Tussen half augustus en half september nam Zamante de enquête online af bij 945 voetballers. Met dat aantal respondenten is de rondvraag grootschalig te noemen. Van dat totaal is het overgrote deel Nederlandstalig (88,8 procent) en mannelijk (97,8 procent). De meeste respondenten (61,6 procent) zijn tussen twintig en dertig jaar. Maar het meest opvallende aspect van de enquête is dat ze werd afgenomen in alle geledingen van het Belgische voetbal: van eerste klasse tot vierde provinciale. Daarbij is de verhouding doelman (12,4 procent) - verdediger (29,3 procent) - middenvelder (34,9 procent) - aanvaller (23,4 procent) ook mooi gerespecteerd. De enquêteurs zorgden er ook voor dat voetballers uit de negen provincies van het land de vragen voorgeschoteld kregen. De meeste respondenten zijn wel actief in de provinciale afdelingen (82,5 procent), slechts drie procent komt uit de Jupiler Pro League.
...

Tussen half augustus en half september nam Zamante de enquête online af bij 945 voetballers. Met dat aantal respondenten is de rondvraag grootschalig te noemen. Van dat totaal is het overgrote deel Nederlandstalig (88,8 procent) en mannelijk (97,8 procent). De meeste respondenten (61,6 procent) zijn tussen twintig en dertig jaar. Maar het meest opvallende aspect van de enquête is dat ze werd afgenomen in alle geledingen van het Belgische voetbal: van eerste klasse tot vierde provinciale. Daarbij is de verhouding doelman (12,4 procent) - verdediger (29,3 procent) - middenvelder (34,9 procent) - aanvaller (23,4 procent) ook mooi gerespecteerd. De enquêteurs zorgden er ook voor dat voetballers uit de negen provincies van het land de vragen voorgeschoteld kregen. De meeste respondenten zijn wel actief in de provinciale afdelingen (82,5 procent), slechts drie procent komt uit de Jupiler Pro League. Bijna zestig procent van de respondenten kan omschreven worden als een vaste waarde in het eerste elftal van zijn ploeg: 38,2 procent is titularis en 21,3 procent staat meestal in de basis. Bovendien speelt 63,8 procent al meer dan vier seizoenen in 'een' eerste elftal. Kortom, het aantal jeugdspelers, beloften/reserven en bankzitters dat de vragenlijst invulde, is beperkt, maar daarom niet verwaarloosbaar. Dat alles maakt dat de enquête zeer representatief is voor wat er leeft op de Belgische velden - vooral dan in de provinciale afdelingen - en dat er in dat opzicht rekening gehouden moet worden met deze resultaten. Hier en daar komen er ook frappante verschillen tussen Nederlandstalige en Franstalige respondenten aan het licht. Het lage aantal Franstalige voetballers - 106 of 11,2 procent - dat de enquête invulde, nuanceert die verschillen enigszins, maar ze zijn toch het meegeven waard. Uit de enquête blijkt dat de meeste voetballers vrij dicht bij hun club wonen: een goeie 77 procent woont op minder dan 15 kilometer. Bijna de helft van de Nederlandstalige voetballers (44,6 procent) moet zelfs niet meer dan 5 kilometer afleggen. Bij de Franstalige voetballers is de nabijheid van de club blijkbaar toch iets minder van belang: nog wel 25,5 procent woont op minder dan 5 kilometer, maar 16 procent overbrugt meer dan 30 kilometer. Nog een vaststelling: spelers in provinciale wonen in het algemeen dichter bij hun club dan spelers uit nationale afdelingen. De meeste voetballers (81,7 procent) geven ook aan dat ze er niet langer dan een halfuur over willen doen om naar de club te rijden. Met die kanttekening dat bijna de helft van de spelers uit nationale (46,6 procent) wél bereid is om langer dan een halfuur onderweg te zijn, in provinciale afdelingen is dat maar 12,3 procent. Een derde van de Nederlandstalige spelers (33,1 procent) speelt nu nog bij de club waar hij zijn jeugdopleiding genoot, bij de Franstalige respondenten is dat maar een op zeven (15,1 procent). In de enquête wordt ook de vraag gesteld of een speler van zichzelf vindt dat hij op het juiste niveau speelt. Bijna een derde (32,5 procent) van de respondenten vindt dat hij zeker een hoger niveau aankan. Voor veel voetballers (34 procent) is dat ook blijkbaar het hoofddoel van hun carrière: op een zo hoog mogelijk niveau spelen. Die ambitie is wel geprononceerder in nationale (56,6 procent) dan in provinciale (29,1 procent). Opvallend is dat een goeie 20 procent van de spelers ook aangeeft dat hun hoofddoel zich bevindt in... de derde helft, hoewel de Franstaligen met slechts 11,3 procent iets minder belang hechten aan het spreekwoordelijke "pintje na de match". En is geld dan geen motivatie? We horen het u al denken in deze tijden van economische malaise. Verrassend genoeg staat 'geld verdienen' pas op de vierde plaats als hoofddoel van een carrière: na 'prestige', 'de derde helft' en 'in conditie blijven'. Dat geld niet zo'n belangrijke drijfveer is, blijkt ook wanneer de vraag gesteld wordt: zou je voetbal spelen als er geen geld te verdienen was? Daarop antwoordt een overweldigende meerderheid van 96 procent: ja. Heb je in het afgelopen seizoen een aanbieding gehad van een andere club? 63,6 procent van de respondenten zegt van wel. Bij een goeie veertig procent trokken zelfs meerdere clubs aan de mouw van de speler. Een op vier van de voetballers die een aanbod kregen, zijn er ook op ingegaan. De hoofdreden waarom een speler een aanbod naast zich neerlegde, verschilt volgens het landsgedeelte: 20,5 procent van de Nederlandstaligen ging gewoonweg niet met de andere club praten, terwijl 21,5 procent van de Franstaligen het voorgestelde contract te laag vond (tegenover slechts 8,6 procent van de Nederlandstaligen). Beide taalgroepen zijn het er wel over eens dat ze niet weggaan bij een club tenzij ze zich financieel verbeteren. Overigens geeft meer dan de helft (54,3 procent) van de respondenten aan dat hij al langer dan twee seizoenen bij dezelfde club speelt. De enquêteurs peilden ook naar wat spelers belangrijk vinden bij een club. Zowel spelers uit nationale als die uit provinciale zetten volgende aspecten boven aan hun lijstje: de staat van het hoofdveld, de kwaliteit van de trainingen en het kennisniveau van de trainer. Bijna een op drie van de respondenten (29 procent) zegt geen geld te verdienen met voetballen. Opvallend: bij de Franstalige voetballers ligt het percentage van 'nulverdieners' veel hoger (40,6 procent) dan bij de Nederlandstalige (27,5 procent). Een goeie 60 procent verdient hetzelfde of meer dan vorig seizoen, een op de tien voetballers moet het met minder stellen. Gemiddeld een op de vier voetballers (26,5 procent) beweert een vast bedrag per maand te krijgen, hoewel dat percentage bij de Franstalige respondenten veel hoger ligt (42,9 procent). Bij die laatsten lijkt het premiesysteem dan weer minder in zwang dan bij Nederlandstalige voetballers: 92,9 procent ontvangt een premie bij winst (tegenover 74,6 procent bij de Franstaligen) en 77 procent bij een gelijkspel (tegenover 61,9 procent). Zelfs verliezen is soms zelfs winstgevend, want een op de vier voetballers (27,4 procent) geeft aan een verliespremie te krijgen! Andere manieren om spelers te betalen zijn vervoersonkosten (23,2 procent), trainingsgeld (11,5 procent) en tekengeld (10,9 procent). Rijk worden de meeste voetballers overigens niet van hun carrière, want een goeie 70 procent verdient niet meer dan 500 euro per maand; bij 22 procent is dat zelfs minder dan 100 euro. Tot de happy few die meer dan 1000 euro per maand binnenrijven, mag maar een goeie tien procent van de spelers zich rekenen. En die zijn dan uiteraard nog veelal te vinden in de nationale afdelingen. Daar schrijft 33,9 procent - een op de drie dus - op het einde van de maand meer dan 1000 euro bij op zijn bankrekening, terwijl dat in provinciale 'maar' 8 procent is. En een probleem dat soms zelfs opduikt in eerste klasse, vinden we ook terug in de lagere afdelingen: de laattijdige betaling van spelers. Gemiddeld 58 procent zegt dat hij vorig seizoen steevast op tijd betaald werd. Bij de Franstalige respondenten ligt dat cijfer met 31,7 procent wel drastisch lager. Gemiddeld een op de vijf spelers (21,8 procent) kreeg zijn geld "meestal op tijd, soms te laat", een op twaalf (7,8 procent) kreeg het "soms op tijd, meestal te laat" en een op tien (10,4 procent) kreeg het "altijd te laat". In die laatste categorie ligt het percentage bij de Franstaligen met 19 procent gevoelig hoger. Dat zijn niet bepaald cijfers waar je vrolijk van wordt. En het wordt nog erger als de enquête dieper ingaat op de problematiek. Dan blijkt dat een op de vier voetballers (27 procent) het ooit al heeft meegemaakt dat hij zijn geld niet meer heeft gekregen. En van diegenen die het te laat ontvingen, geeft een derde (32,6 procent) aan dat hij meer dan een maand op zijn vergoeding heeft moeten wachten. In de enquête worden ook concrete vragen gesteld over het vervalsen van wedstrijden. Het gaat dan om het geven/krijgen van een aanmoedigingspremie of van een premie om je te laten verliezen. Omkoping dus, of om het met een moderne term te zeggen: matchfixing. Dat levert schokkende resultaten op. Ongeveer een zesde van de respondenten (137 spelers van de 945) geeft aan dat ze ooit al in contact gekomen zijn met omkoping of vervalsing. In de provinciale afdelingen is dat percentage iets hoger (15,4 procent) dan in de nationale reeksen (10,2 procent). Een op vier van de voetballers die benaderd werden om een wedstrijd te vervalsen, ging daar ook effectief op in. 32 voetballers (23,4 procent) geven aan dat heel de ploeg benaderd werd en akkoord ging met de omkoping; 6 spelers (4,4 procent) beweren individueel aangesproken te zijn en geen 'nee' gezegd te hebben. Bovendien zegt 34,5 procent van alle respondenten spelers of trainers te kennen die ooit benaderd geweest zijn om een wedstrijd te vervalsen. Dat is meer dan een derde. ?DOOR STEVE VAN HERPE - BEELD: JURGEN VANTOMMESpelers uit provinciale wonen dichter bij hun club dan die uit nationale. 40 procent van de voetballers werd vorig seizoen niet tijdig betaald. Een op de vier van de benaderde spelers vervalste ook de wedstrijd.