1 Is Cristiano Ronaldo beter dan Alfredo Di Stéfano?

Toen Real Madrid zijn allereerste Europese wedstrijd - in de eerste editie van Europacup I in 1955/56 - speelde in Genève tegen het lokale Servette, stond het aan de rust 0-0. Karl Rappan, de Oostenrijkse coach van de Zwitsers, werd gezien als de grondlegger van het latere catenaccio en hij paste dat systeem met verve toe tegen de vedetten van Real Madrid. Door het stugge spel van de Zwitserse verdedigers was Alfredo Di Stéfano uit zijn doen. Dat bleek toen hij de beste kans in de eerste helft nogal knullig de nek omwrong. Uiteindelijk zouden de Madrilenen de wedstrijd wel met 0-2 winnen.
...

Toen Real Madrid zijn allereerste Europese wedstrijd - in de eerste editie van Europacup I in 1955/56 - speelde in Genève tegen het lokale Servette, stond het aan de rust 0-0. Karl Rappan, de Oostenrijkse coach van de Zwitsers, werd gezien als de grondlegger van het latere catenaccio en hij paste dat systeem met verve toe tegen de vedetten van Real Madrid. Door het stugge spel van de Zwitserse verdedigers was Alfredo Di Stéfano uit zijn doen. Dat bleek toen hij de beste kans in de eerste helft nogal knullig de nek omwrong. Uiteindelijk zouden de Madrilenen de wedstrijd wel met 0-2 winnen. Tijdens de rust kregen de spelers van Real in de kleedkamer bezoek van Juan Carlos van Bourbon, de jonge prins van Asturië en latere koning van Spanje. De 17-jarige Juan Carlos was destijds een nogal luidruchtig type, die zich overal waar hij kwam wilde laten gelden. Hij richtte zich tot Di Stéfano, toen al 29 jaar, en zei nogal ongelukkig: "Je maakt niet veel klaar vandaag, hé?" Waarop meteen het barse antwoord volgde: "Ga toch schijten, kleine." Het typeert de balsturige driftkikker die de Argentijnse sterspeler gedurende heel zijn carrière was. Met Di Stéfano werd niet gelachen, hij maakte of kraakte carrières. Bovendien genoot hij ook ruime vermaardheid in de gokwereld. Zelfs tijdens avonden voor belangrijke Europese wedstrijden verkoos hij vaak het gezelschap van luxecallgirls in rokerige casino's boven de rust van een hotelkamer. We zien het Cristiano Ronaldo, die van zijn lichaam een kathedraal gemaakt heeft waarin hij elke dag gaat bidden, niet meteen doen. Toch kan de Portugees alleen maar dromen van de vijf gewonnen Europacup I-finales op rij van Di Stéfano. Bovendien scoorde de Blonde Pijl in elk van die finales tussen 1956 en 1960 minstens één keer. Ook in 1962 en in 1964 stond Real met Di Stéfano in de finale, maar die gingen verloren tegen Benfica en Inter. Cristiano Ronaldo, van zijn kant, speelde tot nog toe drie Champions Leaguefinales. Twee keer verloor hij met Manchester United - in 2008 tegen Chelsea en in 2009 tegen Barcelona - en één keer won hij met Real Madrid - vorig jaar tegen Atlético. In totaal scoorde hij in die finales twee keer. CR7 heeft Di Stéfano wel al bijgebeend wat het totale aantal doelpunten in het shirt van de Koninklijke betreft. De Argentijn, die elf seizoenen in de Spaanse hoofdstad voetbalde, maakte in 396 wedstrijden 307 doelpunten, gemiddeld 0,78 per match. De Portugees zit aan 313 goals in 300 wedstrijden, gemiddeld 1,04 per match. En dat allemaal op slechts zes seizoenen. Adil Rami en Daniele Bonera. Dat was het duo achterin bij AC Milan in de laatste Europese wedstrijd die het voorlopig speelde op 11 maart 2014, in de achtste finales van de Champions League tegen Atlético Madrid. Twee verdienstelijke spelers, daar niet van. Bonera (34) is al sinds 2006 op post bij de Rossoneri en hij heeft 16 caps achter zijn naam. De Fransman Rami (29) speelde eerder bij Lille en Valencia en kreeg ook al 26 oproepingsbrieven voor Les Bleus in zijn bus. Toch werd het in die bewuste wedstrijd 4-1 voor Atlético, de latere finalist. Want wat stellen Rami en Bonera voor in vergelijking met de duo's Paolo Maldini en Alessandro Nesta, Franco Baresi en Alessandro Costacurta of Saul Malatrasi en Roberto Rosato? Dat waren de verdedigende tandems waarmee AC Milan Europese finales won. Het zijn voetballers die tot de verbeelding spreken: de keizerlijke kop van de enigmatische Baresi, de helse ogen van de goddelijke Maldini, het engelengezicht - faccia d'angelo - van de beenharde Rosato en de dodelijke efficiëntie van de elegante Nesta. De mooiste CL-overwinning is zonder twijfel die van 1994: 4-0 tegen het Barcelona van Johan Cruijff. Coach bij Milan destijds was Fabio Capello. Die zat met zijn handen in het haar want van zijn viermansverdediging (Mauro Tassotti, Alessandro Costacurta, Franco Baresi en Paolo Maldini) was zowel Costacurta als Baresi geschorst. Hun vervangers heetten Filippo Galli en Christian Panucci. Op het middenveld opereerden ook nog Marcel Desailly en Demetrio Albertini als schokbrekers. Barcelona, met grote namen als Andoni Zubizarreta, Pep Guardiola, José María Bakero, Guillermo Amor, Christo Stoitsjkov en Romário, waande zich al zegezeker. Voor de match klonk Cruijff nogal grootsprakerig: "Het echte AC Milan was dat van Arrigo Sacchi, met het Nederlandse trio Gullit-Rijkaard-Van Basten. Capello, van zijn kant, heeft zijn systeem gebaseerd op Desailly... Mocht Milan hier winnen, dan zou dat een slechte invloed hebben op de toekomst van het voetbal." Met die slechte invloed viel het nogal mee. Na de wedstrijd zei Marcel Desailly, auteur van het vierde doelpunt: "Ik denk dat Barcelona ons een beetje onderschat heeft." En meer bepaald: één Nederlander? Namelijk de man van deze uitspraak: "Als je op balbezit speelt, hoef je niet te verdedigen, want er is maar één bal." Juist, ja: Johan Cruijff. De Amsterdammer ging in 1988 als trainer aan de slag in de Catalaanse hoofdstad. Sinds Barça de voetbalfilosofie van Cruijff toepast, heeft het de achterstand ten opzichte van Real Madrid dicht gefietst. Reken maar na: tien titels vóór 1988, dertien erna. Europees: twee trofeeën voor de komst van het Orakel van Betondorp (de Amsterdamse buurt waar Cruijff opgroeide), zeven erna. De voetbalstijl die Cruijff wilde zien, staat ook nu, in de periode van Lionel Messi, nog overeind: balbezit, dominantie, oprukkende vleugelbacks en drie aanvallers in een 3-4-3 of 4-3-3. Met Louis van Gaal, Frank Rijkaard, Pep Guardiola, Tito Vilanova en Luis Enrique stonden er vaak ook Cruijffadepten aan het roer in Camp Nou. Elk legde wel zijn eigen accenten, maar het basisidee bleef hetzelfde. De invloed van Cruijff is onmiskenbaar. Hij was de trainer die Barça zijn eerste 'beker met de grote oren' bezorgde. In 1992 werd Sampdoria Genoa met 1-0 geklopt na verlengingen. Auteur van het doelpunt was ook weer een Nederlander: Ronald Koeman. Eerder, in 1989, had Cruijff Barça al de Beker voor Bekerwinnaars bezorgd. Ook in 2006 was de architect van de winst in de CL-finale tegen Arsenal een Nederlander: Frank Rijkaard. Mark van Bommel en Gio van Bronckhorst stonden toen op het veld. En in de eerste Europese beker die FC Barcelona ooit won, had ook een Nederlander een voet: Johan Neeskens liep toen, in de met 4-2 gewonnen finale tegen Fortuna Düsseldorf, tussen de lijnen. Met alle Nederlanders die bij Barça gespeeld hebben, kun je overigens een geweldig elftal, uiteraard in 3-4-3, samenstellen: Ruud Hesp Michael Reiziger - Ronald Koeman - Frank de Boer Edgar Davids - Johan Cruijff - Mark van Bommel - Johan Neeskens Ronald de Boer - Patrick Kluivert - Marc Overmars Bank: Danny Muller, Richard Witschge, Jordi Cruijff, Philipp Cocu, Winston Bogarde, Boudewijn Zenden, Gio van Bronckhorst, Ibrahim Afellay."Ik kom als jullie me 20 pond (27 euro, nvdr) per week méér geven." Het waren in 1971 de woorden van Kevin Keegan, die 30 pond per week verdiende bij Scunthorpe. Bill Shankly ging akkoord. "Joe, de vader van Kevin, was net als ik een oud-mijnwerker. We kwamen dus heel snel overeen", aldus de mythische coach van de Reds, die in 1974 opgevolgd werd door Bob Paisley. Met Keegan breekt een gouden tijdperk aan voor Liverpool: 3 titels, 1 FA Cup, 1 UEFA Cup en winst in Europacup I in 1977. Tegen het Borussia Mönchengladbach van coach Udo Lattek wordt het 3-1. Het duel tussen pitbull Berti Vogts, de latere Duitse bondscoach, en Keegan is pittig. "Maar dat herinner ik me niet van die finale", zou de Engelse aanvaller later zeggen. "Ik weet vooral nog dat Vogts op de receptie na de match naar mijn tafel kwam om me te feliciteren. Dat zou ik zelf nooit gekund hebben." In de zomer van 1977 trekt Keegan naar Hamburg en plukt Paisley diens vervanger weg bij Celtic: Kenny Dalglish. Tussen 1977 en 1985 tekende Dalglish, eerst met Paisley en later met Joe Fagan als trainer, het one touch football uit: snel combinatiespel, eerst in de breedte, vervolgens diep, steeds naar de vrije man. Liverpool was in die periode een vaste klant in het Europacup I-toernooi. De Reds wonnen de edities van 1978 (tegen Club Brugge), 1981 en 1984. In 1985 leidde de toen 34-jarige Dalglish Liverpool voor de vierde keer in acht jaar tijd het veld op voor een finale van de Europacup voor Landskampioenen op... de Heizel. Voor de match chargeerden Liverpoolfans in het stadion een vak met supporters van Juventus. Balans: 39 doden. De UEFA sloot de Engelse clubs jaren uit van Europees voetbal, de zwaarste straf kreeg Liverpool: zes seizoenen. Daardoor konden de Reds niet deelnemen aan Europacup I in 1986, 1988 en 1990 (als Engels kampioen), aan de UEFA Cup in 1987 (als tweede in de competitie) en aan Europacup II in 1989 (als winnaar van de FA Cup). Oliver Kahn. Bijnamen: der Titan, King Kahn, Dzjengis Kahn. Keeper bij Bayern München van 1994 tot 2008. Winnaar van de UEFA Cup in 1996 en van de Champions League in 2001. De schrik van menige spits en zelfs van zijn eigen ploegmaats. Daniel Van Buyten die een klap in zijn gezicht krijgt, Mark van Bommel die bij zijn nekvel gegrepen wordt en ineenkrimpt van de pijn, Andreas Herzog die hard in de rug gepord wordt na balverlies op het middenveld wat tot een doelkans leidde... Het zijn allemaal voorbeelden van Bayernploegmaats die de furieuze orkaan Oli over zich heen kregen. Ook tegenstanders moesten het vaak ontgelden: Stéphane Chapuisat die haast doormidden getrapt wordt, Miroslav Klose wiens neus bijna afgebeten wordt... Check op YouTube eens 'Oliver Kahn's Top 5 Freakouts' en u begrijpt wat we bedoelen. Zijn lijfspreuk: winnen is willen. Na een verlieswedstrijd was Kahn onaanspreekbaar en agressief, een kleedkamerdeur werd dan al eens uit de hengsels getrapt. Van Buyten vertelde ooit over zijn ex-collega: "Hij was altijd geconcentreerd en afstandelijk. Wanneer je met hem praatte was hij redelijk sympathiek en na zijn carrière bloeide hij open, maar als tijdens de match zijn stoppen doorsloegen... Ik denk niet dat ik Kahn ooit heb zien lachen. Samen met Franck Ribéry heb ik eens een grap met hem uitgehaald met een emmer water, die Franck vanop het dak over zijn hoofd goot. Alleen zou hij het nooit gedurfd hebben, want hij was als de dood voor Kahn. Stel je eens voor dat die zou flippen. Toen Kahn daarna doorweekt de kleedkamer binnenkwam, verborg Franck zich in eerste instantie achter mij. Pas wanneer bleek dat Oli het nogal goed opvatte, kwam Ribéry van achter mijn rug tevoorschijn..." Manuel Neuer. Bijnaam: Manu. In Nederland wonen zo'n 350.000 Surinamers. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen namelijk veel inwoners van de toenmalige kolonie - in 1975 werd het land in het noorden van Zuid-Amerika onafhankelijk - in Nederland studeren en bleven ze er nadien plakken omdat ze er meer carrièreperspectieven hadden. Zo'n 68.000 Surineds wonen in Amsterdam, voornamelijk in de Bijlmer. En dat had zo zijn gevolgen voor het lokale clubje, Ajax. Meer dan veertig spelers met Surinaamse roots haalden het eerste elftal van de Ajacieden, rekende een krant ooit uit. De allereerste was Frank Rijkaard in 1979, de middenvelder was toen zeventien. Het hoogtepunt werd bereikt in 1995, toen zes jongens met Surinaamse roots deel uitmaakten van het Ajax dat AC Milan met 1-0 klopte in de finale van de Champions League: Frank Rijkaard, Michael Reiziger, Edgar Davids, Clarence Seedorf, Winston Bogarde en Patrick Kluivert. Seedorf, toen negentien, pakte zijn eerste 'beker met de grote oren'. Later zouden er nog drie volgen: in 1998 bij Real Madrid, en in 2003 en 2007 bij AC Milan. De tijd van de grote Surinamers bij Ajax lijkt echter voorbij. De laatste die van zich deed spreken, was Nigel de Jong. Hij heeft niet de flair en souplesse van een Kluivert of een Seedorf, maar doet eerder denken aan een op hol geslagen grasmaaier. In de huidige selectie van Ajax wordt wel veel verwacht van Ricardo Kishna, een twintigjarige spits die van zichzelf vindt dat hij het best vergeleken wordt met Robin van Persie. Hollandse bluf of Nederlands realisme? De toekomst zal het uitwijzen. "Waarom ik alleen maar bij topclubs werk? Simpel: omdat kleine clubs me niet kunnen betalen." "Velen denken dat ik alles weet. Dat is niet waar, ik weet bijvoorbeeld niet hoe het is om te mislukken." "Met tien spelers voetbal je beter dan met elf." Zij die denken dat dit een greep is uit de oneliners van José Mourinho, zitten ernaast. De pleger van deze zinnen is Helenio Herrera, in zijn tijd ook wel De Magiër of HH genoemd. De Argentijnse coach, die in 1997 op 87-jarige leeftijd overleed, paste het catenaccio voor het eerst toe bij een grote club en veroverde in 1964 en 1965 Europacup I ten koste van respectievelijk het Real Madrid (3-1) van Alfredo Di Stéfano en het Benfica (1-0) van Eusébio. Internazionale speelde twee keer met nagenoeg dezelfde ploeg. De verdedigingsgordel bestond uit vier man - Giacinto Facchetti, Gianfranco Bedin, Aristide Guarneri en Tarcisio Burgnich - met daarachter nog libero Armando Picchi, die de afvallende ballen moest opruimen. Op het middenveld moesten de Spanjaard Luis Suárez en de legendarische Sandro Mazzola voor de offensieve bevliegingen zorgen. Net voor zijn dood beweerde Herrera dat zijn manier van spelen toch niet zo defensief was als vaak gezegd werd. "Ik had Picchi als libero, ja, maar ik had ook Facchetti, de eerste vleugelverdediger die zo veel scoorde als een aanvaller." Met tien goals in het seizoen 1965/66 was de linksachter inderdaad lange tijd de verdediger die het vaakst gescoord had in de Serie A, tot dat record gebroken werd door Marco Materazzi in 2000/01. Diezelfde Materazzi keek in 2010 toe vanop de bank hoe het Inter van Mourinho in de halve finales van de Champions League FC Barcelona uit het toernooi kegelde. Thuis hadden de Italianen met 3-1 gewonnen. Verwacht werd dat Barça in Camp Nou de jongens van The Special One wel even over de knie ging leggen, zeker toen na 28 minuten Thiago Motta uitgesloten werd. Maar Inter trok een dubbele verdedigingsgordel op en kon de schade beperken: het werd 1-0, te weinig voor de Catalanen. In de finale werd het Bayern van Louis van Gaal op dezelfde manier gevloerd, met solide verdedigingswerk en snelle uitbraken van Samuel Eto'o en Diego Milito. Het balbezit van Inter in die finale zegt genoeg: 32 procent. Dat Mourinho zich daarmee tot de Darth Vader van de voetbalgalaxie kroonde, stoorde hem allerminst. Intervoorzitter Massimo Moratti, die in zijn jeugd Herrera nog had meegemaakt, zag de gelijkenis met Mourinho: "Ze hebben een gelijkaardig karakter: harde werkers, grote professionals, moedig en charismatisch." En ja, hun voetbal is soms niet om aan te zien. In Turijn passeerden heel wat 'componisten' van oogstrelend voetbal de revue. In het huidige elftal doet de balbehandeling van ancien Andrea Pirlo denken aan het betere klassieke concert. In het verleden droegen nog heel wat artiesten met een fluwelen baltoets de kleuren van de Bianconeri. Denk maar aan Michel Platini, Zinédine Zidane, Pavel Nedved en Alessandro Del Piero. Maar de meest tot de verbeelding sprekende is misschien wel Roberto Baggio, ook wel Il Divin Codino (de Goddelijke Paardenstaart) genoemd. Het moet gezegd zijn: nooit heeft een voetballer een paardenstaart eleganter gedragen dan Roberto Baggio. Emmanuel Petit, Paul Gascoigne en andere Zlatans hebben een poging ondernomen, maar tevergeefs. Baggio was niet alleen een doelpuntenmaker, maar ook een magistrale vrijschopnemer en een speler met vista. Goals waren voor hem liefst niet te gemakkelijk. "Daar haal ik geen voldoening uit." Zijn hoogtepunt bij Juventus - hij voetbalde later ook nog voor onder meer AC Milan en Inter - beleefde hij in 1993, met de UEFA Cupfinale tegen Borussia Dortmund. Die werd toen nog gespeeld in een heen- en terugwedstrijd. Met twee goals in Duitsland (eindresultaat: 1-3) maakte Baggio de return - overigens gewonnen met 3-0 - overbodig. Met 205 doelpunten is Baggio de zevende topschutter aller tijden uit de Serie A en qua aantal vrijschopgoals in de Italiaanse eerste klasse moet hij alleen Del Piero, Pirlo en Sinisa Mihajlovic laten voorgaan. Doordat hij een moeilijke relatie had met de meeste van zijn trainers, zat hij dan nog vaker op de bank dan hem lief was. Vooral Marcello Lippi en Arrigo Sacchi hadden het niet zo op hem begrepen. Baggio heeft nooit echt geweten waarom. Later zou hij daarover zeggen: "Misschien waren ze gewoon jaloers. Iedereen droeg me op handen, zelfs de fans van de tegenstander. Stal ik te veel de show, zodat zij zelf te weinig in de kijker liepen? Het moderne voetbal wordt meer en meer gedomineerd door coaches en hun narcistische neigingen." Net die eigenliefde was Baggio vreemd, aangezien hij zich al vrij snel in zijn leven bekeerde tot het boeddhisme. Op die manier probeerde hij de prestatiestress uit zijn hoofd te counteren en de bevelen van dwangmatige coaches uit zijn lichaam te bannen. Vorig jaar opende hij in Milaan overigens de grootste boeddhistische tempel van Europa. Roberto Baggio blijft, ook na zijn carrière, geesten beroeren. Ja, dat kan! Vraag het maar aan Nobby Stiles, de Toothless Tiger. Niets aan Stiles gaf je de indruk dat hij een voetballer was. Hij was klein (1,68 meter), gedrongen, al op vrij jonge leeftijd kalend (waardoor hij zich genoodzaakt zag de restanten van zijn haar over het kalende gedeelte te kammen, een 'overkammer' zoals dat heet) en leed aan een erge vorm van bijziendheid, waardoor hij sterke contactlenzen moest dragen tijdens het voetballen en een dikke bril naast het veld. Maar het meest dramatische fysieke aspect van Stiles was dat hij in zijn bovenste rij tanden een aantal exemplaren miste, een 'accidentje' tijdens een wedstrijd in het begin van zijn carrière. Het gebit dat hij steevast droeg, deed hij uit tijdens de match. Het gaf hem een schrikbarend uitzicht... Zijn mond mocht dan tandeloos geweest zijn, zijn tackles waren dat niet. "Je kunt niet voetballen als je de bal niet hebt. Mijn job was de bal te pakken te krijgen en hem dan zo snel mogelijk in te leveren bij Bobby Charlton", zei Stiles later in een interview. Zijn agressieve speelstijl leverde hem veel kritiek op. Commentatoren liepen niet hoog op met hem, ze zagen hem als een smet op The Beautiful Game. "Die kritiek raakte me niet. Ik weet dat het als een cliché klinkt, maar ik keek nooit verder dan de volgende match. Zelfs als we in de halve finale van een Europabeker zaten, dacht ik niet: oei, er komt straks een WK aan, dus houd ik me beter wat in." Het was die verbetenheid die de Schotse trainer Matt Busby zo aansprak in de defensieve middenvelder. Die kwam ook van pas in de finale van Europacup I in 1968 tegen Benfica. Bij de Portugezen liep immers ene Eusébio tussen de lijnen. Maar Manchester United, dat teerde op de klasse van Charlton en George Best, was te sterk: het werd 4-1. Het was de eerste Europese beker voor The Red Devils en het was een heel beladen trofee. Tien jaar ervoor, in 1958, kwamen bij een vliegramp in München immers acht spelers van de ploeg - de toen zo genoemde Busby babes - om. Van de overlevenden staan op 29 mei 1968 nog twee spelers op het veld: Bobby Charlton en Bill Foulkes. Ook coach Busby overleefde de crash. Charlton neemt niet deel aan het feestje van de ploeg achteraf. Hij is uitgeput en voelt zich slecht: "De weg naar die finale was zo lang. En tien jaar na München was de emotie te groot..." Het antwoord is simpel: omdat Benfica bestempeld mag worden als dé loser van Europa. De recordkampioen uit Portugal (34 titels) speelde tien Europese finales, waarvan ze er slechts... twee wonnen. De eerste twee met name, in 1961 en 1962. In 1961 sjotte Eusébio, toen negentien jaar, nog ergens op een veldje in het Mozambikaanse Maputo. In 1962 was hij wel van de partij, in een legendarische affiche tegen het Real Madrid van Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskás en Paco Gento. Met twee doelpunten besliste de Zwarte Parel de wedstrijd in het voordeel van de Portugezen: 5-3. Het werd meteen de laatste trofee van Benfica in Europa. Zou het te maken hebben met de vloek van Béla Guttmann? De Hongaarse coach wilde na de twee gewonnen finales in 1961 en 1962 opslag. Toen hij die niet kreeg, sprak hij de legendarische woorden: "Zonder mij zal Benfica in geen honderd jaar nog een Europese finale winnen!" Heel anders verging het de landgenoten uit Porto. De Draken speelden vijf Europese finales en wonnen er vier van. Een zinderende finale was die van de UEFA Cup in 2003 tegen Celtic. Met een 2-3-overwinning werd het de eerste Europese trofee voor José Mourinho. Bij de Schotten liepen wel een aantal interessante personages rond, zoals Henrik Larsson. De Zweedse spits is met 40 doelpunten nog altijd topscorer aller tijden van de UEFA Cup en Europa League. Dichtste achtervolgers zijn Radamel Falcao en Klaas-Jan Huntelaar, beiden met dertig goals. Ook de Belgische verdediger Joos Valgaeren, ex-KV Mechelen en ex-Club Brugge, kwam in actie in die finale. Hij moest uiteindelijk de duimen leggen tegen de Portugese armada met onder meer Deco, Maniche, Jorge Costa en Ricardo Carvalho. Het commentaar van Mourinho na de wedstrijd was geen les in bescheidenheid: "We hebben aan de wereld en aan alle voetballiefhebbers een mooi voorbeeld gegeven. Bovendien schrijven we geschiedenis omdat we de eerste Portugese club zijn die de UEFA Cup wint." Benfica had die beker in 1983 al eens kunnen winnen, maar botste toen in de finale op... Anderlecht. DOOR STEVE VAN HERPE