Amsterdam ligt amper 40 kilometer achter ons, maar even voorbij afrit 12 van de A1 gaat een wereld van rust en gemoedelijkheid open. De provincie, zoals het vaak minachtend wordt genoemd. Kreken en polders, in de verte glinstert het water van het Eemmeer in de vrieszon. Aan de rand van het oude vissersdorp, net voorbij het bord Bunschoten-Spakenburg - De kerken heten u welkom, blinken de toppen van de dertien (13!) kerken die de gemeente rijk is.
...

Amsterdam ligt amper 40 kilometer achter ons, maar even voorbij afrit 12 van de A1 gaat een wereld van rust en gemoedelijkheid open. De provincie, zoals het vaak minachtend wordt genoemd. Kreken en polders, in de verte glinstert het water van het Eemmeer in de vrieszon. Aan de rand van het oude vissersdorp, net voorbij het bord Bunschoten-Spakenburg - De kerken heten u welkom, blinken de toppen van de dertien (13!) kerken die de gemeente rijk is. Een gereformeerd bolwerk, waar bijna driekwart van de 21.000 inwoners wekelijks een kerkdienst bijwoont. Onwaarschijnlijke hoge cijfers vinden ze in de rest van Nederland, waar de woorden 'achterlijk' en 'bekrompen' vaak in een adem met het dorp worden gebruikt. Een docusoap van de Evangelische Omroep hield het op 'een dorp dat ondanks de woeste golven van de moderne tijd moedig vasthoudt aan zijn eigen karakter'. Dat blijkt wanneer we door de Oude Haven stappen. De scheepswerf en een dertigtal botters verwijzen naar het visserijverleden van Spakenburg, dat voor de aanleg van de Afsluitdijk een vloot van meer dan 200 schepen telde. Toen de woelige Zuiderzee in 1932 voorgoed werd afgesloten en alleen nog zoet water van het IJsselmeer naar Spakenburg stroomde, werd het dorp van zijn inkomsten beroofd. Vissers werden vishandelaars, palingrokers, café-uitbaters of trokken in hun oude botters met toeristen het meer op. Maar de tradities worden gekoesterd. Een oude vrouw stapt op klompen en in typische klederdracht een vishandel binnen. Het haar is getoupeerd en gestrikt, alsof ze een kuif heeft, ze draagt twee gehaakte mutsjes. Een gebloemde en keihard gesteven kraplap bedekt haar decolleté, het geruite voorlijfje en de aparte mouwen lijkt op het betere puzzelwerk en ook de rok bestaat uit twee delen - kleurrijke ruiten en daaronder een donkerblauw stuk. 'Tot na de Tweede Wereldoorlog liepen alle vrouwen hier zo rond, maar we zijn een deel van de folklore geworden. Ik vermoed dat we nog met 150 zijn.' Hardnekkig, maar een uitstervend ras. Letterlijk. Elk jaar verdwijnen door ziekte en sterfgevallen een dertigtal oma's kraplap, binnen de tien jaar moeten figuranten worden ingehuurd om de jaarlijkse Visserijdag - een topdag - te kleuren. Net buiten het centrum, langs de Westdijk, ligt Sportpark De Westmaat. Rechts het voetbalterrein van SV Spakenburg - de Blauwe kant -, achter de hoofdtribune door een hoge muur gescheiden van de Rode kant - thuisbasis van VV IJsselmeervogels. De afstand tussen de twee toegangspoorten bedraagt geen twintig meter, buren in de engste zin van het woord. De Rooien, club van het volk en de vissers, en De Blauwen, club van boeren en klerken. Op De Westmaat wordt al járen het beste amateurvoetbal van Nederland gespeeld. VV IJsselmeervogels werd zeven keer amateurkampioen van Nederland en was zestien keer de beste in de hoogste zaterdagcompetitie, SV Spakenburg tekende voor twee amateurtitels en vijf zaterdagkampioenschappen. Geen dorp dat zo veel titels mocht vieren. 'Wat de ene club heeft, wil de andere ook. Maar groter, mooier en beter', zegt Henri Nel, een Blauwe. Tribunes worden afgebroken en weer opgebouwd, niet toevallig net iets groter dan die van de buren. Bij De Rooien zijn er in de hoofdtribune 1050 zitjes, bij De Blauwen slechts 750. Maar ze hebben wel vier... skyboxen. In het amateurvoetbal. Spelers en bestuursleden dragen clubkostuums, de twee verenigingen organiseren voor de start van het seizoen een fandag en trekken in de winterstop naar een oefenkamp in de zon. Rond de hoofdterreinen staan roterende reclameborden en de businessclubs zijn bij momenten te klein. Want: het bedrijfsleven in Bunschoten-Spakenburg surft mee op de successen. Je kunt in een gespleten voetbaldorp maar beter de twee clans te vriend houden. En dat verklaart meteen ook waarom de clubs er elk jaar in slagen om de beste amateurs naar de boorden van het Eemmeer te halen. Heel af en toe is beter doen onmogelijk. VV IJsselmeervogels gaf naar aanleiding van het jubileum een eigen postzegel uit en slaagde er in het magische jaar 1975 ( zie kaderstukje) in om rock-'n-roll-legende Peter Koelewijn te strikken. Zijn debuutsingle Kom van dat dak af werd begin de jaren zestig ook in België een succes, zijn voetbalode aan de IJsselmeervogels wordt ook vandaag nog door De Rooien mee gekweeld. Vogels, oh Vogels van het IJsselmeer, Vogels, oh Vogels geef nog even meer.Dan is straks nog het wereldkuppievoor ons Spakenburgse cluppie.Vogels, mijn Vogels spelen voor de eer, Vogels, mijn Vogels doen het toch maar weer.De rivaliteit splijt het dorp, bedrijven én gezinnen in twee. Henri Nel weet er alles van. 'Hier word je Blauw of Rood geboren. En dat blijf je tot je dood.' Hij is getrouwd met Rika de Graaf, een familienaam die meer dan 600 keer in het telefoonboek van de besloten gemeenschap voorkomt. Zij is een fanatieke Rooie, hij een Blauwe. Op de dag des oordeels worden de twee clubvlaggen 's morgens aan het balkon uitgehangen, na de derby haalt de winnaar vervuld van trots de vlag van de andere weg. En de pesterijen houden nog enkele weken aan. Aan de toegangspoort van de IJsselmeervogels hangen borden van sponsors, die van Spakenburg straalt meer geschiedenis uit. Op de smeedijzeren boog blinkt het clublogo en de tekst Onze Glorie Onze Blauwen, de titel van het clublied. Onze glorie, onze blauwen, gaan er altijd tegenaan!Samen werken, samen bouwen, hand in hand, vol zelfvertrouwen, da's de kracht van onze blauwen, zo blijft Spakenburg vooraanHet klonk in de lente van dit jaar nog iets luider, toen de club de titel in de Derde Divisie (het vierde niveau) pakte. Niet het kampioenschap, maar het vooruitzicht op twee dorpsderby's maakte de dag nóg mooier. In september hielden ze elkaar netjes in evenwicht (2-2). De wedstrijd kwam rechtstreeks op FOX Sports, maar toch zaten er meer dan 8200 toeschouwers op elkaar gepakt. De blauwe en rode rookpotten kleurden de lucht, maar het bleef uitzonderlijk rustig. En dat was ooit anders. Zoals in de herfst van 2007, toen de derbylucht zich vulde met het ronkende geluid van een vliegtuig, dat honderden kleine blauwe parachuutjes met wc-borstels op het veld dropte. De wedstrijd werd even stilgelegd om de rommel op te ruimen, geen tien minuten erna volgde het bisnummer en moest de scheidsrechter de match opnieuw even staken. Diep in de tweede helft cirkelde opnieuw een vliegtuig boven het veld, aan de staart hing een lange sleep met de tekst: 'We hebben schijt aan de buren.' De Blauwen lachten zich te pletter, ook omdat op het scorebord een onwaarschijnlijke 1-5 flikkerde. Een paar maanden vierde SV Spakenburg de titel, nadat De Rooien nog maar eens werden vernederd. 7-1! Ook tot wanhoop van de burgemeester, Melis van de Groep, geboren in een rood nest. Een echte Spakenburger die zag hoe de sfeer rond de derby steeds grimmiger werd. Hij was 30 jaar, in 1987, toen een supporter van de IJsselmeervogels een zelfgemaakte bom op het veld gooide. Door de ontploffing liep een van de grensrechters verwondingen aan het been op. 'Het is bij ons op het dorp zo dat je óf voor de ene óf voor de andere club bent. En daar groei je mee op', klonk het tijdens het proces, dat over het hele land breed werd uitgesmeerd. De KNVB reageerde scherp en door de clubs in een andere reeks van de hoogste amateurklasse in te delen, werden excessen vermeden. Maar het dorp schreeuwde om zijn derby, de KNVB bond in. 'Je doet heel veel mensen een plezier met de derby, dat wil ik ze niet onthouden', vertelde de burgemeester ooit. Goed voor de naambekendheid van de gemeente, dat ook, maar na de stammentwist in de herfst van 2006 moest hij drastisch ingrijpen. De trainer en teambegeleider van de IJsselmeervogels waren tijdens de match bekogeld met blikjes bier en cola, ook úren na het laatste fluitsignaal bleef het onrustig in de vele kroegen. Voor de volgende derby kondigde de burgemeester 'een drooglegging' aan: tussen elf uur 's morgens en drie uur 's middags mocht in kroegen en supermarkten geen alcohol worden verkocht. 'Het was een van de rustigste zaterdagavonden in het dorp', evalueerde de burgemeester achteraf. Sindsdien blijft de derby alcoholvrij, al zijn de vele tuin- en garagefeestjes niet meer bij te houden. De oudere Spakenburgers denken met weemoed terug aan de jaren zestig en zeventig, toen de ploeg bijna exclusief uit dorpsgenoten bestond. Zoals Wout Heinen, een legende die opgroeide aan de Oude Schans, geen twee minuten stappen van De Westmaat, midden de jaren dertig de thuishaven van de Windvogels, het latere SV Spakenburg. Heinen leidde zijn club naar het eerste kampioenschap in de geschiedenis van het dorp (1952) en speelde vier seizoenen voor het Nederlands zaterdagelftal. Hij was de trots van het dorp, tot hij midden de jaren vijftig een semiprofcontract bij Hollandia Victoria Combinatie (Amersfoort) tekende. Zijn moeder was razend, de ouderlingen van de Kerkenraad onthutst. Want: voetballen op zondag was in het godvrezende dorp verboden. Net als voetbal kijken trouwens. Wie de prestaties van de bekendste Spakenburger in Amersfoort volgde, kreeg een brief van de kerk in de bus... De aanvaller schopte het tot reserve bij het grote Oranje, tot hij in 1959 aan het sterfbed van zijn moeder moest beloven dat hij nooit meer op zondag zou voetballen. Moeder overleefde de longontsteking, maar Heinen kwam zijn belofte na. De 'moedige en enig juiste beslissing' werd door dominee Arends van op zijn kansel aan de andere parochianen meegedeeld. Applaus op alle (kerk)banken. De zondagen zijn nog altijd heilig. De twee clubs voetballen, zelfs met amper een handvol échte Spakenburgers in de ploeg, alleen op zaterdag. Maar de scherpe kantjes zijn verdwenen. Niemand die nog raar opkijkt als de buurman na de zondagmis de auto wast. En de ruiten van restaurants die op zondag de deuren openen, worden niet meer ingegooid. De eerste Chinees die in het dorp op zondagmiddag hongerige klanten bediende, moest wel nog naar de glazenmaker bellen. Het dorp leefde lang in de anonimiteit, tot de IJsselmeervogels midden de jaren zeventig voetbalminnend Nederland met verstomming sloegen. De Rooien speelden de halve finale van de KNVB Beker en werden in 1975, als amateurclubje, verkozen tot Sportploeg van het Jaar. Nog altijd een unicum in de Nederlandse sportgeschiedenis. Het was het seizoen dat zelfs nationale media het dorp platliepen, in de hoop Het Geheim achter het succes te ontdekken. Dat was vanzelfsprekend: het geloof. De Rooien beschikten over een uitzonderlijke lichting voetballers die op de radar van de Nederlandse en Belgische profclubs stonden, maar door hun geloof bedankten de meesten voor voetbal op zondag. Zoals doelpuntenmachine Jan Vedder, die meer dan 25 seizoenen bij de IJsselmeervogels speelde. De ' Johan Cruijff van de Westmaat' kreeg een positief scoutingrapport van Feyenoordlegende Coen Moulijn, maar toen de voorzitter van de Rotterdammers hem een driejarig contract wilde laten tekenen, bedankte hij. 'Mijn moeder en vriendin waren ertegen.' Jaan de Graaf bezweek wel voor de lokroep van het profvoetbal. Na lang aarzelen. Midden de jaren zeventig trainde hij mee bij... Anderlecht, waar hij ' Arie Haan lekker door de benen speelde', maar tot een transfer kwam het niet. 'Het werd in het dorp niet op prijs gesteld als je op zondag voetbalde.' Ook Jaap van Praag, voorzitter van Ajax, zakte af naar Spakenburg. 'Hij stond hier plots met een koffertje met geld.' De Graaf bedankte opnieuw. Maar in 1978 was hij plots nationaal nieuws. 'Jaan de Graaf gaat voor AZ'67 voetballen', klonk het op het NOS Journaal. 'We hadden een afspraak: op zondag zou ik nooit spelen. En daar legde de trainer, George Kessler, zich bij neer.' Willem van Hanegem, een van de vedetten, werd er horendol van en sneerde geregeld naar de Spakenburger: 'Moet jij niet bidden, joh?' Of: 'Ik voetbal op zondag jouw wedstrijdpremies bij elkaar.' Jaan hield koppig vast aan zijn geloof, ook wanneer hij na twee seizoenen een blanco cheque kon tekenen als hij ook op zondag zou voetballen. Na nog een profseizoen bij Go Ahead Eagles keerde hij in de zomer van 1981 terug naar De Rooien, die vier seizoenen geen platte prijs bij elkaar hadden gevoetbald. Met Vedder en De Graaf pakten de IJsselmeervogels in 1983 hun derde nationale titel. Rijk zijn ze er niet van geworden. De Graaf, grappend: 'Een paar voetbalschoenen van Puma en een halve kip als we kampioen werden, al moest je daar een heel jaar voor knokken.' Maar dat waren ze gewend aan de boorden van het Eemmeer. Als verkoper of fileerder in de vishandel, als arbeider in de palingrokerij, als timmerman op de botterwerf. Of, zoals Jaan de Graaf, als marktkramer die dagelijks met Oma's Natte Cake door de provincie peesde. En op zaterdagnamiddag met z'n allen naar hun kluppie...