Een gouden tip voor wie een thuiswedstrijd van Juventus bijwoont in het stadion, sinds 2017 omgedoopt tot Allianz Arena: neem oordopjes mee.
...

Een gouden tip voor wie een thuiswedstrijd van Juventus bijwoont in het stadion, sinds 2017 omgedoopt tot Allianz Arena: neem oordopjes mee. Het is nog zo'n stadion waar je bij het binnenkomen een wow-gevoel krijgt. Bij de bouw is in de eerste plaats rekening gehouden met het comfort en de beleving van de toeschouwer. De tribunes beginnen op amper 7,5 meter van het veld, waardoor je pal met je neus op Cristiano Ronaldo en co zit. Sinds de opening op 8 september 2011 loopt het stadion bijna altijd vol. De eerste zes jaar waren 99 van de 114 wedstrijden in de Serie A uitverkocht. Bewust koos men voor een beperkte capaciteit, met 'amper' 41.000 plaatsen. Beter een klein en uitverkocht sfeervol stadion dan een half gevuld en sfeerloos gebeuren, was de conclusie na de wrange herinnering aan het vorige stadion, dat op dezelfde plaats stond. Het Stadio delle Alpi was, gebouwd met het oog op het WK'90, de nieuwe thuishaven geweest van Juventus en Torino van 1990 tot 2006. Tot dan bespeelden ze het Stadio Communale, in 1932 opgericht onder de naam Stadio Benito Mussolini. Dat Stadio Communale werd met het oog op de Olympische Winterspelen van 2006 verbouwd en fungeerde daarna als nieuwe thuis van beide voetbalclubs. Torino speelt er nog, Juventus verbleef er in afwachting van de nieuwe arena. Het Stadio delle Alpi was een koud, lomp en veel te groot en te duur stadion met 69.000 plaatsen, waar zelfs in het laatste succesvolle jaar gemiddeld slechts 30.600 kijkers opdaagden. Een veraf gelegen tochtgat met een zelden gebruikte atletiekpiste, waardoor de spelers op het veld kleine pionnetjes waren, zonder verrekijker nauwelijks te herkennen. Een voetbalstadion verfoeid door vriend en vijand. 'In Delle Alpi zie je niets en het is er altijd als op verplaatsing spelen', sakkerde de mythische clubleider Gianni Agnelli, bijgenaamd l'Avvocato, in de jaren 90. Vandaag heeft Juventus zijn eigen stadion, waar het als eerste Italiaanse topclub ook zelf alle inkomsten mag van houden. Er staat een echte voetbaltempel, te midden van een commercieel dorp. Het is een aangename ontmoetingsplaats geworden waar fans uit gans Italië en heel Europa lang van tevoren een plek zoeken op de 4000 plaatsen tellende parking, om daarna door het enorme winkelcomplex te kuieren, samen een glas te drinken, een hapje te eten in een van de 31 bars en restaurants, of het voetbalmuseum van de club te bezoeken.Toen clubvoorzitter Andrea Agnelli het programma voor de openingsavond uittekende, koos hij niet voor een prestigieuze tegenstander genre Barcelona of Manchester United, maar voor de toenmalige nummer twaalf uit de Engelse derde klasse: Notts County, gesticht in 1866 en de oudste profclub ter wereld. Andrea Agnelli kent het verhaal dat zijn club bij de stichting in 1897 voor roze shirts en zwarte dassen en broeken koos omdat dat toen de goedkoopste uitrustingen waren. Hij wist ook dat zes jaar later na intensief gebruik en vele wasbeurten die uitrustingen helemaal verbleekt waren. Waarop aan een Engelse speler van Juventus, Gordon Savage, een spits die amper scoorde, de vraag werd gericht of die niet een set nieuwe truitjes kon bestellen in zijn geboortestad Nottingham. Maar wanneer de kist met nieuwe uitrustingen arriveert, zijn de clubleden stomverbaasd wanneer ze de zwart-en-witgestreepte uitrustingen van Notts County zien. Moet Juventus dan de clubkleuren veranderen? Ja, want zelf hebben ze geen geld, en het zijn prachtige uitrustingen. Puur per toeval dus dat Juve vanaf 1903 in het zwart en wit van Notts County speelt. Wanneer de studenten van het lyceum Massimo d'Azeglio, allemaal tussen vijftien en zeventien jaar, in 1897 een nieuwe sportclub oprichten, zondigen ze tegen het Latijn én het moderne Italiaans. Juventus zal de club heten, zo beslissen ze op een bank voor de school. In het Latijn was dat iuventus geweest, in het Italiaans gioventu. Het is een zeldzame voetbalnaam die niet gelinkt is aan een stad of regio. Wanneer later enkele leden zich afscheuren en een nieuwe club oprichten, FC Torino, kiezen ze duidelijk voor de naam van de stad. Het maakt dat tot ver na WO II Torino de club van de arbeidersklasse uit Turijn blijft, waar op de tribunes het lokale dialect uit Piëmont wordt gesproken, terwijl Juventus zich zonder verwijzing naar de stad zal ontwikkelen tot La Fidanzata d'Italia, de verloofde van Italië. Geliefd door velen, gehaat door anderen. Een tussenweg is er niet. Wanneer Juventus in 1897 gesticht wordt, is Turijn niet langer de eerste hoofdstad van het ééngemaakte Italiaanse koninkrijk die het van 1861 tot 1865 was. De administratie en de machthebbers zijn verhuisd naar Rome en het aantal inwoners slinkt, waardoor het opnieuw 'het grote dorp aan de voet van de Alpen' dreigt te worden, zoals Napoleon Turijn denigrerend omschreef. In 1884 telt het nog amper 165.000 inwoners, maar door de industrialisatie bij de eeuwwisseling zijn het er in 1914 al 440.000. Begin de jaren 60 wonen er al één miljoen, bijna tien keer meer dan 80 jaar daarvoor. Er komen textielbedrijven, chemie, fabrieken van zoetigheden en van drank. Op 11 juli 1899 sticht de plaatselijke grootgrondbezitter Giovanni Agnelli de Fabbrica Italiana Automobile Torino, afgekort FIAT. Hij heeft niets met voetbal, tot op een dag in 1923 een bestuurslid van Juventus naar hem thuis fietst, Sandro Zambelli. Of er geen mogelijkheid is om een meer aangepast werkschema te krijgen voor een van de werknemers van FIAT, linkshalf Antonio Bruno? Dat kan. Misschien is het voorzitterschap iets voor de familie, suggereert Zambelli bij een volgend gesprek. Giovanni Agnelli denkt aan zijn zoon Edoardo. Op 24 juli 1923 nemen de Agnelli's de club over. 'Ik hoop dat ik u niet ontgoochel. Het is niet mijn bedoeling die functie gewoon als een eretitel te dragen', bedankt Agnelli Jr. Het zijn profetische woorden. Prompt koopt Edoardo de topspeler van die tijd bij topclub Pro Vercelli weg. Virginio Rosetta kost 35.000 lire, het wordt de eerste betaalde transfer in Italië. De nieuwe voorzitter zorgt dat de spelers dagelijks kunnen trainen en een proftrainer krijgen. Gevolg? Drie jaar na de machtsovername viert Juventus zijn tweede landstitel, de eerste onder de Agnelli's. Omdat succes naar meer smaakt, haalt Edoardo drie vedetten uit Argentinië. Zo wordt in 1928 de beste linksbuiten ter wereld, Raimundo 'Mumo' Orsi, voor de recordsom van 100.000 lire gekocht. 8000 lire per maand is zijn loon, acht keer zoveel als een rechter verdient en twintig keer het maandloon van een leraar. Met de drie Argentijnen wint Juventus vijf titels op rij, van 1931 tot 1935. Het zal tot dit decennium duren eer Juve dat kunstje overdoet, onder leiding van achtereenvolgens Antonio Conte en Massimiliano Allegri. Kort na de zesde landstitel in 1935 komt Edoardo bij een vliegtuigongeluk om het leven. Hij laat zeven kinderen na, van wie er twee de geschiedenis van Juventus tot de eeuwwisseling verder zullen begeleiden. Tot 1994 zullen Gianni Agnelli en zijn dertien jaar jongere broer Umberto de club persoonlijk naar nieuwe successen voeren. Na WO II profiteert FIAT van het geld dat het Amerikaanse Marshallplan voor de economische heropbouw van West-Europa voorziet. Ten zuiden van Turijn wordt de werkstad Lingotto opgetrokken, één grote fabriek. Dat er werk is in Turijn, lokt de arme bewoners van het zuiden, de Mezzogiorno, maar die worden in hun nieuwe verblijfplaats niet meteen aanvaard door de echte Piëmontezen. Het enige wat hen bij hun integratie helpt, is Juventus, de club zonder stadsnaam. Zo wordt Juventus voor hen de Italiaanse versie van de American Dream, die hen toelaat sociaal opwaarts te gaan en een nieuwe identiteit te verwerven, zegt Gianni Agnelli in een uitgebreid interview in de jaren 90: 'Niet de naam te dragen van de stad garandeert een club een grotere populariteit, omdat het je een nationale markt geeft. Voor Turijn was Juventus belangrijk, maar voor de mensen in de Mezzogiorno was hun droom om ooit Juventus te zien spelen.' Dat Juventus snel de geliefde wordt van half Italië, en niet alleen een club met aanhang in de regio, blijkt uit de cijfers. In 1966 had het 109 supportersclubs in het Lombardije van de twee Milanese clubs, tegenover 52 in de Veneto en slechts 46 in het eigen Piëmont. In 2016/17 waren van de 419 Italiaanse Juve-supportersclub er 51 uit Lombardije en 41 uit Piëmont. Dat jaar gaf net geen 30 procent van de Italianen die zichzelf als voetballiefhebber omschreven, aan supporter te zijn van Juventus. Voor de nieuwkomers uit het zuiden valt er gauw wat te zien. In 1947 neemt l'Avvocato Gianni Agnelli de clubleiding over, in 1955 geeft hij de fakkel door aan zijn meer ernstige broer Umberto, bijgenaamd il Dottore. Gianni is een playboy en levensgenieter die het geld dat via het bedrijf binnenstroomt graag uitgeeft aan mooie dingen. Dat kan een schilderij van Matisse zijn, of een voetballer als Michel Platini. Wanneer hij Platini in een interland Frankrijk-Italië live aan het werk ziet, is het liefde op het eerste gezicht. Op een dag vraagt iemand aan l'Avvocato wat hem gelukkig maakt. 'Platini tien minuten zien voetballen', is het eerlijke antwoord. 'We hebben hem indertijd voor de prijs van een stuk stokbrood gekocht en hij heeft daar foie gras op gelegd', merkt hij op een dag op. De nieuwe succesgolf onder de Agnelli's vangt begin jaren 50 aan met een mythische voorhoede. Opnieuw komt een toptalent uit Argentinië. Umberto Agnelli haalt in 1957 Omar Sívori, voor wie hij de toenmalige recordsom van 180 miljoen lire betaalt, persoonlijk op in Milaan en voert hem in een ijltempo in zijn sportwagen naar Turijn. 'Ik heb twee jaar op u gewacht', zegt Umberto. 'Ik vijf jaar op u', repliceert de spits. Met het aanvalstrio Omar Sívori, John Charles en Giampiero Boniperti speelt Juve alles kapot. De Agnelli's staan dicht bij hun helden. Ze vergezellen de spelers in de trein op verplaatsing, eten en grappen met hen. De toppers weten dat l'Avvocato de maandagochtend wel eens de telefoon neemt om zijn favoriete speler uit te horen over alle details van de wedstrijd van de dag voordien. Niemand waagt het de telefoon gewoon te laten rinkelen. In 1995 nemen de Agnelli's gas terug. De 42 procent aandelen die FIAT in de club had, wordt overgeheveld naar de familieholding IFI. Het gaat slechter met de economie, al strooit in het voetbal Silvio Berlusconi met geld. De Agnelli's passen. 'Iemand navolgen is altijd verkeerd', zegt Umberto. Je kunt toch niet massaal mensen ontslaan en tegelijk miljarden lire uitgeven aan topspelers? De familie beleeft tragedies. Zowel Gianni als Umberto zien rond de eeuwwisseling een zoon jong sterven, kort daarna overlijden ze allebei kort na elkaar, de ene in 2003, de andere in 2004. De mensen die de sleutels van de club in handen krijgen in die moeilijke periode, de Triade, zoals het trio Roberto Bettega, Antonio Giraudo en Luciano Moggi genoemd wordt, ziet het groots. Zij voeren Juventus rond de eeuwwisseling opnieuw naar de top, maar in 2006 blijkt dat ze de zaken iets te zeer naar hun hand hebben gezet, tot wedstrijdbeïnvloeding en normvervaging toe. Het kost Juventus niet alleen zijn laatste twee titels, uit 2005 en 2006, het moet als straf ook voor het eerst in zijn bestaan naar tweede klasse. Veel topspelers vertrekken, maar Alessandro Del Piero, Mauro Camoranesi, Gianluigi Buffon en de Franse topschutter David Trezeguet blijven. Oud-speler Didier Deschamps wordt trainer. In plaats van AC Milan, Inter en AS Roma bekampt de Oude Dame in 2006/07 Rimini en La Spezia. Al na één seizoen keert Juve terug naar de elite, maar economisch kraakt de club onder de schuldenlast. Half maart 2007 beslist de familie Agnelli om weer te investeren. Met 105 miljoen euro extra kunnen alvast de 80 miljoen schulden weggewerkt worden en is er opnieuw ruimte om spelers aan te trekken. Juventus wordt weer de familieclub die het tevoren was. Hoezeer Juventus een familieclub is gebleven, blijkt nog het meest bij de jaarlijkse eerste oefenwedstrijd. Die wordt al decennialang traditioneel afgewerkt op het landgoed dat de Agnelli's sinds 1811 bezitten in Villar Perosa, een klein dorpje met 4000 inwoners op 40 kilometer van Turijn. Elk jaar in augustus zijn hier de spelers en fans te gast voor het allereerste wedstrijdje tussen Juventus A en de Primavera, de beloftenploeg. In het stadionnetje van het dorp zijn in 2018 4200 kaarten verkocht en wordt de orde gehandhaafd door 600 veiligheidsagenten en stewards. Dat komt ervan als je net Cristiano Ronaldo hebt gekocht. Die kijkt zijn ogen uit bij het gebeuren, dat meer weg heeft van een gezellig familiebanket, met drank, eten en informele gesprekken, dan van een heuse voetbalwedstrijd. Op Villar Perosa is de gastheer de laatste jaren opnieuw een echte Agnelli, de vierde al in de clubgeschiedenis, na Edoardo, Gianni en Umberto. In 2010 vindt de familie het tijd om zich opnieuw persoonlijk om de voetbalclub te bekommeren. Wanneer Andrea in mei 2010 de nieuwe voorzitter wordt, is hij 34 jaar, 12 jaar ouder dan toen zijn vader Umberto voorzitter werd. Het begin is moeilijk, met twee zevende plaatsen en een financieel tekort van 96 miljoen euro. Maar wanneer oud-speler Antonio Conte als trainer binnenstapt, jaagt hij iedereen op om het beste uit zichzelf te halen, en liefst nog meer. Zijn opvolger Allegri trekt die succesvolle lijn door, op een meer rustige manier. Het gevolg is dat Andrea met acht opeenvolgende titels de meest succesvolle Agnelli ooit is aan het hoofd van de geliefde club. In totaal veertien trofeeën zijn in die tijd in het clubmuseum bijgezet: acht opeenvolgende titels, vier bekers en drie supercups. In het Turijn van de 21e eeuw is FIAT kleiner geworden, en Juventus groter. De top van FIAT is naar Amsterdam en Londen verhuisd. Als eerste grote Italiaanse club is Juventus volledig eigenaar van zijn stadion en krijgt het extra te besteden middelen, waarmee het jaar na jaar verder uitloopt op de concurrentie. Toen de oom en vader van Andrea de club in handen namen, werkten bij Juventus acht personen, die zich bijna uitsluitend om de ploeg bekommerden. In 2017 is dat 400 man, spelers en technische staf inbegrepen. In 2010 bedroeg de omzet van Juventus 156 miljoen euro. Vorig seizoen was dat al meer dan verdubbeld, naar 411 miljoen. Daarmee staat het in de Europese financiële ranking slechts elfde, maar in eigen land is het lichtjaren vooruit op de anderen. Het doel is om tegen 2024 een omzet te hebben van meer dan 500 miljoen euro en de concurrentie met de wereldtop aan te gaan. In november 2017 opent Andrea trots een tentoonstelling in het Juventus Museum: Black & White Times, over 120 jaar Juventus. Van die 120 jaar waren er op dat moment 94 onder leiding van de Agnelli's doorgebracht. 'Daarmee zijn we de langst aanwezige eigenaars in om het even welke sportclub of sporttak ter wereld', glundert hij. Op de vraag van wie Juventus bang is, antwoordde Agnelli's neef, John Elkan: 'Juventus is niet bang. Het is goed om sterke concurrenten te hebben die je voortstuwen. Hoe sterker de anderen zijn, hoe beter Juventus wordt.' Waar het hem om gaat, legt Andrea nog eens uit in 2017 op een ontmoeting met de vereniging van Italiaanse parlementariërs: 'Voor Juventus telt maar één resultaat: de overwinning. Ik zeg dat niet omdat we arrogant zijn, maar omdat het onze gerechtvaardigde ambitie is. Wij doen aan competitie om te winnen, maar het verschil wordt gemaakt door mensen. In groep maak je het verschil, als je een hecht team vormt.' Op zijn bureau staat een foto waar hij als zesjarige aan de rand van het voetbalveld tijdens een training van zijn vader Umberto een bal krijgt. Na de training mag hij met de spelers lunchen. Op de vraag naast wie hij wil zitten, antwoordt hij: Paolo Rossi, de held van het WK'82. Ook al is hij als kind opgeroeid aan de rand van het veld, sentimenteel kan men Andrea Agnelli niet noemen. Wanneer publiekslieveling Alessandro Del Piero, de man die ook in tweede klasse de club trouw bleef, niet meer rendeert, wordt zijn contract in 2012 niet vernieuwd, al had Del Piero de wens uitgedrukt om nog te blijven. En wanneer succestrainer Antonio Conte, die toch drie jaar na elkaar kampioen is geworden, extra geld voor versterking eist, mag hij beschikken. Eind vorig jaar werd ook Giuseppe Marotta, de man die Andrea bij zijn komst in 2010 binnenhaalde om de sportieve wederopbouw te doen, bedankt voor bewezen diensten. Nochtans is hij de man die de eerste jaren uitstekende spelers gratis naar Turijn haalde: Andrea Pirlo, Paul Pogba, Sami Khedira en Dani Alves. Tot 2014 haalde Juventus niemand die meer dan 20 miljoen koste. Sindsdien koopt het, net als de andere Europese topclubs, van jaar tot jaar duurder in, van Paulo Dybala (40 miljoen in de zomer van 2015) over Gonzalo Higuaín (90 miljoen) tot Cristiano Ronaldo afgelopen zomer (117 miljoen). In het mondaine leven laat Andrea Agnelli zich zelden zien. 'Grappig ben ik wanneer ik onder vrienden ben', zegt hij. Maar wanneer Juventus scoort, springt hij juichend op en omarmt hij de dame die naast hem zit. Dona Allegra Caracciolo springt op zulke momenten ook recht. Zij is Andrea's moeder, weduwe van ex-voorzitter Umberto. Andrea is de baas van Juventus, zij is de ziel van de club.