door Jacques Sys
...

door Jacques SysIn het onwezenlijke decor van Andorra zijn de pijnpunten van het Belgisch voetbal afgelopen zaterdag nog maar eens blootgelegd. In negentig steriele minuten bleek hoe moeilijk het zelfs tegen een voetbaldwerg is om een wedstrijd open te breken, als er in de ploeg te weinig spelers voorhanden zijn met een individuele actie. Andorra mocht dan voor het eigen strafschopgebied een muur hebben gemetseld, de Rode Duivels slaagden er maar één enkele keer in om op een gevaarlijke plaats een vrijschop te versieren. Veertig minuten moesten ze wachten op een eerste doelkans. Op een pijnlijke manier werd de onmacht in de toegevoegde tijd nog geïllustreerd, toen Aimé Anthuenis bij een hoekschop van Andorra bibberend aan de zijlijn stond. Deze ploeg, zo viel ook nu weer achteraf te horen, kan nu eenmaal moeilijk het spel maken. Het wordt al jaren vastgesteld zonder dat iemand dat kennelijk kan veranderen. Toch is het frappant dat Aimé Antheunis als bondscoach terug lijkt te gaan naar zijn roots als trainer. In het begin van de jaren tachtig werkte hij vijf seizoenen bij de Uefa's van Lokeren, waar hij later als hoofdtrainer het jonge talent liet doorstromen in een op techniek en beweeglijkheid geschoeid 4-4-2-systeem. Ook nu, in de herfst van zijn carrière, gaat Anthuenis weer verbeten op zoek naar jong bloed en een creatieve toets, nadat hij zich de afgelopen jaren heel anders profileerde. De inplanting van Thomas Buffel - na amper één wedstrijd bij de beloften, het blijft een onthutsende constatering - was een absoluut lichtpunt in een donkere avond. Dat er ooit bij Cercle Brugge werd overwogen om van Buffel wegens een gebrek aan snelheid een verdedigende middenvelder te maken, zoals Georges Leekens verderop in dit blad vertelt, is gewoonweg ontluisterend voor het niveau waarmee talent in dit land wordt gekneed. Dat heeft ook te maken met de verkeerde inzichten die hier en daar nog altijd worden gehanteerd. Drie vragen branden op de lippen van vele Belgische trainers als ze met een jong talent wordt geconfronteerd : kan hij verdedigen, recupereert hij voldoende ballen, en beschikt hij over een groot loopvermogen ? Zo worden er robotten gekweekt die goed passen in een schaakspel, maar die absoluut niet uitgerust zijn met kwaliteiten waarmee ze een man kunnen uitspelen. Terwijl dat in het huidige voetbal weer meer en meer een noodzaak wordt. De tijd dat een ploeg via positiespel alleen een meerderheid kan verwerven, is voorbij. Vreemd ook dat er bij de talenten die van nature die passeerbeweging wél hebben, onvoldoende wordt gewerkt om hun mankementen weg te werken. Stein Huysegems is daar bij Lierse het beste voorbeeld van. Steeds weer moet hij naar zijn linker zoeken en dribbelt hij dezelfde kant op. Qua jeugdwerking heet Lierse nochtans een lichtend voorbeeld te zijn, ook al brak niemand door van de gouden lichting van een paar jaar geleden. Door een aspirantenploeg in het leven te roepen, wil Aimé Anthuenis de kloof met de A-ploeg verkleinen. Dat idee is niet nieuw. Het werd eerder al opgerakeld om vervolgens een stille dood te sterven. Ook dat is en blijft tekenend voor het Belgisch voetbal : nieuwe suggesties bereiken zelden het stadium van de concrete uitwerking. Zo blijft jong talent het moeilijk hebben in dit land. Bij de nationale beloften die vorige week woensdag een oefenwedstrijd speelden tegen Congo, stonden er twee spelers in de ploeg (Huysegems en Kristof Snelders) die in hun club een basisplaats hebben. Sommige anderen zitten daar niet eens op de bank. De toevloed van buitenlanders in dit land is ondanks alle noodkreten nog steeds niet te stoppen. Ongestraft mogen sommige mensen clubs blijven gebruiken als dekmantel voor hun eigen handel. De voetbalbond blijft machteloos toekijken en mag zich gelukkig prijzen dat een deel van het prille talent in het buitenland, niet hoeft te gedijen in de Belgische voetbalcultuur.Dat sommigen in Buffel een verdedigende middenvelder zagen is ontluisterend.