Tien jaar geleden werd Jan Peeters voorzitter van de KBVB. Hij volgde Michel D'Hooghe op die altijd met vertedering had gesproken over dit ambt, maar moegestreden oogde, na een periode waarin hij soms struikelde over voorbijgestreefde structuren die hem te weinig bewegingsvrijheid gaven. Dat moest veranderen, een nieuwe dynamiek was nodig om de problemen in de vergrijsde voetbalwereld aan te pakken; clubs met schulden, allerhande cowboys die zich, verpakt als redders, in verenigingen infiltreerden en een steeds grotere macht van managers waardoor België tot een draaischijf was uitgegroeid voor de invoer van buitenlandse voetballers van inferieure kwaliteit.
...

Tien jaar geleden werd Jan Peeters voorzitter van de KBVB. Hij volgde Michel D'Hooghe op die altijd met vertedering had gesproken over dit ambt, maar moegestreden oogde, na een periode waarin hij soms struikelde over voorbijgestreefde structuren die hem te weinig bewegingsvrijheid gaven. Dat moest veranderen, een nieuwe dynamiek was nodig om de problemen in de vergrijsde voetbalwereld aan te pakken; clubs met schulden, allerhande cowboys die zich, verpakt als redders, in verenigingen infiltreerden en een steeds grotere macht van managers waardoor België tot een draaischijf was uitgegroeid voor de invoer van buitenlandse voetballers van inferieure kwaliteit. Jan Peeters leek niet echt de krachtige beleidsman toen hij de financieel kerngezonde federatie in handen kreeg. Als secretaris-generaal had hij zich vooral geprofileerd als een zalvende verzoener. Niettemin ontvouwde deze jurist dat er werk moest worden gemaakt van nieuwe structuren en het verbeteren van de jeugdopleiding. Het waren zijn topprioriteiten. Later kwam hij nog eens met hervormingsplannen waarin onder meer het idee werd geopperd om eerste klasse naar veertien clubs af te slanken. Het bleek niet meer dan een denkpiste die ieder concreet karakter miste. Peeters noemde het een intentieverklaring en benadrukte geen conclusies te trekken als zijn plannen zouden worden afgewezen. Waarmee hij iedere poging tot verandering al meteen ondermijnde. Toen Steven Martens begin mei tot CEO van de KBVB werd aangesteld, wekte dat verwachtingen. Martens trok zich terug in bezinning, verdiepte zich honderd dagen in het Belgisch voetbal en kwam afgelopen vrijdag met een rapport naar buiten. Het is in grote lijnen een gipsafdruk van datgene wat Peeters tien jaar geleden al riep. In meer bewoordingen weliswaar, met hier en daar een accentverschuiving, met meer overtuigingskracht, maar zonder verrassende conclusies. Ook de voormalige tenniscoach kwam al snel tot de vaststelling dat de logge structuren iedere poging tot verandering blokkeren. Ook hij heeft het over de nood aan nieuwe stadions, over een kwaliteitsvolle jeugdopleiding, over de bond als bruggenbouwer tussen de verschillende geledingen, over de overvloed aan buitenlanders. Hoe vaak hebben we dat al niet gehoord? Hoeveel nieuwe ideeën en initiatieven stierven in het verleden al niet een stille dood, geremd door het amateurisme en de akelige kortzichtigheid die tot in de ziel van deze federatie is ingeworteld? En is het echt wel haalbaar dat je, zoals Steven Martens wil, de rol van het Uitvoerend Comité hertekent en dat er binnen een nieuwe structuur mensen sneuvelen? Veel bestuurders zitten er voor zichzelf. En niet voor het belang van het voetbal. Hoe mooi is het bovendien om te praten over clubs die gezamenlijk naar hetzelfde doel moeten werken als die verenigingen zich voor het minste in de haren vliegen? Fraai klinkt het om te zeggen dat de Pro League, na het terugtreden van Ivan De Witte als voorzitter nog steeds een onbemand schip, professioneel moet werken, als de praktijk steeds weer bewijst dat dit niet haalbaar is omdat iedereen met zijn eigen club bezig is. Vooral die bekrompen manier van denken moet veranderen. Je kunt niet blijven praten over hervormingen. Eens moet je handelen. Steven Martens weet dat een en ander gevoelig ligt. Maar hij maakt zich sterk dat hij zijn beleidsplan kan doordrukken. Dat er een frisse wind waait doorheen het voetbal kan hem rugdekking geven. De uitstekende prestaties van Anderlecht, Club Brugge en Standard in de Europa League zorgden vorige week voor een golf van enthousiasme. Maar op hetzelfde moment legden ze een van de problemen in ons voetbal bloot: de drie clubs samen stelden amper acht Belgen op. Het staat voorlopig nog in schril contrast met de inspanningen die de topclubs qua opleiding doen. In die zin moet deze opleving dan ook juist gekaderd worden. De Europa League blijft een lauw afkooksel van de Champions League. En die is voor Belgische clubs te hoog gegrepen. Zoals RC Genk woensdag in Leverkusen ervaarde. Tegen een Duitse middenmoter die met zichzelf in de knoop ligt. DOOR JACQUES SYSJe kunt niet blijven praten. Eens moet je handelen.