Sinds paasmaandag is hij er, de wereldbeker. A Taça da Copa do Mundo heet hij in Brazilië. Eindelijk, na een tocht langs 89 landen (waaronder ook België), gedurende 225 dagen en 150.000 kilometer. Qua ecologische voetafdruk kan dat tellen. De laatste vlucht vertrok in Los Angeles, VS, en kende twee tussenlandingen: in Belize en in Manaus, de toegangspoort tot het Amazonegebied.
...

Sinds paasmaandag is hij er, de wereldbeker. A Taça da Copa do Mundo heet hij in Brazilië. Eindelijk, na een tocht langs 89 landen (waaronder ook België), gedurende 225 dagen en 150.000 kilometer. Qua ecologische voetafdruk kan dat tellen. De laatste vlucht vertrok in Los Angeles, VS, en kende twee tussenlandingen: in Belize en in Manaus, de toegangspoort tot het Amazonegebied. Een kleine week konden de inwoners van Rio hem bekijken, in het Maracanã, waar de winnaar van het WK hem straks op 13 juli omhoog kan steken. Geen Braziliaan die er op dit moment van uitgaat dat dit iemand anders kan zijn dan een landgenoot. De rest is niet klaar. Duitsland heeft geen centrumspits, het voetbal van Spanje is rijp voor het museum, en Argentinië, de grote rivaal op dit continent, die hebben geen defensie. Laat die beker maar hier. Diverse keren is dat Maracanã, dat rechts van de snelweg ligt als je richting de stranden rijdt, de voorbije twee decennia al van uitzicht veranderd. In 1950 konden hier bij de vorige WK-finale bijna 200.000 mensen staan, nu zijn er 76.000 zitjes. De voorbije jaren werd er veel geld in geïnvesteerd. In het begin van de jaren negentig een eerste keer, op het einde van de jaren negentig grondig, toen de staanplaatsen verdwenen. In 2005 ging het weer dicht, voor nieuwe verbouwingen. En in 2010 ging het licht opnieuw drie jaar uit, voor verbouwingen met het oog op het WK in 2014 en de Olympische Spelen van 2016. Hoeveel het allemaal samen zou hebben gekost? Wie durft dat nog te becijferen? Vast staat dat de laatste fase - volgens velen onnodig zo kort na de vorige - boven de 260 miljoen euro is uitgekomen. Een peulschil, vergeleken met de infrastructuurwerken waarin ook wordt geïnvesteerd. Betere luchthaven, betere wegen, de Braziliaanse overheid kijkt in Rio op geen cent om de bezoeker straks in goeie omstandigheden te verwelkomen. Robert Smits ziet het allemaal met lede ogen gebeuren. Halverwege de jaren tachtig trok de Nederlander op wereldreis, met zo'n 1000 dollar op zak. De reis strandde in Rio, in de buurt van het Central do Brasil, het spoorwegstation waarlangs elke dag duizenden gelukzoekers, arbeiders en bedienden Rio de Janeiro binnenstromen. Daar zag hij ellende en kwam er een klik. Robert besloot zich er te vestigen en een nieuw leven op te bouwen. Portugees sprak hij niet, dat kwam al doende. Geld voor een fatsoenlijke woning langs de stranden van Copacabana of Ipanema had hij evenmin, dus trok hij naar een favela, waar wel meer gelukzoekers onderdak zoeken. Providencia, Rocinha,... de achterbuurten waar politieagenten en drugsdealers mekaar jarenlang bekampten in korte oorlogen, hebben voor hem geen geheimen. In Rocinha woonde hij halverwege de heuvel en floten de kogels hem letterlijk om de oren. Van boven schoten ze naar beneden en andersom. Hij zat er middenin. Met de steun van de achterban in Nederland begon hij aan projecten. Maatschappelijk werk, straatkinderen helpen. Hij stopte ze in de buurt van het station brood en water toe, probeerde hun vertrouwen te winnen en hen dan te plaatsen in een opvanggezin of in een pleeghuis. Omdat sport ook een vorm van opvang is en je nu eenmaal in Brazilië met een bal in de maag wordt geboren, kwam er ook een voetbalploeg. Niet Feyenoord, zijn grote liefde, die naam kon geen Braziliaan uitspreken. Wel Sparta. En zo ontstond een heel netwerk, met opvangtehuizen, een studentenhuis, inmiddels ook een woonboerderij een eind buiten de stad. Het eenmansproject van toen barst 25 jaar later uit zijn voegen. Maar het enthousiasme, zullen we merken, is nog altijd even groot. En de nood hoog, ook dat. Als het regent worden hier nog altijd kinderen met de modderstroom meegesleurd, de dood in. Anno 2014. Dan lijken nóg betere zitjes in Maracanã of een brede wandelboulevard onzinnige investeringen. We hebben afgesproken in het Central do Brasil, bij de ingang van de McDonald's-vestiging. Omdat we, vijf maanden voor de start van het WK, ook wel eens die andere kant van Rio willen zien. De donkere kant, die straks, als de zon schijnt op de bal en het strand, onbelicht blijft. Als Robert hoort dat we die ochtend in Barra de Tijuca een afspraak hadden, het rijke deel van de stad, wordt het hem even te machtig. Rio de Janeiro is een stad waar het verkeer al jaren lijdt aan een infarct. Te veel heuvels, te weinig wegen, te korte metrolijnen en onvoldoende busbanen. Dan bijna 1 miljard euro investeren in een Transcarioca van de luchthaven naar Barra is... van de pot gerukt, vindt hij. "Die mensen hebben al airco in hun auto, die kunnen de hitte weren als ze in de files staan. Mensen die het openbaar vervoer moeten nemen, zijn er veel beroerder aan toe." Toen o povo, het volk, tijdens de Confederations Cup betoogde tegen de overheid, liep hij dan ook mee voorop. Tot de traangasgranaten hem om de oren floten. Zijn voet zit in een verband, de achillespees is overbelast. Hij heeft een loopschoen aan, waarmee het moeilijk wandelen is. Ook zijn wereld zit vol contrasten, de rust op het platteland van de boerderij waar hij verblijft, versus de drukte van de stad. Vanavond moet hij in een chic hotel zijn, langs de Avenida Atlantica. Iemand heeft geld ingezameld voor zijn project en komt het overhandigen. Onze bestemming vanmiddag is de rauwe realiteit van het leven aan de rand. In de favela. Een verzameling vaak zelfgebouwde, illegale huizen, uitgegroeid tot hele dorpen binnen de stad, hele steden zelfs. Illegaal en dus precair. Je betaalt geen belastingen, maar hebt ook weinig sociale voorzieningen. Geen ziekenhuizen, amper scholen of hulpposten, soms geen verharde wegen. Elektriciteit, huisvuil, water, riolering, hygiëne: problematisch allemaal. In Rio de Janeiro zijn er zo'n 750 van dit soort favela's, zo'n 3 miljoen mensen vinden hier een onderkomen. Gek genoeg is het helemaal niet zo onveilig in zo'n wijk, zegt Robert. "Omdat zij die er de plak zwaaien, staan op zo weinig mogelijk politiebemoeienissen." Dus wordt er wel afgedragen aan de baas van de wijk, maar weinig beroofd. Want diefstal of moord, dat lokt politie en dat is slecht voor de handel. De drugshandel, welteverstaan. Gek genoeg zouden het soldaten zijn geweest die de eerste favela bewoonden. Ze wonnen namens het regeringsleger op het einde van de negentiende eeuw een oorlog tegen rebellen uit de staat Bahia, keerden terug naar Rio, tot in 1960 de hoofdstad van Brazilië, maar vonden er niet het beloofde onderdak. Met zo'n 20.000 bouwden ze dan maar zelf hun huis, in de heuvels. Een heuvel in Canudos, waar ze de rebellen versloegen, heette favela. Vandaar de naam. Een van de bekendste favela's is Cidade de Deus. Wereldberoemd sinds de film van Fernando Meirelles in 2002 de wereld schokte. Ook soaps, de Brazilianen zijn er dol op, spelen zich af in de favela. Het zijn romantische of dramatische versies van de realiteit. Een realiteit die zeer verscheiden is. In sommige wijken is al veel gebeurd om het comfort te verhogen - stromend water, riolering - en lopen mensen met mobieltjes, hangt aan elk huisje een schotelantenne. Al jarenlang zoekt de overheid naar een manier om de wijken weer onder controle te krijgen. Vanaf 2008 is er een pacificatiepolitiek ontwikkeld. Eerst vallen de BOPE's binnen, de zwaarbewapende elite van de politie. Die moeten de boel zuiveren van drugsbaronnen en ander tuig. Vervolgens wordt er een UPP geïnstalleerd, een speciaal opgeleide politiemacht die de favela controleert. In een volgende fase komen de sociale programma's, die de bevolking uitzicht op een beter leven moeten geven. Systematisch worden ze allemaal aangepakt, de probleemwijken. Heroverd op de criminelen. Window dressing vanwege het WK en de Olympische Spelen, noemen de critici het. De invallen van de BOPE's worden ruim op voorhand aangekondigd, zodat de gangsters kunnen vluchten naar andere wijken. De ellende verplaatst zich gewoon. Dat lukt vaak voor de toplui, blijkt uit onderzoek. Hun voetvolk heeft het veel moeilijker om zich elders te integreren. Een ander probleem is de politie die de boel moet beveiligen. Niet altijd resistent tegen corruptie, merkte Robert al. Niet zelden gebeurt het dat er bij een controle geld in beslag wordt genomen. "Jij komt drugs kopen, zeggen ze dan." Bewijs maar eens het tegendeel. We voelen plots de vers afgehaalde reals in onze zak branden. Verstop ze, is de raad. Maar waar doe je dat als je niet meer draagt dan een door de hitte doorweekt T-shirt, een korte broek en teenslippers? Antares is de wijk waar hij ons naartoe neemt. Met de trein, richting westen, naar Santa Cruz. Een nog niet gepacificeerde wijk, waar zijn team sinds november aan de slag is. Een tikkeltje gevaarlijk nog, de politie valt er geregeld binnen en dan zijn er schietpartijen. Maar meestal is dat bij het ochtendgloren en langer dan een halfuurtje duurt het niet. Het zal iets voorbij twee uur zijn als we eraan komen, normaal gezien valt weinig te vrezen. Hij is alleen wat ongerust dat hij zijn telefoon niet bij zich heeft. Normaal belt hij nog even kort voor hij aankomt naar een van zijn medewerkers, om te zien of de kust veilig is. Op de trein wijst hij ons een magere - zeg gerust uitgemergelde - vrouw aan. "Die komt drugs kopen." Crack, goedkoop maar uiterst verslavend. Wie geen geld heeft, biedt in een hokje met golfplaten zijn lichaam aan. Met de centen kopen ze dan een roesje om even uit de ellende weg te dromen. "Als de trein stopt, lopen ze de sporen over", zegt Robert. "Bij de ingang van de favela wachten de verkopers. Door dat gangetje gaan we straks ook." Waarschuwend: geen foto, geen overdreven nieuwsgierigheid, gewoon doorlopen. We dragen een oranje T-shirt. Dat treft, lacht hij, oranje is ook de kleur van de shirtjes van de mensen die voor zijn organisatie werken. Als de trein stopt, gebeurt alles zoals voorspeld. We staan amper stil, of mensen lopen de sporen over. Ze nemen niet de moeite om de loopbrug over te wandelen, naar de andere kant. Robert wel, ondanks zijn ontstoken pees. Het kost hem zichtbaar moeite. En dan - we staan net op het hoogste punt - breekt plots de hel los en wordt er geschoten. Niet zoals in de film, constateren we perplex. Tsjek tsjek tsjek: korte, droge tikken. Iedereen zoekt dekking achter een smal muurtje. Robert schreeuwt, wordt zenuwachtig, duikt in elkaar. We volgen zijn voorbeeld, pas dan valt onze frank: dit is echt. Beneden stuiven junks, dealers, jongetjes, vrouwen, weg, de sporen over, de begroeide berm in. Eentje raakt maar net op het perron voor een aanstormende trein. Hij springt erop, de veilige haven in. Wij zitten in elkaar gedoken tot een treinbewaker ons wenkt, de poorten openzet en we achter een muur kunnen schuilen. Als de volgende trein aankomt, en er weer mensen op het perron lopen, herbegint plots het schieten en zien we alles nog een keer terug, vanaf een tribune. Na een halfuur lijkt het wapengekletter verstomd. We gaan de favela in. Terugkeren, naar het veilige centrum, is geen optie, Robert is hier voor een sollicitatiegesprek. Ze zijn hier bezig sinds november en aan een van de mensen is het gaan vreten. De psychologe is ermee gestopt. Vandaag komt een maatschappelijk werkster (zie kader) solliciteren. In het gangetje zijn de verkopers op de loop. Her er der versperringen, onder meer een boom. Zo kan de politie alleen te voet binnenvallen. Een sollicitant, die op deze manier zijn intrede doet... Welkom... Het is de politie dit keer menens. Met af en toe een pauze gaat het schieten door, haast twee uur lang. Plots zelfs live. We schuilen in de sporthal en voor onze neus zien we drie agenten sluipen, van straatje tot straatje. Af en toe weerklinkt een salvo, plots stuift een hoopje zand vlakbij op. We kijken toe, vanachter een ijzeren deur. Veilig, denken we. Tot Robert ons wijst op de kogelgaten in de metalen wand. Buiten lopen kinderen voorbij, boekentas in de hand. Ze stappen wat sneller, maar kijken amper opzij. Drie, vier keer per week gebeurt dit. Soms is er collateral damage en sneuvelt er een onschuldige. Vandaag niet. "Twee doden, drie gewonden", komt iemand melden. Robson staat er inmiddels werkloos bij. De meeste kinderen zijn naar huis, de schietpartij heeft een voortijdig einde gemaakt aan de sportactiviteiten van de dag, moeders willen hun kinderen rond zich. "Ik ben leraar lichamelijke opvoeding", legt hij uit. "Wij doen hier vooral fysiek werk met de kinderen, veelal in deze zaal, al hebben we ook een veld buiten. Als de kinderen hier zijn, staan ze ver van het geweld buiten, van de schietpartijen, de deals, al het negatieve,..." Als wij straks de trein op raken, zijn we weg uit deze hel. De kinderen niet. Robson: "Wat je hier vanmiddag meemaakte, dat gebeurt een keer of drie, vier per week. Elke vrijdag, daar kan je vergif op nemen." Drie à vier keer per week zijn zij er ook, om hun activiteiten te organiseren. De jongsten zijn acht, de oudsten zestien, ze worden in groepjes per twee jaar ingedeeld. Van 8.30 uur tot 17 uur zijn er activiteiten. De ouders steunen hun project, vanop afstand. "Ze zijn zeldzaam, ouders die komen kijken. We moeten zelf op hen afstappen, thuis, om uit te leggen wat we doen. Hun kinderen zijn veilig hier, dat is voor hen voldoende. Dat is cultureel bepaald, ouders laten hun kinderen hier snel los en bekommeren zich er nog weinig om. Maar er is hoop en een groeiende betrokkenheid, we hebben hier al een toernooi georganiseerd en daar kwam toch wel wat volk op af. Er was ook iemand van Vasco, de voetbalploeg, om te zien of er talent rondliep. Dat kreeg weerklank." In het begin waren de kinderen zeer agressief, zegt hij, gericht op overleven. "Er was weinig respect. Maar de kracht van kinderen is dat ze zich snel aanpassen. Nu is het bom dia hier, en por favor daar. Zo begin je. Je probeert ze die kleine dingen bij te brengen, respect voor de ander, zijn bezittingen, en traag werk je aan een andere sociale context." Telkens als iemand binnenkomt, zien we, noteert hij zijn naam op een blad. Voor sommigen een hele inspanning. Robson: "De meerderheid van de moeders hier is analfabeet. Hun kinderen dus ook." Wat is de droom van een kind dat hier opgroeit? Robson: "Voetballer worden. En anders drugsdealer. Helaas. Ik snap dat. Beiden hebben geld, macht, respect, uitstraling, status. Wij proberen ze te overtuigen dat er ook een andere manier is, een derde weg, via de studie. Dat is nieuw. Zestig tot zeventig procent van de kinderen hier is via hun familie gelieerd aan de drugshandel. Dat bemoeilijkt ons werk." Hoe staan die dealers tegenover hun project? Robson: "Ze hebben ons aanvaard." Robert: "Soms komen ze zelfs na de uren sporten." Robson: "In het begin kwamen ze kijken, nieuwsgierig. Nu komen ze niet meer. Sommigen sturen zelfs hun zoons omdat ze, diep vanbinnen, ook voor hun kinderen een ander leven willen." Iets over vijven is de rust terug en wandelen we naar het station. Dit keer is het in het gangetje naar de uitgang wel druk. Dealertjes op bromfietsen knetteren zich een weg naar de bevoorradingspunten en worden door kleine jongetjes, die dromen van meer status, nagestaard. Het geeft aan dat dit land nog niks onder controle heeft. Niet de emoties, niet de miserabele leefomstandigheden, niet de veiligheid. Er is nog steeds geregeld straatprotest. In Antares is geen ziekenhuis, geen technische school en die ene hulppost voor 30.000 mensen heeft niet eens verband in huis als iemand gewond raakt bij een treffen. Elders worden miljoenen geïnvesteerd, in een nieuwe versie van Maracanã, in een Cidade de Musica, een vierbaansweg, straks over twee jaar de Olympische Spelen. Robert blijft er woedend om. Maar als straks Brazilië wereldkampioen wordt, zal Rio toch dansen. Tot 's ochtends. Ook in Antares.?Wie meer wil weten over de projecten van de organisatie REMER in Brazilië kan terecht op www.helpmijleven.org. Op www.favelacup.nl vindt u meer info over het voetbaltoernooi voor jongeren uit de favela's, gehouden op 1 en 8 juni in Rio de Janeiro, om aandacht te vragen voor hun situatie. DOOR PETER T'KINT IN RIO BEELD BELGAIMAGE (NIKON PRESS PHOTO AWARDS - FREDERIK BUYCKX)Een van de bekendste favela's is Cidade de Deus. Wereldberoemd sinds de film van Fernando Meirelles in 2002 de wereld schokte. En dan wordt er plots geschoten. Net zoals in de film, constateren we perplex. Tsjek tsjek tsjek: korte, droge tikken. Dit land heeft nog niks onder controle. Niet de emoties, niet de miserabele leefomstandigheden, niet de veiligheid.