Tien jaar al is Herman Vanspringel met pensioen. Hij werkte na zijn carrière in de verkoopbranche, hoewel veel praten nooit aan de Kempenaar was besteed. Althans niet in zijn periode als wielrenner. Vanspringel was wel toegankelijk, ontving journalisten bij hem thuis in Grobbendonk altijd op een heel hartelijke manier, maar zijn aangeboren bescheidenheid verhinderde dat Vanspringel met ronkende verklaringen uitpakte. Hij liet liever de pedalen spreken.
...

Tien jaar al is Herman Vanspringel met pensioen. Hij werkte na zijn carrière in de verkoopbranche, hoewel veel praten nooit aan de Kempenaar was besteed. Althans niet in zijn periode als wielrenner. Vanspringel was wel toegankelijk, ontving journalisten bij hem thuis in Grobbendonk altijd op een heel hartelijke manier, maar zijn aangeboren bescheidenheid verhinderde dat Vanspringel met ronkende verklaringen uitpakte. Hij liet liever de pedalen spreken. Op het einde van zijn loopbaan deed Herman Vanspringel tot verbazing van de pers een merkwaardige bekentenis: hij zei dat zijn naam niet in twee woorden werd geschreven, zoals iedereen tot dan dacht, maar in één woord. Van Springel werd zo plots Vanspringel. Ook dat karakteriseert zijn bescheidenheid. De Kempenaar is altijd te braaf en te gemakkelijk geweest. Hij sleepte het imago van goeie loebas met zich mee, hij bleek een gewillig slachtoffer van mensen die van hem wilden profiteren. Niet één keer stelde hij een eis toen hij contractbesprekingen voerde. Niet qua ploegmaats, niet qua programma, niet qua salaris. Vanspringel wilde altijd eerst bewijzen wat hij waard was voor hij iets kon vragen. Verbazend, als je zijn palmares overloopt. Dat geringschattend denken over zichzelf achtervolgde Vanspringel, de achtste uit een gezin van tien kinderen, heel zijn carrière. Toen hij aanbiedingen van Franse ploegen kreeg, wees hij die meteen af. Hij kon zich niet voorstellen dat hij qua uitstraling iets zou betekenen voor die teams. Nooit kwam de Grobbendonkenaar overtuigend over, te weinig geloofde hij in zichzelf. Dat had ook te maken met zijn periode bij de amateurs. Voor allerhande selecties werd hij door de wielerbond altijd over het hoofd gezien. In 1966 werd Vanspringel prof. In Milaan-Sanremo ontdekte hij voor het eerst echt zijn mogelijkheden. In de trui van Mann, de ploeg waarvoor hij zes jaar zou rijden, sprong hij weg op iets minder dan twee kilometer van de finish. De Italiaan Adriano Durante kwam hem halen. Op driehonderd meter van het spandoek probeerde Herman het nog eens, maar Eddy Merckx snelde hem nog voorbij. Drie dagen later won hij Gent-Wevelgem. Vrijwel de hele loopbaan van Herman Vanspringel werd gemarkeerd door de memorabele Ronde van Frankrijk van 1968. Een donkere periode die hem haast traumatiseerde: de gele trui verliezen in de slotetappe, de ultieme tijdrit waarin hij alleen maar kon constateren dat hij werd verslagen door Jan Janssen, zijn dichtste achtervolger in het klassement. Nochtans op zíjn terrein, in een discipline waarin hij normaal gezien superieur was. De reden ook waarom hij vooraf niet de Nederlander maar wel Ferdinand Bracke, de derde in de stand, vreesde. Met die hardrijderscapaciteiten had Vanspringel al twee keer de Landenprijs gewonnen, toen nog over een afstand van 120 kilometer. In de beruchte tijdrit in de Tour moest hij echter vaststellen dat hij onderweg niet één keer werd ingelicht over de tussentijden en dat zijn sportdirecteur François Cools achteraf vertelde dat hij nooit tot bij hem was geraakt. Uiteindelijk verloor Vanspringel de Tour met 38 seconden. Hij had de avond voor die ultieme rit een sliert contracten getekend voor criteriums. Nu werd de prijs gehalveerd. Vanspringel droeg die nederlaag heel lang mee, ook al kon hij in België rekenen op een golf van sympathie en werd hij als een winnaar onthaald. Misschien had die overwinning hem kunnen bevrijden van veel twijfel, en dan had zijn loopbaan een andere dimensie gekregen. Een onwaarschijnlijk aantal verhalen is er later over die nederlaag verteld en geschreven. Logische verklaringen, maar ook complottheorieën. Vanspringel kent ze allemaal. Helemaal uitgeklaard is het nooit. De Kempenaar zag Jan Janssen later vaak terug, ze gaan geregeld samen eten en vissen, ieder met hun eigen herinneringen. Ooit bracht een Nederlandse journalist Vanspringel zelfs met Janssen terug op de wielerbaan van Vincennes, waar het drama voor Vanspringel zich had afgespeeld en waar die minuten versuft voor zich had uitgekeken. Er werd en wordt echter niet meer over die Tour gepraat. Herman heeft zo zijn ideeën, maar het zijn gissingen en dan, vindt hij, moet je er ook niet over spreken. In dat voor hem zwarte 1968 reed Vanspringel nochtans het beste seizoen uit zijn carrière: hij had Gent-Gent gewonnen, werd tweede in Parijs-Roubaix en in het WK en zegevierde in de Ronde van Lombardije. Samen met Eddy Merckx en Franco Bitossi reed hij naar de finish. Op vier kilometer van het einde viel Vanspringel aan, speculerend op het verrassingselement. Dat was zijn specialiteit. Bovendien beschikte de Antwerpenaar over een snedige demarrage. Als hij een kloof van twintig meter had geslagen, dan zag je hem niet meer terug. Zo won hij ook Parijs-Tours, een wedstrijd die eigenlijk niet bij hem paste. Vanspringel voelde goed het moment aan waarop hij in de finale moest versnellen - puur op intuïtie. Nochtans kwam hij naar buiten uit niet altijd even slim over. Sterker zelfs: Herman werd een domme renner genoemd. Omdat hij in de Ronde van Frankrijk eens een ritoverwinning verspeelde toen hij de motoren volgde in plaats van op vierhonderd meter van de eindstreep de weg naar de piste in te slaan. Ondanks de tragiek van de Tour in 1968 werd Vanspringel elk jaar weer naar deze wedstrijd gedreven. Zijn ploegleider François Cools wist dat maar al te goed. Hij kwam voor de Tour telkens met een nieuw contractvoorstel. En hij liet Vanspringel verstaan dat hij de Tour niet zou rijden als hij niet bijtekende. Die dreigementen deden het, ook al omdat Vanspringel wist dat hij de Ronde van Frankrijk nodig had om nadien criteriums te rijden. Bovendien voelde hij zich uitstekend in de Mannploeg, een bende vrijbuiters. Voor Vanspringel was de Ronde van Frankrijk echter wel meer het toneel van drama's. Zoals in 1969 toen de Grobbendonkenaar de etappe naar Briançon won, terwijl hij op de Galibier nog steendood had gezeten. Maar toen reikte een Vlaming hem een drinkbus aan, met daarin... champagne. Vanspringel voelde zich meteen eens stuk beter, demarreerde en won. Hij durfde op training ook al eens te stoppen om twee trappisten te drinken. Vervolgens vloog hij naar huis. Vanspringel stond in die Tour van 1969 op de vijfde plaats toen hij in de afzink van een col een zware val maakte. Hij bleef vier minuten liggen, maar reed vervolgens weer beduusd naar voren. De dag erna raakte hij van de pijn niet meer uit zijn bed. Hij huilde als een klein kind, al zijn ploegmaats weenden ook. Het tekende de sfeer van vriendschap en bekommernis in de Mannploeg. De Tour niet rijden, dat was het ergste wat hem kon overkomen. Zoals in 1971, toen Vanspringel voor Molteni reed, de ploeg van Eddy Merckx. Die liet de Ronde van Italië links liggen en dus werd Vanspringel daar als kopman uitgespeeld. In een reserveploeg eindigde hij als tweede, na de Zweed Gösta Pettersson.Vervolgens stond ook de Tour op het programma. Vanspringel was Belgisch kampioen geworden en wist dat hij niet zo geschikt was om voor een kopman te werken. Het ontnam hem een zekere vrijheid van handelen. Daarom tekende hij in die periode een contract bij de nieuwe Duitse ploeg Rokado. Daar kwamen ze bij Molteni achter. Vanspringel mocht de Tour vergeten, ook Merckx kon dat niet veranderen. In die periode reed de Kempenaar vijf kermiskoersen. Hij won ze alle vijf, hij trapte de ergernis uit zijn lijf. Aan de Tour heeft Vanspringel altijd het liefst teruggedacht. Aan de ploegentijdrit waarmee hij in 1968 in Brussel de gele trui pakte. Of aan de etappe in 1973 naar Sint-Niklaas, waarin hij weer de leiderstrui veroverde in een Tour waarin hij door omstandigheden mee knokte voor het groen en dat klassement ook won. Vreemd, want Vanspringel durfde zich nooit in massaspurten te mengen, hij bengelde dan altijd achteraan in het peloton. Maar dat jaar waren er slechts drie massaspurten - zijn geluk. Het gaf hem een apart gevoel om, vijf jaar na die bittere nederlaag, in het groen op het podium te staan. Een hoogtepunt. Net zoals met die gele trui door België rijden omdat hij dan het gevoel had dat het hele land achter hem stond. Herman Vanspringel reed in zijn carrière 35 rittenkoersen. Slechts twee keer gaf hij op. Het tekent zijn beroepsernst. Vaak was hij een eenzame fietser, een onvervalste hardrijder. Die kwaliteiten dreven boven in Bordeaux-Parijs, de marathonwedstrijd over zeshonderd kilometer die de Kempenaar zeven keer op zijn palmares schreef en waarin de renners, met vertrek in de prille ochtenduren, echt in de huid van dwangarbeiders van de weg traden. Bordeaux-Parijs was voor Vanspringel op maat geknipt. Hij bezat het uithoudingsvermogen om uren aan een stuk te rijden. De koers zelf vond hij nooit een probleem. Wel de voorbereiding waarin hij vaak tussen de 400 en 450 kilometer moest trainen. In de race kwam het er vooral op aan bij elke aanval de nodige reserves in te bouwen. En om een twee-eenheid te vormen met je gangmaker. Wat dat betreft verspeelde Monsieur Bordeaux-Paris nog enkele overwinningen. In 1967 bijvoorbeeld, toen zijn gangmaker verblind door de regen in volle achtervolging op een vluchter pardoes een boerenerf opreed en Vanspringel tweede werd. Bordeaux-Parijs liet hem ook toe zijn loopbaan tot zijn 38e te rekken. Hij won die koers op die leeftijd voor de zevende keer. Nadat er voordien meewarig werd gedaan over zijn kansen. Als je Vanspringel op de ziel trapte, dan steeg hij boven zichzelf uit. Daarom beschouwt hij zijn overwinning in de koppeltijdrit Trofeo Baracchi in 1969 als de mooiste uit zijn carrière. Herman vormde er een duo met de Italiaanse belofte Davide Boifava. Op kosten van diens sponsor kon hij zich veertien dagen op die wedstrijd voorbereiden. Maar twee dagen voor de koers kreeg Vanspringel te horen dat Eddy Merckx met Boifava moest rijden omdat Roger Swerts, de ploegmaat van de Brusselaar, ziek was geworden. Joaquim Agostinho werd uit vakantie teruggeroepen om met Vanspringel te starten. Die was zo geprikkeld dat hij met de Portugees iedereen naar huis fietste. Gimondi- Adorni en Merckx-Boifava eindigden op meer dan drie minuten. Als je Vanspringel kwetste, dan was hij niet te temmen. Er moest echter al heel veel gebeuren voor je hem zo ver kreeg. Herman Vanspringel verdween na zijn carrière uit het wielermilieu. Hij genoot van de luwte die hij eigenlijk ook tijdens zijn rennersbestaan had gezocht. Hij besefte dat hij financieel te weinig uit zijn loopbaan had gehaald en dat het dus onmogelijk was om te rentenieren. Vanspringel moest op zoek naar werk en koos heel bewust voor een job buiten het peloton. Hij werd eerst vertegenwoordiger in de horeca, daarna in de publiciteit, wierf vervolgens advertenties voor een tekenbureau en belandde uiteindelijk in de immobiliënsector. Tot aan zijn pensioen was het telkens weer vechten om de cijfers te halen. En dat na zestien jaar afzien. Intussen is er al een hele tijd een wielerwedstrijd naar hem genoemd. De Herman Vanspringels Diamonds is een topcompetitie voor jonge wielrenners. De koers werd in april jl. voor de 27e keer georganiseerd. Herman Vanspringel werd toen gehuldigd. Vijftig jaar na de wrange Tour en een paar maanden voor hij 75 werd. En toen de Tour in 2011 door het land reed, werd hij ereburger van Grobbendonk. Een mooi eerbetoon, al hoefde dat voor Vanspringel niet per se. Net zoals de biografie die over hem verscheen, twintig jaar na het einde van zijn sportieve loopbaan, voor hem geen noodzaak was. Op zulke momenten bedacht Vanspringel dat hij toch iets moet hebben gepresteerd. 'De winnende verliezer', heette dat boek en dat is meer dan kenmerkend. Als Vanspringel verloor, was dat met pathos, dan had het publiek bij wijze van spreken evenveel pijn als hij. En als Herman won, gebeurde dat op een heel aandoenlijke manier, dan gunde iedereen hem van harte die zege. Zo blijft Vanspringel een speciaal figuur in de geschiedenis van de Belgische wielersport. Een minzame renner met een stille ambitie, een man gevormd uit hard graniet. Dat één enkele nederlaag zijn eeuwig lot zal zijn, past bij een carrière vol tegenstrijdigheden.