1 De politiek > België

De politieke hulp aan het Belgische voetbal is volgens Alain Courtois samen te vatten als volgt: "Hier een beetje en daar een beetje, naargelang van de omstandigheden. Er is geen coherent plan."
...

De politieke hulp aan het Belgische voetbal is volgens Alain Courtois samen te vatten als volgt: "Hier een beetje en daar een beetje, naargelang van de omstandigheden. Er is geen coherent plan." Behalve het renoveren van de stadions voor grote gebeurtenissen zoals het EK of het WK doet de federale overheid niets. Gewoon omdat ze daar niet voor bevoegd is. Veel sportbonden en -federaties zijn ook nog steeds niet gesplitst. Zo heeft de hockeyfederatie geen recht op financiële hulp omdat ze alleen maar op federaal niveau bestaat. Louter om subsidies te kunnen krijgen, heeft Vlaanderen in het voetbal een eigen vleugel opgericht. Maar tot nu toe hebben de Vlaamse clubs nog geen euro gekregen. Het geld is immers geblokkeerd. En uit niets valt af te leiden dat Waalse clubs sneller centen zouden krijgen als ze op hun beurt een eigen Waalse vleugel zouden oprichten. Een van de mogelijke pistes om geld naar het voetbal te sluizen is de zogenaamde tax shelter, waarvan minister van Financiën Didier Reynders voorstander is. Dit fiscale regime, dat in 2004 het levenslicht zag, stelt een bedrijf dat investeert in staat om een belastingvrijstelling te krijgen. Zo'n tax shelter in het voetbal zou wellicht een aantal clubs een reddingsboei kunnen aanreiken, maar het project ligt nog altijd ter studie. Helemaal onderaan de piramide is sport op school eveneens een pijnpunt. In heel wat scholen is het aantal wekelijkse uren sport fors beperkt. België moet zowat het enige land ter wereld zijn, waar dat gebeurt. Alain Courtois: "Na de Olympische Spelen - als men weer eens vaststelt dat de Belgische medailleoogst aan de lage kant is - circuleren er elke keer wel voorstellen, maar daar komt uiteindelijk weinig van terecht." De politieke hulp waarop de Franse clubs kunnen rekenen heeft de Belgische clubbestuurders doen likkebaarden. En terecht, want Franse clubs krijgen steun op gemeentelijk, regionaal, departementaal en nationaal niveau. Hetzelfde gebeurt in Zwitserland, waar de clubs op federale steun kunnen rekenen als de overheid vindt dat ze daarmee een bijdrage kan leveren om het imago van het land te versterken. In Duitsland heeft elke regio eigen minister van Sport, en af en toe geeft ook de federale overheid nog eens een financieel duwtje in de rug. Renaud Dely, hoofd van de sportrubriek van het Franse weekblad Mari-anne, legt uit dat staatssteun ook onrecht-streeks kan zijn: "In Frankrijk is geen enkele eersteklasser eigenaar van zijn stadion. De stadions zijn meestal in handen van de gemeentes. Die verhuren ze tegen zeer lage prijzen aan de clubs. Dat is een van de vele middelen die de overheid inzet om de clubs onrechtstreeks te steunen." In 1999 werd in Frankrijk de wet- Buffet - naar de naam van de toenmalige minister van Sport - goedgekeurd. Die was bedoeld om de overheidssubsidies aan voetbalclubs te reguleren en er een plafond voor vast te leggen. Maar dat is theorie, want in de praktijk blijkt het makkelijk om die wet te omzeilen. Dely beaamt dat: "Vrijstelling van huur of van belasting op evenementen, het onderhoud van het stadion en van het opleidingscentrum, de aankoop van duizenden tickets voor het stadspersoneel, ... Het zijn voorbeelden die aangeven hoe creatief men daarmee omspringt. Uiteindelijk verrijken de clubs zich zo op de rug van de belastingbetaler." In Nederland zijn stadions meestal privé-eigendom, maar de lokale politiek helpt daar op een andere manier: ze financiert de rest van de sportinfrastructuur rond het stadion om zo multisportcomplexen uit te bouwen, waarvan de clubs op hun beurt onrechtstreeks profiteren. In Denemarken focust de politiek zich dan weer op de jeugdsport door de scholen te verplichten één sportnamiddag per week te organiseren. Om het Belgische voetbal te doen vooruitgaan, zou de politiek veel meer initiatieven moeten nemen. Tegelijk zou ze ook de grens tussen politiek en sport duidelijk moeten afbakenen. Want in een aantal landen waar het voetbal veel hulp krijgt van de politiek, zijn er ook ontsporingen omdat politici een te grote vinger in de pap hebben. Alain Courtois: "De politiek moet ook niet te veel verantwoordelijkheid en controlerecht krijgen in ruil voor financiële hulp, want dat houdt de nodige gevaren in." In ons land wordt de jeugdopleiding vaak met de vinger gewezen. Volgens PhilippeSaint- Jean, die er een groot deel van zijn carrière aan heeft gewijd, is het verkeerd om de clubs en de bond met alle zonden van Israël te overladen. "Ze zijn erg afhankelijk van de financiële mogelijkheden, de politieke wil en het schoolsysteem." Sommige Belgische clubs zijn zich de laatste jaren bewust geworden van het belang van een goede opleiding en bijhorende infrastructuur. Standard heeft met de Académie Robert Louis-Dreyfus duidelijk het voortouw genomen. Maar alleen DominiqueD'Onofrio werkt er voltijds, terwijl in het opleidingscentrum van pakweg Lens 22 mensen aan de slag zijn. Ondanks de donkere wolken boven Moeskroen heeft de Henegouwse club met Futurosport wel het neusje van de zalm: elf velden, waarvan een op semikunstgras en een overdekt. Het was oud-burgemeester Jean- PierreDetremmerie die in 1997 het initiatief nam om dit opleidingscentrum uit de grond te stampen. In dit geval was er dus duidelijk sprake van de nodige politieke wil. Veel Belgische clubs verwaarlozen de opleiding echter nog steeds. Ze vinden het zinloos om te investeren in jeugdspelers die op hun 15e of 16e toch gratis weggeplukt worden door rijkere clubs. Volgens JohanWalem, coach van de paars-witte beloften, verschuilen veel clubs zich maar wat graag achter die redenering. "Als jeugdspelers en hun ouders zien dat de jeugd ook kansen krijgt bij de eerste ploeg, dan zullen ze zeker niet geneigd zijn om het elders te gaan zoeken." Ander probleem: de rol van jeugdtrainers wordt financieel weinig naar waarde geschat. Zelfs bij Anderlecht krijgen jeugdcoaches slechts zo'n 1000 euro per maand. Dat ThierryHazard zijn zoon Eden bij Rijsel onderbracht, is niet omdat de Noord-Franse club hem meer geld bood, maar wel omdat Eden er zowel school kon lopen als een voetbalopleiding kreeg. Het jeugdcomplex van Rijsel in Luchin kostte zo'n 20 miljoen euro. Jean- MichelVandamme, de verantwoordelijke voor het opleidingscentrum: "Er zijn zes voltijdse trainers aan de slag voor drie ploegen. Ze verdienen tussen de 2000 en de 6000 euro per maand." In Frankrijk zijn alle eersteklasseclubs ook verplicht om een opleidingscentrum te hebben. Het pas naar de hoogste klasse gepromoveerde Boulogne-sur-Mer moet er dus nu ook één bouwen. In Nederland heeft het opleidingscentrum van Ajax, dat lang het meest befaamde ter wereld was, slechts plaats voor zestig spelers. Spelers die enkel voor het voetbal komen, worden vriendelijk verzocht ergens anders naar toe te trekken. De Nederlanders doen wel hun voordeel bij het soepele schoolsysteem. De lessen zijn elke dag gedaan kort na de middag, waardoor er nog tijd genoeg is om te trainen. Een land als Portugal stond tien tot vijftien jaar geleden nergens, maar heeft ondertussen zijn achterstand goedgemaakt. Sporting Clube, de club waarbij CristianoRonaldo en RicardoQuaresma doorbraken, heeft fors geïnvesteerd. Speciaal aan hun oefencomplex is de spiegelstructuur: een veld voor de profs en eenzelfde ernaast voor de jeugd, een fitnesszaal voor de A-ploeg en dezelfde zaal ernaast voor de jeugd. De jongeren zien zo wat de profs doen, maar ze beseffen tegelijk dat er nog een grens is tussen hen en die profs. Ook Zwitserland en Luxemburg zetten in op opleiding. De voetbalbonden van beide landen hebben programma's op touw gezet waar de clubs gebruik van kunnen maken en dat werpt vruchten af. België boekt op het vlak van de jeugdopleiding wel vooruitgang, maar met de snelheid van een boemeltrein, terwijl in andere landen de tgv al lang vertrokken is. België probeert wat in het buitenland gebeurt zo goed mogelijk na te bootsen, maar vaak gebeurt dit op amateuristische wijze. Als op het politieke vlak projecten op touw worden gezet, zorgt een verandering van de meerderheid na verkiezingen er vaak voor dat ze weer in de ijskast worden gestopt. En clubs hangen voor hun opleidingsprojecten sterk af van sponsors. Als die de kraan toedraaien, kan alles in één keer weer stilvallen. Ook qua infrastructuur zijn onze clubs er niet te best aan toe. Anderlecht, Standard, Club Brugge en Charleroi hebben sinds Euro 2000 geen investeringen meer gedaan in hun stadion. Daardoor zijn ze nu erg verouderd. Dat geldt ook voor het Koning Boudewijnstadion. Ons land heeft niet van de organisatie van het EK in 2000 geprofiteerd om ultramoderne voetbaltempels te bouwen. "We hebben er toen de voorkeur aan gegeven om de bestaande stadions te renoveren", zegt Alain Courtois, toen toernooidirecteur en nu het Belgische boegbeeld van de Belgisch-Nederlandse kandidatuur voor de organisatie van het WK in 2018. Ook de clubs die hun stadion tijdens het EK 2000 niet ter beschikking stelden, zijn ter plaatse blijven trappelen. Kijk maar naar Germinal Beerschot en AA Gent. Voor diverse clubs zou de WK-campagne in 2018 een reddingsboei kunnen zijn. Courtois: "Eigenlijk is er in elke provincie, met uitzondering van Namen en Luxemburg, nood aan een stadion met 40.000 plaatsen. Maar daarvoor moeten we naar een samenwerking tussen publieke en privé-investeerders. En om die laatsten aan te trekken, moet in de stadions ruimte voorzien zijn voor hotels, kantoren en winkels." De FIFA wil op 14 mei 2010 de namen en de ligging van de stadions kennen waarin men wil spelen, evenals de ontwerpen en de eerste tekeningen van de architecten. Kortom, de tijd dringt. In ieder geval is alle Belgische hoop op een verbetering van de infrastructuur momenteel op dit project gevestigd. Net zoals Portugal deed voor de organisatie van het EK in 2004, friste ook Zwitserland zijn stadions op voor het EK in 2008. "Vóór de start van het EK had de directeur van de liga al gepleit voor een competitie met tien clubs, wat impliceerde dat elke club uit de hoogste afdeling een nieuw stadion moest bouwen", legt Simon Meyer, voetbalrubriekleider van de Zwitserse krant Le Temps uit. "Om een licentie te krijgen, moesten de clubs ofwel al in een nieuw stadion spelen ofwel een project hebben om er één te bouwen. In ons land worden de stadions grotendeels gefinancierd door de overheid. In Genève stelde men zich wel de vraag of het aangewezen was om een stadion voor 30.000 mensen te bouwen." Geen onterechte bezorgdheid, blijkt een jaar later, want de beheersvennootschap van het stadion is er zo goed als failliet, wat dan weer het gevolg is van het feit dat Servette Genève over de kop ging. Daar staat echter tegenover dat alle andere nieuwe stadions wel rendabel zijn. Dat is bijvoorbeeld zo in Bern en in Basel. Simon Meyer: "Voor het eerst in de geschiedenis van de Zwitserse competitie is het gemiddelde aantal toeschouwers tot boven de 10.000 per wedstrijd gestegen. Clubs zoals Young Boys en Neuchâtel zijn daardoor in staat geweest om hun budget te verhogen." In Frankrijk, dat kandidaat is om het EK 2016 te organiseren, zijn nu diverse vernieuwingsprojecten aan de gang. Zo werkt Rijsel op basis van een samenwerking tussen de overheid en privé-investeerders aan een megaproject: een fonkelnieuw stadion dat 613 miljoen euro zal kosten. Van dat bedrag zal 44 procent voor rekening zijn van de overheid en 56 procent voor privé-investeerders. De club zal huurgeld betalen en een gedeelte van de inkomsten uit de privé-investeringen zal worden teruggestort aan de overheid. Het voorbeeld van Rijsel leert alvast dat er verschillende mogelijkheden zijn bij de bouw van een stadion, maar het helpt natuurlijk dat de politiek wil meewerken. Rijsel kon rekenen op burgemeester en PS-boegbeeld Martine Aubry en op ex-premier Pierre Mauroy. Het ontbreekt ons land aan ideeën en we hebben nagelaten om accuraat in te spelen op opportuniteiten. België had naar aanleiding van het EK in 2000 het Nederlandse voorbeeld moeten volgen door privésponsors warm te maken voor de bouw van nieuwe stadions. Nu moeten we ook op dat vlak een achterstand inhalen. In Zwitserland en bij een aantal Franse clubs zijn nochtans goede voorbeelden te vinden. En in Nederland hebben de nieuwe stadions van Heerenveen en Groningen het gemiddelde aantal toeschouwers explosief doen stijgen, maar daar heeft de overheid ook een prijs voor betaald ... met belastinggeld. Uit de mond van voorzitter Ivan De Witte konden we onlangs vernemen dat de Profliga een ethische commissie zal oprichten. De manier waarop het jongste duel tussen Standard en Anderlecht ontaardde, heeft wellicht de oprichting van die commissie, voorzien voor begin 2010, versneld. Is zo'n ethische commissie dan nodig? Als het over het imago van ons voetbal gaat, is het antwoord ongetwijfeld 'ja'. Een Franse journalist vatte onlangs het Belgische voetbal nog samen in drie zinnen: "De gebeurtenissen van de laatste vijftien jaar in het Belgische voetbal associëren we onvermij-delijk met het Bosmanarrest en de zaak-Ye. Een ethische commissie kan daar niet veel aan verhelpen. Er is eerder nood aan UNO-blauwhelmen om het Belgische voetbal weer gezond te maken." Los daarvan zijn er de jongste tijd tal van gebeurtenissen geweest die veel inkt hebben doen vloeien: geschillen tussen clubbesturen, discussies over scheidsrechterlijke beslissingen, communautair geïnspireerde spreekkoren, en als climax natuurlijk het betreurenswaardige incident- Wasilewski- Witsel. De vraag is: kan een ethische commissie het blazoen van ons voetbal oppoetsen? De huidige toestand in Frankrijk (zie verder) is niet van aard om echt optimistisch te zijn. Ivan De Witte is nochtans van het tegendeel overtuigd. "Ik ben er zeker van dat een dergelijke instantie veel conflicten tussen clubs kan oplossen. We willen dat de commissie in de eerste plaats een bemiddelingsrol vervult om zo beginnende brandjes te blussen. Als de bemiddeling niet werkt, kunnen we sancties treffen. Punten zullen we niet aftrekken, het zal om financiële straffen gaan." In Frankrijk werd in 2002 een Conseil national de l'Ethique opgericht. Dat die echter niet echt veel in de pap te brokken heeft, bleek voor het eerst in de naweeën van het geladen duel van 5 maart 2006 tussen PSG en Olympique Marseille. Die dag stuurde OM zijn reserveteam naar Parijs. Pape Diouf, de toenmalige voorzitter, wilde op die manier protesteren tegen het feit dat de veiligheid van de supporters van Marseille niet gegarandeerd zou zijn. De wedstrijd eindigde op 0-0. Dat was niet alleen een sportief affront voor de Parijzenaars, het veroorzaakte vooral opschudding in de nationale ethische raad. De voorzitter van de raad, Dominique Rocheteau, wilde een voorbeeld stellen door zowel Marseille als PSG het behaalde punt af te trekken. Uiteindelijk gebeurde dat echter niet omdat de beroepscommissie van de Franse voetbalbond die straf annuleerde. "De ethische raad slikte daar een nederlaag en heeft in de praktijk nooit veel te zeggen gehad", legt Cherif Ghemmour, journalist bij SO Foot en GQ, uit. "Het is eigenlijk niet meer dan een gadget." Ook voorzitter Rocheteau liet zijn ontgoocheling al blijken in France Football. "Wij hebben de onaangename indruk dat we tot niets dienen." Het recentste voorbeeld dat dit lijkt te illustreren is de polemiek tussen Antoine Kombouaré en Christian Gourcuff. De trainers van PSG en Lorient raakten na het onderlinge duel verbaal in de clinch met elkaar. Kombouaré zegde zelfs dat Gourcuff "een klap op zijn smoel verdiende." De CNE veroordeelde daarop beide trainers tot een pedagogische opdracht over de rol van de opleider in de promotie en de verdediging van de waarden van het voetbal. Gourcuff weigerde dat echter en zei dat hij nog liever voor een speeldag werd geschorst. Een nieuwe slag in het gezicht van de CNE. Het zou niet eerlijk zijn om de oprichting van een Belgische ethische commissie al meteen met de grond gelijk te maken, maar de manier waarop het er in Frankrijk aan toegaat, toont aan dat een ethische commissie slechts doeltreffend kan zijn als ze ook een reële macht heeft. Nu voetbal big business is geworden, zullen financiële sancties heel zwaar moeten zijn om te hopen dat de commissie effectief een belangrijke rol kan spelen. Maar ook als gewoon bemiddelingsorgaan, zoals voorzitter De Witte aangeeft, zou de commissie enigszins de spanningen kunnen wegnemen die we de jongste tijd geregeld tussen clubs zien opduiken. Het gemiddelde budget van de Belgische eersteklassers bedraagt 11,3 miljoen euro. Dat bedrag ligt zowat één miljoen euro hoger dan een jaar geleden. Eigenlijk hebben we qua budgetten een competitie met drie snelheden. Bovenaan staan de vier groten Anderlecht (30 miljoen euro), Standard (25 miljoen euro), Club Brugge (22,5 miljoen euro) en Genk (19 miljoen euro). Daarna volgen drie middelgrote clubs (AA Gent met 12,5 miljoen euro, Charleroi en Germinal Beerschot met telkens 9,5 miljoen euro) en daarna alle andere teams (bv. KV Mechelen met 5,8 miljoen euro). In een goed beheerde club zou de loonmassa (spelers, staf en medisch team) niet meer mogen bedragen dan 40 à 45 procent van de totale uitgaven. Anderlecht betaalt de hoogste lonen (zowat 1,2 miljoen bruto per jaar voor Mbark Boussoufa) en ook bij Club Brugge en Genk komen sommige spelers aan een loon van om en bij het miljoen euro. Standard betaalt minder. Charleroi en Cercle Brugge betalen het minst. Om een idee te krijgen van de inkomsten kijken we even hoe die bij Standard lagen in 2008/09: globale omzet van 28,2 miljoen euro. Daarvan was 9,7 miljoen afkomstig van abonnementen en ticketverkoop; 6,5 miljoen van televisie-rechten; 5,4 miljoen van sponsoring, reclame en viparrangementen en 2,1 miljoen van merchandising. Bij alle clubs geldt ongeveer dezelfde verdeelsleutel, al moeten we eraan toevoegen dat inkomsten uit merchandising slechts weggelegd zijn voor vijf à zes clubs. Qua sponsoring kan geen enkele ploeg tippen aan Anderlecht, aangezien paars-wit jaarlijks 5 miljoen euro krijgt van BNP Paribas Fortis. Dexia doet daar bij Club Brugge niet veel voor onder. Standard haalt met alle sponsors samen geen 3 miljoen. Met andere woorden: er gaapt nog een diepe kloof tussen enerzijds Anderlecht en Brugge en anderzijds de landskampioen. De Belgische eersteklassers mogen 44,7 miljoen euro televisierechten verdelen. Een eerste schijf van 60 procent werd kortgeleden gestort. De toegepaste verdeelsleutel houdt rekening met de behaalde resultaten van de jongste vijf jaar. Anderlecht kreeg 2,5 miljoen, Standard 2,4 miljoen, Charleroi 1,6 miljoen en Kortrijk 810.000 euro. De Belgische eerste klasse heeft een globaal budget van 180 miljoen euro. In Nederland bedraagt het globale budget van de Eredivisie 410 miljoen euro! Twente, dat momenteel wel boven in de rangschikking meedraait, maar financieel gezien geen grote club is, verhoogde dit seizoen zijn budget van 16 tot 28 miljoen euro, een cijfer dat bijna even hoog ligt als dat van Anderlecht. Feyenoord, dat een nieuw stadion zal bouwen, mikt op een budget van 100 miljoen euro. Toch is ook boven de Moerdijk lang niet alles rozengeur en maneschijn. Vorig seizoen liep het gecumuleerde verlies van de eersteklassers op tot 35 miljoen euro. Aangezien het globale exploitatieresultaat in België jaar na jaar positief is, zouden we dus kunnen zeggen dat België het nog zo slecht niet doet. De budgetten van Belgische en Nederlandse clubs verzinken echter in het niets als men ze vergelijkt met die van de echte toppers : 422 miljoen voor Real Madrid - dat ook een schuldenlast torst van 327 miljoen -, 400 miljoen voor FC Barcelona, en tussen de 200 en de 300 miljoen euro voor de meeste grote Engelse en Duitse clubs. Toch is er hoop voor de kleine clubs: Michel Platini wil een einde maken aan de "financiële ontsporingen op krediet" en hij heeft Jean-Luc Dehaene benoemd tot "financiële sheriff" van de UEFA. De beste Belgische clubs mikken op een uitbreiding van hun stadion om aansluiting te vinden bij de goede Europese teams, maar het zijn eigenlijk vooral de televisierechten die het verschil maken. De Belgische eerste klasse puurt daaruit 44,7 miljoen euro, de Ligue 1 668 miljoen, en de Premier League zelfs 1,3 miljard. Maar ook het bedrag van 81 miljoen euro voor de Eredivise ligt bijna dubbel zo hoog als dat van België. Real Madrid haalt op zijn eentje 135 miljoen euro uit televisierechten, het drievoudige van de hele Belgische eerste klasse! Op het vlak van transfers geldt Frankrijk als referentie. In de Ligue 1 worden elk jaar de belangrijkste spelers verkocht aan de grootste buitenlandse competities. In 2008 leverde dat een totale winst op van 265 miljoen euro. Sinds een aantal seizoenen volgt België dezelfde weg. Het is de enige manier om een positieve balans te kunnen voorleggen. Andere inkomstenbronnen hebben bij ons immers hun plafond bereikt: clubs kunnen enkel meer toeschouwers aantrekken als ze hun stadions vergroten, de televisierechten zullen niet echt toenemen en de sponsorbudgetten worden als gevolg van de crisis in vraag gesteld. Enkele weken geleden pakte Bert van Lingen, de Nederlandse assistent van bondscoach Dick Advocaat, uit met de volgende verklaring: "Nederland had in het verleden vaak een heel sterke ploeg, die niets te vrezen had van de Rode Duivels, maar die zich toch geregeld in de luren liet leggen door een of andere geniale tactische vondst van de zuiderburen. Het was frustrerend om ze te scouten en toch niet te weten hoe ze zouden spelen." Hij verwees daar ongetwijfeld naar de flair en het tactische vernuft van Belgische bondscoaches als Raymond Goethals, Guy Thys en Paul Van Himst. Trainers van dat kaliber lijken we nu niet meer te hebben. Toch ligt dat niet aan de Belgische trainersopleiding, althans volgens Frans Masson, die zich jarenlang enorm ingezet heeft om de trainersschool van de Belgische bond nieuw leven in te blazen. "Ik heb aangedrongen om ook stages te voorzien, zowel in eerste klasse als in het buitenland. Zo ontmoeten de cursisten een aantal befaamde buitenlandse trainers die dan dieper ingaan op de verschillende aspecten van hun vak. Onze opleiding voor de coaches moet dan ook zeker niet onderdoen voor die van de buurlanden. Het tegendeel beweren, is de waarheid geweld aandoen." Toch kan men niet naast het feit kijken dat Belgische coaches op dit moment niet gewild zijn in het buitenland, met Erik Gerets als uitzondering op de regel. Ook trainers als Emilio Ferrera (bij Panionios) en Hugo Broos (bij Trabzonspor) verdienen nu toch hun sporen bij relatief grote clubs in het buitenland. De Belgische trainerscursussen mogen dan nog vergelijkbaar zijn met die van de andere Europese landen, qua organisatie staan Duitsland, Nederland en Frankrijk toch nog een trapje hoger. Het is onder andere daarom dat Erik Gerets en Marc Wilmots hun Pro Licence respectievelijk in Nederland en Duitsland hebben gehaald. Wimots haalde eerst een UEFA B-diploma (om jongeren te trainen) en een UEFA A-diploma (om volwassenen te trainen, maar geen profs) in België alvorens naar Duitsland te gaan. "In België kreeg ik een goede basis mee. Dat heeft me geholpen toen ik in Keulen de Pro Licencecursus volgde: intensieve lessen gedurende zestien weken en een stage van vier weken in het buitenland, bij Bordeaux in mijn geval. Ik ben er trots op dat ik mijn diploma gehaald heb met een quotering van 2,2.1, dat is wereldklasse; 2, dat is zeer goed." Ook van Raymond Goethals is geweten dat hij vaak naar het buitenland ging. RTBf-journalist Frank Baudoncq, die een boek schreef over Goethals: "Van elk vrij moment maakte hij gebruik om naar Parijs te gaan en er van alles te gaan opsteken in de school van Joinville." Raymond Goethals zei daarover zelf: "Ik heb daar ongelooflijk veel geleerd, onder meer over de verdediging op één lijn. Racing Club de Paris paste dat systeem al toe, maar in België kende men het nog niet." Tot hij het introduceerde bij Sint-Truiden. In Frankrijk beschikt de Unecatef ( Union nationale des entraîneurs et cadres techniques du football français) over een indrukwekkende internetsite die perfect haar doelstellingen en missies definieert. Die organisatie leidt trainers op, verdedigt hun belangen en zorgt ervoor dat ze met elkaar kunnen netwerken. Ook in Nederland zorgt de voetbalbond ervoor dat coaches regelmatig met elkaar in contact staan. Belgische coaches, daarentegen, zijn vaak op zichzelf aangewezen. In het buitenland staan de Belgische trainers niet meer zo hoog aangeschreven als ten tijde van Raymond Goethals, Guy Thys of Paul Van Himst. Ongetwijfeld omdat ze te weinig avontuurlijk aangelegd zijn, hoewel onder anderen Erik Gerets, Emilio Ferrera en Hugo Broos nu het tegendeel bewijzen. Toch zijn er in het algemeen nog te weinig Belgische trainers die de stap durven zetten om in het buitenland te gaan studeren of te werken.Vorige week zat de Belgische bond weer eens in het oog van de storm. Kritiek naar aanleiding van de zaak-Moeskroen en kritiek naar aanleiding van de clubs die in de beker met een B-ploeg speelden. CEO Jean-Marie Philips stak al een beschuldigende vinger uit naar de trainers. Ondertussen denkt FCV Dender eraan om een schadevergoeding te vragen omdat zij in de plaats van Moeskroen in eerste hadden moeten zitten. Het zijn maar enkele van de vele brandjes die oplaaiden sinds François De Keersmaecker drie jaar geleden tot voorzitter werd verkozen. Niet voor niets werd zijn altijd glimlachend persoontje verbonden met de trofee (de Swakiri, naar çois qui rit) die het VRT-programma Extra Time wekelijks uitreikt aan de grootste schlemiel van eerste klasse. "De media zetten hem onterecht zo voor schut", beweert een lid van het Uitvoerend Comité. "Hij is een expert in administratieve dossiers, geen 'voetbalman'. Dat is hét probleem van de voetbalbond: het voetbal staat er niet centraal. En dat terwijl mensen die wél iets van voetbal kennen - zoals Michel Sablon - er nooit zijn." Ook de 23 leden van het Uitvoerend Comité oogsten kritiek omdat ze de inertie van de bond in stand houden. Veel verdienen ze niet met hun functie (162 euro per maand), maar ze krijgen plaatsjes op de eretribunes en mogen met de verschillende nationale elftallen op reis. Ze hebben vaak veel invloed en beschermen hun territorium. Herman Van Holsbeeck noemde dat eens "een teveel aan democratie dat de democratie kapotmaakt". De Keersmaecker probeert de invloed van dat Uitvoerend Comité wel in te perken, maar eenvoudig is dat niet. Eenheid binnen de bond bestaat dan ook niet. Bijgevolg kan die ook nergens op enig respect rekenen. Er ligt nochtans genoeg werk op de plank: de vereenvoudiging van het reglement (nu 600 bladzijden), de contacten met de Profliga, onderhandelingen met sponsors, personeelszaken en de oprichting van een Franstalige federatie die de tegenhanger moet worden van de Vlaamse, opgericht in november 2008. In onze buurlanden is alles veel duidelijker. In Nederland heeft men alles in het werk gesteld opdat het nationale elftal zijn wedstrijden zou kunnen voorbereiden in Zeist, terwijl bij ons het centrum in Tubeke onbruikbaar is. Er is namelijk geen hotel. Voorzitter Michaël van Praag loopt niet achter de feiten aan zoals De Keersmaecker, maar stelt duidelijk: "Ik kom maar een paar keer per week op de bond, om te controleren of hetgeen afgesproken werd ook uitgevoerd wordt. We hebben een duidelijke scheiding aangebracht tussen prof- en amateurvoetbal. Elke afdeling heeft haar eigen structuur en haar eigen directeur." Van Praag kent trouwens het klappen van de zweep, want hij was van 1989 tot 2003 voorzitter van Ajax. Hij heeft ook heel wat gedaan binnen de UEFA en de FIFA, wat hem een pak ervaring geeft. In Frankrijk stamt de voorzitter, Jean-Pierre Escallettes, dan wel uit het amateurvoetbal, alles is er toch heel wat strikter dan bij ons. Het voetbal staat er altijd centraal dankzij de bepalende rol van de nationale technisch directeur. Gérard Houllier, die Aimé Jacquet opvolgde, blinkt uit in die rol. Hij verdedigt de nationale ploeg (waar Raymond Domenech herhaaldelijk onder vuur lag) en spreekt met veel kennis van zaken over voetbal. Kennis opgedaan bij onder meer Liverpool en Lyon. Zou er in België zo iemand zijn? De voetbalbond heeft een berg werk voor de boeg, maar wordt ondermijnd door een typisch Belgische kwaal: bijna iedereen draagt verschillende petjes. Dat staat de goede werking van de Belgische voetbalbond in de weg. Heel wat leden van de Profliga en van het Uitvoerend Comité zijn zowel rechter als partij en oordelen altijd ten gunste van hun eigen club. Een deftig sportief beleid is dan ook niet mogelijk.door pierre bilic, thomas bricmont, pierre danvoye, daniel devos & stéphane vande veldeIn Frankrijk is geen enkele eersteklasser eigenaar van zijn stadion. Het gemiddelde aantal toe-schouwers in Zwitserland is voor het eerst tot boven de 10.000 gestegen.Er is eerder nood aan UNO-blauwhelmen om het Belgische voetbal weer gezond te maken.Het teveel aan democratie bij de bond maakt die democratie net kapot.