Er was eens een tijd, een kwarteeuw geleden, dat de Belgische crossers op het internationale toneel figuranten waren. In zes jaar, sinds 1990, hadden onze landgenoten één wereldtitel ( Paul Herygers, Koksijde 1994) behaald. En dan moest het dieptepunt, in het seizoen 1995/96, nog volgen. Toen staken de buitenlandse cyclocrossers liefst 15 van de 18 manches van de Superprestige en de Wereldbeker, plus het WK, op zak. Alleen de jonge Erwin Vervecken en Herygers waren tricolore glimwormen in de duisternis.
...

Er was eens een tijd, een kwarteeuw geleden, dat de Belgische crossers op het internationale toneel figuranten waren. In zes jaar, sinds 1990, hadden onze landgenoten één wereldtitel ( Paul Herygers, Koksijde 1994) behaald. En dan moest het dieptepunt, in het seizoen 1995/96, nog volgen. Toen staken de buitenlandse cyclocrossers liefst 15 van de 18 manches van de Superprestige en de Wereldbeker, plus het WK, op zak. Alleen de jonge Erwin Vervecken en Herygers waren tricolore glimwormen in de duisternis. Meer zelfs: van de 54 podiumplaatsen gingen er slechts vier (!) naar de Belgen. De meeste hoofdprijzen verdeelden de Italianen Luca Bramati en Daniele Pontoni onder elkaar (vijf en vier zeges), Adrie van der Poel veroverde (eindelijk) de regenboogtrui. In een WK waar één Belg in de top tien eindigde: Vervecken, als vijfde... Die buitenlandse machtsovername zette zich door in 1996/97 (14 op 16 overwinningen) en in 1997/98 (14 op 16 zeges). Met in die laatste twee seizoenen twee Nederlanders, Richard Groenendaal en Van der Poel, die Bramati en Pontoni aflosten als koningen van het veld. Maar dan: het kantelpunt op het WK 1998 in het Deense Middelfart. Mario De Clercq blies er, met superdiesel in de tank, topfavoriet Groenendaal weg, Vervecken finishte als tweede. Al werd de belangrijkste mijlpaal echter de dag ervoor gerond, toen Sven Nys en Bart Wellens voor de tweede keer op rij richting goud en zilver bij de beloften vlogen. Technisch gekneed door wijlen Eric De Vlaeminck, de bondscoach-leermeester die de jeugdopleiding had opgekrikt. In 1998/99 stapten Nys en Wellens over naar de profs. Het begin van het gouden Belgische tijdperk, met in 2002/03 al snel een hoogtepunt toen nog slechts één (!) buitenlander, Groenendaal, in álle klassementscrossen, plus het WK, op het podium stond: 6 keer op 63, waarvan twee zeges... De anderen bloementuilen waren voor het trio Nys, Wellens en Mario De Clercq. Die drie zouden samen met Erwin Vervecken, later aangevuld met Kevin Pauwels, Klaas Vantornout en spring-in-'t-veld Niels Albert, ruim een decennium lang het veldrijden domineren, met Nys als ongekroonde koning. Al konden toptalenten als de Nederlander Lars Boom (wereldkampioen in 2008) en de Tsjech Zdenek Stybar (wereldkampioen in 2010, 2011 en 2014) de Belgen nog af en toe van hun troon stoten. Sporadisch pikten ook Thijs Al, Gerben de Knegt (Ned), Francis Mourey (Fra), Zdenek Mlynar, Radomir Simunek en Martin Bina (Cze) een zege mee. Toen Stybar na zijn laatste wereldtitel in 2014 echter definitief voor de weg koos, werd het korfbalgehalte van het veldrijden groter dan ooit. Met Lars van der Haar en vooral Mathieu van der Poel stonden twee jonge Nederlandse toppers op. En in Vlaanderen nam Wout van Aert de kroon van Sven Nys over, met onder hem nieuwe prinsen als Toon Aerts, Michael Vanthourenhout, Laurens Sweeck en dit seizoen Eli Iserbyt. De laatste zes seizoenen is de tricolore/oranje veldritdijk dan ook helemaal doorgebroken. Sinds 2014/15 tot de WB-manche van vorige zondag in Hoogerheide eindigden alléén de Duitsers Philipp Walsleben (twee keer) en Marcel Meisen (éénmaal), de Fransman Francis Mourey (éénmaal) en dit seizoen de 20-jarige Brit Tom Pidcock (drie keer) nog eens in de top drie van een klassementscross of een EK/WK. Goed voor amper 7 (!) podiumplaatsen op 453. Of 1,54 procent... Tussen 15 januari 2017 (Meisen, tweede WB Fiugi) en 19 oktober 2019 (Pidcock, derde SP Boom) finishte in 57 klassementsraces, plus 2 EK's, 3 WK's, zelfs geen énkele niet Belg/Nederlander in de eerste drie. Zelfs een verre ereplaats is voor hen schaars geworden: onze landgenoten namen de jongste drie seizoenen 65% (2017/18), 59% (2018/19) en 60% (dit seizoen) van alle toptwintigplaatsen in klassementscrossen (plus EK/WK) voor hun rekening, de Nederlanders respectievelijk 19%, 23% en 22%. Voor andere nationaliteiten restten er alleen kruimels: 16% en twee keer 18% - met zelfs dit seizoen amper 4% van de toptienplaatsen (en dan nog hoofdzakelijk te danken aan Tom Pidcock, die 11 keer top tien reed). Als de UCI dus pocht dat er, zoals op het WK voor elite in Bogense vorig jaar, 19 verschillende nationaliteiten aan de start staan, neem dat dan ook met een kilo zout. Aantal niet-Belgen/Nederlanders in de top tien van dat WK in Denemarken? Eén: Meisen, als achtste... Ander frappant voorbeeld: de jongste WB-cross in Heusden-Zolder, met renners uit 14 landen, het meest van alle WB-manches dit seizoen. En toch gingen de eerste 17 (!) plaatsen naar crossers met tricolore of oranje bloed... Bij de vrouwen elite is het zelfs nóg eenzijdiger: daar gingen dit seizoen, mede door de mindere campagne van de enige Belgische topper, Sanne Cant, tot nog toe 19 van de 22 klassementscrossen naar Nederlandse dames. Veelzeggende cijfers, maar wat is de verklaring voor dat steeds groter wordende korfbalgehalte van het veldrijden en het gebrek aan buitenlandse belangstelling, terwijl de sport met zijn korte tijdsduur en spectaculaire parcoursen gemaakt lijkt voor tv, zeker in vluchtige sociale mediatijden? De combinatie mountainbike/veldrijden, zoals Sven Nys indertijd en Mathieu van der Poel nu maakt, is geen primeur. Van eind jaren tachtig tot eind jaren negentig mixte de Zwitser Thomas Frischknecht met succes de twee offroad-disciplines, net als landgenoot Beat Wabel. Toen het mountainbike in 1996 echter een olympische discipline werd, ging in Zwitserland, en in andere traditionele cyclocrosslanden als Frankrijk en Italië de focus en subsidies vooral daar naartoe. Absolute MTB-toppers als Julien Absalon en Nino Schurter (samen goed voor drie olympische en 13 wereldtitels), maar ook de subtoppers weken zelden uit richting het veld. Mogelijke oplossing: het veldrijden olympisch maken, maar daarvoor ontbreekt het element sneeuw/ijs en vooral het internationale karakter van de sport - een vicieuze cirkel dus. Als er al eens buitenlanders schitterden in de jeugdcategorieën, kozen ze later voor de weg. Zoals Peter Sagan, in 2008, die toen als mountainbiker nog goed was voor zilver op het WK voor junioren. Zeker in Frankrijk zijn de voorbeelden legio: Julian Alaphilippe pakte ook zilver op het WK voor junioren, in 2010, maar opteerde vlug voor 'la route' (met het bekende gevolg). Quentin Jaurégui was als nieuweling/junior een van de voornaamste concurrenten van Mathieu van der Poel, maar koerst al sinds 2015 voor WorldTourteam AG2R. Daar is sinds 2018, na vier jaar bij Cofidis, ook Clément Venturini aan de slag, de juniorenwereldkampioen van 2011. Hij werd weliswaar nog Frans kampioen bij de elite in 2017, 2019 en ook dit jaar, maar op enkele andere kleinere crossen na blijft het daarbij. Het misschien wel grootste veldrittalent, Arnaud Jouffroy, wereldkampioen bij de junioren (2008, voor Sagan) én bij de beloften (2010) raakte zelfs nooit zo ver. Hij zette op zijn 23e al zijn carrière stop, geplaagd door blessures. Opvallend: dat die buitenlanders uitblinken in de jeugd, ten nadele van de Belgen zelfs, is niet uitzonderlijk. Thibau Nys domineert dit seizoen weliswaar bij de junioren en is topfavoriet in Dübendorf, maar de laatste wereldtitel van een landgenoot in die categorie dateert al van 2014 (!), met Thijs Aerts. Van de vijftien podiumplaatsen werden er sindsdien amper drie bezet door Belgen. Hetzelfde beeld in de wereldbeker bij de beloften. Vorig seizoen stonden er slechts drie landgenoten in de top tien van de eindranking: Iserbyt op twee, Niels Vandeputte op zes, Lander Loockx op negen. Dit seizoen is de eerste landgenoot in het eindklassement pas vijfde: Vandeputte (zondag in Hoogerheide zelfs de enige landgenoot in de top tien). De top zes van de WB-eindranking bestond voor de rest uit de Zwitsers Kevin Kuhn (eindwinnaar) en Loris Rouiller (zesde), de Nederlander Ryan Kamp (tweede), de Brit Thomas Mein (vierde) en de Fransman Antoine Benoist (derde). Laatstgenoemde pakte op het EK in Silvelle ook brons, waar het goud een prooi was van zijn landgenoot Mickaël Crispin, het (weliswaar zeer wispelturige) Franse toptalent dat in 2016 al zilver behaalde op het WK voor junioren. Hoopgevend voor de toekomst, maar ook bij Kuhn, Benoist en co is het afwachten of hun focus op het veld zal blijven. Tom Pidcock (20), wereldkampioen veldrijden bij de junioren (2017) en de beloften (2019), gaf al aan dat hij op termijn hoofdzakelijk prioriteit aan de weg zal geven - er zou een dik contract bij Team INEOS klaarliggen. Weliswaar gecombineerd met een beperkt crossprogramma, zoals Van Aert en Van der Poel, maar onvoldoende om een heel seizoen het veldrijden als sport te dragen. Het grote geld is voor een fulltimeveldrijder alleen in ons land te verdienen. Bij verschillende professionele teams, waarvan Spaarselect/Fidea, van manager Hans van Kasteren, begin jaren 2000 de voorloper was. Teams met grote budgetten waardoor de Belgische cyclocrossers zich een hele zomer via buitenlandse stages en kleinere profwedstrijden specifiek op het veldritseizoen kunnen voorbereiden. In het buitenland is daarvoor geen geld. De Franse veldrijder Steve Chainel startte bijvoorbeeld met een eigen veldritteam (Chazal-Canyon-3G Immo), maar meer dan fietsen, een kinesist en een campingcar kan hij de jonge Fransen niet bieden. Om de voeling met de Belgische top niet te verliezen, werden/worden de buitenlanders crossers dus bijna verplicht om naar hier te verhuizen. Of ze moeten elk weekend over en weer rijden, vele honderden kilometers - een grote moeite en leidend tot veel vermoeidheid. Voor de betere Amerikaanse veldrijders financieel ook onhaalbaar, want dan moeten ze maandenlang hier verblijven. En als dat niet meteen loont, haken velen af. De Superprestige organiseerde midden jaren negentig manches in Pilzen (Cze), Milaan, Silvelle (Ita), Wetzikon, Zarautz (Sui) en Harnes (Fra). Toen het tijdperk-Nys/Wellens begon, trok het zich echter binnen België en Nederland terug. En ook de ontbolsterde GVA-Trofee speelde zich volledig in Vlaanderen af. Niet toevallig toen de openbare omroep VRT, na het verlies van het nationale voetbalcontract aan VTM, 's winters vol inzette op het steeds populairdere veldrijden. Ook de UCI vond voor zijn Wereldbeker steeds minder buitenlandse gegadigden, wegens gebrek aan geld/media-aandacht (zie kader) en dus plaatselijke sponsors. Vaak werden die crossen, zoals de intussen opgedoekte Spaanse 'klassieker' in Igorre, kunstmatig in leven gehouden door de Internationale Wielerunie, en sinds 2015 door de vele euro's van WB-naamsponsor Telenet. In Groot-Brittannië (British National Trophy), Frankrijk (Coupe de France), Tsjechië (ToiToi Cup) en Zwitserland (EKZ Tour) werden/worden er weliswaar nog regelmatigheidscriteria georganiseerd, maar daar treden alleen de mindere goden uit eigen land aan. De Belgische toppers blijven liever dichter bij huis crossen, in races die hier wel op tv komen, en dus interessant zijn voor hun sponsors. In een poging om het veldrijden opnieuw een meer internationaal piment te geven werkte de UCI aan een hervorming van de Wereldbeker, samen met Flanders Classics. Dat organisatiebureau (van onder meer ook de Superprestige) won de tender als organiserende partij en stelde een nieuwe, fel bediscussieerde kalender op die deze week bekendgemaakt wordt. Crossen met vaste afspraak op zondag en zonder vaste startpremies, maar met een hogere prijzenpot. In totaal veertien: zeven in ons land en zeven in het buitenland, waarvan twee nét boven de Belgisch-Nederland grens, in Hoogerheide en Hulst. Amper vijf WB-manches buiten België en een klein stukje Nederland dus, terwijl de laatste vier seizoenen vijf van de negen WB-manches al buiten België/Nederland plaatsvónden. Daarvan bovendien twee in de VS, waar de meeste Belgische ploegen met tegenzin naartoe trokken, wegens - o ironie... - te hoge verplaatsingskosten. Veel internationaler wordt het veldrijden met die nieuwe WB-kalender dus niet. Mettertijd zou de verdeling (7 Belgisch crossen, 7 in het buitenland) wel richting meer races in andere landen, in buitenlandse grootsteden zelfs, moeten kantelen. De vraag is of die buitenlandse organisatoren de grotere kosten (alleen al een licentievergoeding tot 50.000 euro) - voor veel crossen in ons land al een obstakel - zullen betalen... En of het veldrijden gedoemd is om een BeNeLiga te blijven.