We schrijven 1994. Fernand Beeckman, die in de roemrijke seventies bij Anderlecht de toverbenen van Robbie Rensenbrink mocht masseren, heeft de massagetafels geruild voor het jeugdsecretariaat van Sporting in de schaduw van het Koning Boudewijnstadion. Voor 'de grote snor', zoals zijn bijnaam luidde, is het een dag als een ander, tot er een man de deur openzwaait en kordaat uitroept: 'Dag meneer! Ik kom mijn zoon inschrijven.'
...

We schrijven 1994. Fernand Beeckman, die in de roemrijke seventies bij Anderlecht de toverbenen van Robbie Rensenbrink mocht masseren, heeft de massagetafels geruild voor het jeugdsecretariaat van Sporting in de schaduw van het Koning Boudewijnstadion. Voor 'de grote snor', zoals zijn bijnaam luidde, is het een dag als een ander, tot er een man de deur openzwaait en kordaat uitroept: 'Dag meneer! Ik kom mijn zoon inschrijven.' Bij paars-wit geloven ze hun oren niet als Abdellatif Fellaini vertelt dat de jonge Marouane naast hem nauwelijks zeven is. Zo groot is hij al. En ze antwoorden dat hij al te oud is om te beginnen voetballen bij het meest prestigieuze voetbalinstituut van het land. Maar Abdellatif houdt voet bij stuk en zijn zoon mag uiteindelijk een test afleggen. Vader en zoon worden naar het kunstveld gestuurd op enkele meter van het indrukwekkende nationale stadion. Het vervolg vertelt papa Fellaini zelf, als een refrein dat hij al ettelijke keren gezongen heeft: 'Ze haalden er de vaste doelman bij en Marouane mocht op doel schieten. Vanaf de rechthoek trapte hij eerst met zijn rechter, dan met zijn linker. De doelman was een Vlaming. Dat weet ik omdat zijn mama heel de tijd naar hem stond te roepen. Hij pakte geen bal. De trainer kon zijn ogen niet geloven. Hij kon er niet bij dat mijn zoon nog nooit bij een club had gespeeld.' De veldjes waar Fellaini tijdens zijn eerste zes levensjaren op speelde, waren nochtans allesbehalve conventioneel. Zijn vader nam hem mee onder het Atomium, dicht bij de Koningswijk waar dit gezin van Marokkaanse immigranten woonde, om urenlang met de bal te spelen. En vanzelfsprekend is het Abdellatif, voormalig doelman van Raja Casablanca die om administratieve redenen zijn profcarrière in België nooit kon verderzetten, die in het doel staat. Niet dat Marouane niet graag keeper speelt - zijn vader ontwaart bij hem ook al heel vroeg de aangeboren kwaliteiten voor een eventuele carrière tussen de palen - maar Abdellatif weet te goed hoe eenzaam het is als doelman. Vooral wil hij zijn zoon alle kansen geven om waar te maken wat hem zelf niet gelukt is. Op het terrein is er maar plaats voor één doelman, tegenover tien veldspelers. Abdellatif, bus- en tramchauffeur bij de MIVB, waar hij 'Tifo' wordt genoemd, is natuurlijk de eerste supporter van zijn zoon. Marouane haalt bij Sporting in provinciale meteen verwoestend uit. 'Het eerste jaar maakte hij 26 goals, het tweede 37', herinnert zijn vader zich, die benadrukt dat Marouane die aantallen 'als verdedigende middenvelder' liet noteren. De omkadering van Anderlecht echter deelt het enthousiasme van de papa niet. Paul Schraepen, destijds technisch directeur van jong paars-wit op de Heizel, herinnert zich 'een goeie, maar geen buitengewone speler. In die leeftijdscategorie hadden we jongens met meer talent dan hij. Technisch was hij geen uitblinker. Het was alsof hij op stelten speelde en hij hield altijd maar de bal voor zich.' De sportieve cel van Anderlecht drijft het zelfs zover dat ze Abdellatif aanraadt zijn zoon te heroriënteren naar atletiek. Niet omdat Marouane snel is, maar omdat hij overal loopt. 'Op tien, elf jaar wou hij atletiek doen', vervolgt Schraepen. 'Hij was erg goed in lange wedstrijden. Zijn favoriete afstand was de 10.000 meter.' Christophe Dessy, die erop aandrong om Fellaini naar Standard te halen na zijn vertrek bij Charleroi, herinnert zich zijn eerste indruk: 'We lieten hem bij zijn aankomst de traditionele fysieke tests afleggen en konden onze ogen niet geloven. Marouane kon zonder probleem meer dan vijf minuten aan een stuk twintig kilometer per uur lopen.' Marouane beschikt duidelijk over een motor buiten categorie. Opgedreven uiteraard door Abdellatif. Voor iedere training op de Heizel neemt Tifo zijn zoon mee voor een 'opwarming' van anderhalf uur. Op het programma: reeksen afwisselend linkervoet-rechtervoet, maar ook loopsessies achter vaders fiets. Wanneer het gezin verhuisd is naar Henegouwen, laat Abdellatif zijn zoon zelfs lopend naar school gaan. 'De andere jongens van mijn klas gingen met de wagen of de fiets, ik liep naar school. Aan een goed tempo stond ik er in nauwelijks tien minuten', relativeert de Rode Duivel. Vraag is in hoeverre dat zogezegde 'goeie tempo' voor de gewone sterveling niet verstikkend is. 'Mocht hij geen voetballer zijn geworden, dan was hij afstandsloper', geeft zijn vader graag toe. Paul Schraepen van zijn kant herinnert zich een speler die 'van het begin tot het einde van de match overal wou lopen. Hij was zo vastberaden dat je hem onmogelijk kon tegenhouden.' Nochtans zal het de afstand zijn die een einde maakt aan Marouanes avontuur bij Anderlecht. Eind jaren negentig ziet Abdellatif als chauffeur bij de MIVB de hoofdstad veranderen. Gevallen van agressie zijn schering en inslag, drugs zijn er evenveel in omloop als trams en de oud-doelman wil koste wat kost zijn kinderen afhouden van een milieu waar de valstrikken van het leven op iedere straathoek gespannen zijn. Hij opteert dus om met zijn gezin te verhuizen, richting Jemappes in de omgeving van Bergen, en blijft tegelijk aan de slag bij de MIVB. De onderhandelingen met Anderlecht over een onkostenvergoeding voor de eindeloze verplaatsingen (200 kilometer daags) tussen thuis en het voetbalveld draaien snel op een sisser uit. Sporting is niet van plan de portefeuille te openen voor een speler 'uit provinciale', die ze nooit tot in Neerpede hadden meegenomen. 'Hij was niet echt het type speler dat Anderlecht zocht', vertelde wijlen Miel Van Humbeeck, destijds zijn trainer, ooit aan Het Laatste Nieuws. 'Hij was niet de technisch fijnbesnaarde jongen, de baltovenaar of de explosieve speler die ze gewoonlijk opleiden in Neerpede.' Marouane is tien jaar wanneer hij in tranen de club van zijn dromen verlaat. Het vervolg wordt in Henegouwen geschreven: van RAEC Mons naar Sporting Charleroi via Francs Borains. Het is trouwens als speler van de derdeklasser dat hij op zijn dertiende voor het eerst wordt opgeroepen voor de nationale jeugdploeg. Een verrassend haar uit de Borinage in een soep vol ingrediënten uit Anderlecht, Brugge of Standard. Maar zijn integratie zal even snel verlopen als de volley die hij bij zijn eerste gelegenheid voor de Duivels tegen de netten trapt. Onder het goedkeurend oog van Abdellatif uiteraard, die nooit een training of wedstrijd van zijn zoon mist. 'Zijn vader heeft hem veel geholpen, want ik had nooit gedacht dat hij dit niveau kon halen', erkent Paul Schraepen. 'Het belangrijkste is dat hij altijd honderd procent in de kwaliteiten van zijn zoon is blijven geloven.' Abdellatif Fellaini gaf zijn zoon de zin om te trainen mee, waardoor Marouane geleidelijk zijn technische tekorten zou uitvlakken en uiteindelijk tot in de Premier League kon doorstoten. 'Zijn kwaliteiten sprongen niet onmiddellijk in het oog, tenzij dan zijn vastberadenheid en inzet', vertelt Mario Notaro, die Fellaini op zijn zestiende in Charleroi ziet belanden na een laatste succesvol seizoen met de nationale scholieren van Francs Borains. 'Hij had die drang om profvoetballer te worden. Als je hem verbeterde, dacht hij daarover na en paste hij toe wat hem gevraagd werd. En hij werd almaar beter. Hij had gemiddelde kwaliteiten - en dat bedoel ik niet slecht. Integendeel, dat maakte zijn vastberadenheid en progressiemarge alleen maar groter.' Marouane zet reuzenstappen vooruit tijdens zijn seizoen bij de Carolo's. Hij brengt zijn eerste weken door tussen de centrale verdediging, dankzij zijn gestalte, en de punt van de aanval, waar hij blijk geeft van zijn neus voor goals. Maar dat zijn niet de posities waar hij voldoende kan lopen. Het is dus als verdedigende middenvelder dat hij na de afgesprongen onderhandeling tussen zijn vader en de clan Bayat aan de Académie Robert Louis-Dreyfus belandt, op advies van Christophe Dessy. In Luik, bij de gezworen vijand van paars-wit, voltooit Fellaini zijn opleiding als voetballer. Zijn gezin, dat door te verhuizen het einde van Marouanes avontuur bij Anderlecht had bewerkstelligd, beslist om het wonderkind alle kansen te geven en te gaan wonen in Sart-Tilman, op een steenworp van de Académie. Bij Standard traint Felly op zijn voetenwerk. 'Op technisch vlak was hij er nog lang niet', vertelt Dessy. 'Hij speelde veel buitenkant voet, om maar één voorbeeld te geven. We hebben daarop gewerkt door hem te laten oefenen met de binnenkant van beide voeten.' Een werk dat voortgezet wordt door Johan Boskamp, die Fellaini in het grote werk zal introduceren tijdens zijn kortstondige passage aan het hoofd van Standard. Om de coördinatie van zijn voeten te verbeteren zal de Nederlandse trainer zijn reus vroeger naar de training laten komen met een springtouw. Geen probleem voor Marouane, die sinds zijn Brusselse jaren gewend is aan overuren. Het project voor een nieuw nationaal stadion valt ongetwijfeld moeilijker te verteren voor Fellaini dan voor de andere Duivels, want bij iedere thuiswedstrijd met de nationale ploeg passeert hij vlak bij het kunstveld van de Heizel waar alles begonnen is. Bovendien ligt er in het Koning Boudewijnstadion een atletiekpiste. Een piste waar op 26 augustus 2005 de Ethiopiër Kenenisa Bekele voor de apotheose op de Memorial Van Damme zorgde met een nieuw wereldrecord op de 10.000 meter. Bijna elf jaar later staat het record nog steeds op de tabellen. Misschien omdat Abdellatif erop stond dat zijn zoon bleef voetballen. DOOR GUILLAUME GAUTIER - FOTO'S BELGAIMAGE - ERIC LALMAND'Hij was niet echt het type speler dat Anderlecht zocht.' - MIEL VAN HUMBEECK 'Mocht hij geen voetballer zijn geworden, dan was hij afstandsloper.' - ABDELLATIF FELLAINI