrijd in de tribunes een feestje gebouwd. Er is ook nog vuurwerk, maar het echte vuurwerk vond al eerder tussen en buiten de lijnen plaats. Om halftwaalf vertrekken de autobussen naar de vier uithoeken van het land. Drie dubbeldekkers en twee grote bussen moeten naar Doornik, een paar Aalstenaars drinken nog een pintje. De bus uit Zwijndrecht is om middernacht al voorbij Luik. Nog anderhalf uur te gaan. Maar de tijd gaat sneller dan de afgelopen twintig jaar, toen de fans doorgaans met een kater terugkeerden. Nu kunnen ze nog even wegdromen. Kampioen is Standard nog niet, maar herfstkampioen klinkt voor de geduldige fans van de Rouches ook al een beetje als een prijs. Elke thuiswedstrijd wordt er uitgekeken met welke tifo de harde kern in Tribune III nu weer zal uitpakken. Al jaren steunt Louis Smal, voorzitter van de overkoepelende suportersfederatie La Famille des Rouches (zie kader) deze acties. Sinds dit seizoen werken de Ultra's autonoom. "Vroeger kregen we steun, maar nu verzamelen we zelf geld", zegt Fabrice Pavone namens de Ultra's-Inferno. "We willen geen subsidies meer, omdat geld dat van buitenaf komt vroeg of laat onze autonomie in het gedrang brengt. Onze onafhankelijkheid is ons handelsmerk." Hun lokaal is de Cosa, een zaaltje bij het restaurant Bois Avroy in Sclessin. In 2006 bestaan de Ultra's-Inferno tien jaar. Hun eerste tifo - een combinatie van spandoeken, choreografie en muziek - dateert van 17 augustus 1996, toen Lokeren op bezoek kwam. De roots van de Ultra's liggen in Italië, waar vanaf de jaren zeventig arbeiderszonen elkaar in het stadion opzochten. Na een eerste opwelling waarin de Engelse hooligans geïmiteerd werden, kreeg de vereniging steun van extreem-links, dat in het voetbal een stevig publiciteitsorgaan zag. De Rangers van de Italiaanse eersteklasser Empoli worden beschouwd als de eerste Ultra's, gevolgd door Milans Fossa dei Leoni. De Kop van Standard werd opgericht in 1968. De rechtstreekse tv-uitzending van Manchester United-Benfica, finale van de beker voor Landskampioenen in Londen, was de aanzet. De sfeer die de Engelsen creëerden, werkte inspirerend. Eén van de stichters was Daniel Renard, zoon van de bekende Waalse politicus André Renard. Hij werd even later manager van Club Luik en is nu als journalist verantwoordelijk voor de algemene regionale berichtgeving bij de Luikse krant La Meuse. De Kop des Rouches bestaat nog altijd. Hij werd eerst vertaald naar het Engels, Hell Side, en later naar het Italiaans, Ultra-Inferno. Vooral de leeftijd van de leden bepaalt het onderscheid. De Ultra's zijn niet ouder dan 20 of 21 jaar, de leden van de kop wat ouder. Het samenstellen van een tifo vraagt dagen werk en kost geld, véél geld. Vaak wordt materiaal vanuit Italië aangevoerd. Kostprijs : tot 2500 euro per tifo. Via merchandising verzamelen de Ultra's de centen : ze verkopen gadgets, kleren, sjaals. Verzamelpunt is het Bois d'Avroy. Niet alleen echte Luikenaars zijn hier aan de slag. Er zijn zelfs een aantal bedden beschikbaar voor wie na de thuiswedstrijden, doorgaans 's avonds, niet meer thuis geraakt. Voor elke wedstrijd wordt een thema uitgewerkt dat de tifo zal uitbeelden. De Ultra's zijn geëngageerde jongeren, maar ze willen niet politiek gerecupereerd worden. De Franstalige tak van de PVDA, die zich uiterst links aan de politieke horizon bevindt, probeerde ooit zijn pamfletten uit te delen achter de tribune aan de oude terril, maar die poging werd in de kiem gesmoord. Toen vervolgens een paar skinheads sympathie trachtten te winnen voor hun beweging, werden ze kordaat verwijderd. Toch maken ze er geen geheim van waar hun gedachtegoed ligt : "Wij zijn links", zegt Pirou, één van de voormannen. "Daar bestaat geen discussie over. Dat wil zeggen dat we niet alleen tegen elke vorm van racisme zijn, maar er ons ook tegen afzetten. Als iemand in onze tribune een opmerking maakt over de afkomst van eender welke speler, roepen we hem tot de orde. Dat gebeurt niet overal. Bij bijvoorbeeld Germinal Beerschot worden extreem-rechtse slogans wél geduld, terwijl wij onze spandoeken niet overal mogen ophangen. Ons embleem is niet toevallig het portret van Che Ernesto Guevara. Hij is een mythe, maar hij was vooral een vrije man, vrij zoals wij. Niemand had vat op hem, niemand zal in onze plaats keuzes maken en ons die opdringen." De Ultra's nemen deel aan buitenlandse antifascistische manifestaties, maar zorgen ook in eigen land voor de minderbedeelden. "We betalen al eens toegangstickets voor jongeren die zich dat zelf niet kunnen permitteren. Voor de wedstrijd tegen Roeselare organiseerden we samen met de Hell Side, de Kop en Publik Hysterik een inzameling van etenswaren en oude kledij voor behoeftigen. Dat gebeurde niet voor het eerst."De tifo moet vooral de tegenstander intimideren, maar ook indruk maken op de eigen spelers, hen duidelijk maken dat ze gesteund worden. Soms vinden de spelers de boodschappen hard. "Et alors ?", reageert Francis Pavone. "Onze spelers moeten met die druk kunnen omgaan. Ze moeten fier zijn op de clubkleuren, alles geven, ook als het niet goed loopt. Ivica Mornar pakten we hard aan toen hij hier met Anderlecht speelde. In een artikel bleek dat hij Standard compleet was vergeten. Sommigen moet je eens goed wakker schudden." Milan Rapaic wordt maar met mondjesmaat toegejuicht. "Hij verklaarde dat hij liever ging vissen in Split dan nog te voetballen op Sclessin. Daarmee raakte hij alles wat ons dierbaar is. Bij zijn terugkeer is hij zich niet komen excuseren. Het is een goeie voetballer, maar wij wachten nog altijd op een gebaar."Opvallend is dat de laatste jaren ook de tribune aan de Maaskant weer rood en wit kleurt. Lang werd de helft van die tribune voorbehouden voor de bezoekende fans, die de resterende vakken opvulden met vlaggen en spandoeken. Dat stoorde Didier Stevens, die beetje bij beetje begon aan de herovering van Tribune IV. Vroeger heette die La Tribune Vercours ; nu werd ze omgedoopt in Torcida Meuse, een verwijzing naar de Latijnse en dus flamboyante kant van Standard. "In 2004 was er quasi niemand in die tribune met een Standardabonnement, nu zijn er al 450", zegt Stevens. "Op een dag woonde ik in Marseille een thuismatch van l'OM bij. Toen bedacht ik dat het tijd was om die van ons te heroveren en te vullen met Standardfans. De bedoeling was niet om de Hell Side of de Ultra's te beconcurreren, maar om wie zich niet herkent in het profiel van die groepen een alternatief te bieden." De start was niet gemakkelijk. De clubleiding probeerde het handjevol supporters gemakshalve (om veiligheidsredenen) te verhuizen naar een andere tribune, maar na een lang gesprek overtuigde Stevens algemeen directeur Pierre François om hen een kans te geven. Veiligheidsnetten scheiden nu de bezoekende aanhang van Publik Hysterik, die hun supporterslokaal hebben in Pizza Bar Luciano in Seraing. Hun motto is niet politiek geladen. "Wij voeren geen beeltenis van Che op, die synoniem is voor strijd. Dat is ons ding niet. We willen uiting geven aan onze passie, en dat is Standard. Nous sommes des hystériques du Standard." Ook zij sparen de spelers niet. "Op een dag vroeg Ivica Dragutinovic om één van onze spandoeken te verwijderen. De spelers voelden er zich niet goed bij. We hebben zijn verzoek niet ingewilligd. Dat spandoek was net bedoeld om ze op hun plichten te wijzen. Wij houden van spelers die hun verantwoordelijkheid opnemen. Daarom zijn Sergio Conceiçao, Vedran Runje en Philippe Leonard onze favorieten. Vedetten die niet voluit gaan, krijgen geen respect. Te veel voetballers passeerden hier langs de kassa zonder een druppel zweet te laten. Didier Ernst of Gonzague Vandooren waren geen natuurtalenten, maar kregen altijd respect omdat ze tot het uiterste gingen. Milan Rapaic moet een voorbeeld nemen aan Sergio Conceiçao en zijn trui nat maken. Anders zal hij op een dag in de tribune een spandoek met een persoonlijke boodschap krijgen. Hier, in deze regio, staat hard werken centraal. Als hij de mouwen opstroopt en aan de slag gaat, is dat goed voor ons."De naam van Conceiçao valt vaak. Logisch, meent Fabrice Pavone van de Ultra's. "Ik heb al eens met hem gepraat. Hij kreeg niet alles cadeau in zijn leven. Hij verloor zijn ouders, had al eens honger, net zoals mijn ouders, die Italië verlieten om hier werk te zoeken. Conceiçao spreekt onze taal, snapt onze dromen en onze trots. Als iemand ons naar succes kan loodsen, is hij het. Hij bleef bij Standard omdat hij er niet in geslaagd was ons aan een Europees ticket te helpen. Dat verdient respect."l PIERRE BILIC EN GEERT FOUTRé'WIJ ZIJN LINKS. WE ZETTEN ONS AF TEGEN ELKE VORM VAN RACISME.' ULTRA'S INFERNO