Vorige week donderdag, op 6 december, was het veertien jaar geleden dat Raymond Goethals overleed. Hij werd 83 jaar. Weinig trainers in dit land die het voetbal zo markeerden als Goethals, destijds de eerste die de buitenspelval op een efficiënte manier in de praktijk bracht. Overal waar Goethals werkte, maakte hij indruk door zijn luchtige omgangsvormen en sappig taalgebruik. Heerlijk was het telkens weer om Goethals te interviewen. Aan een halve vraag had hij genoeg om te beginnen...

Vorige week donderdag, op 6 december, was het veertien jaar geleden dat Raymond Goethals overleed. Hij werd 83 jaar. Weinig trainers in dit land die het voetbal zo markeerden als Goethals, destijds de eerste die de buitenspelval op een efficiënte manier in de praktijk bracht. Overal waar Goethals werkte, maakte hij indruk door zijn luchtige omgangsvormen en sappig taalgebruik. Heerlijk was het telkens weer om Goethals te interviewen. Aan een halve vraag had hij genoeg om te beginnen aan een exposé waaraan geen einde kwam. Tussendoor maakte hij aantekeningen op een bierviltje om het beeld te ontkrachten dat in zijn carrière van hem was gegroeid: dat van een defensief georiënteerde trainer. Goethals praatte, de eeuwige filtersigaret tussen de lippen bengelend, met gloed en passie. En met het nodige gevoel voor pathetiek en dramatiek. Raymond Goethals speelde zeven Europese finales, waarvan hij er twee won, en was tien jaar bondscoach. Om over zijn carrière te spreken had je twee dagen nodig, wilde hij wel eens zeggen. En hij meende het nog ook. Ontelbaar zijn de anekdotes die over Goethals bestaan. Zoals in zijn periode bij Marseille bijvoorbeeld, de club waarmee hij in 1993 de Champions League won. Toen de uit blessure terugkerende supervedette Eric Cantona op een gegeven moment aan Goethals vroeg of hij zou spelen, antwoordde die met gladgestreken gezicht dat hij op de bank zou zitten. Dat wou Cantona niet, hij vond dat je dat niet deed met een voetballer van zijn kaliber. 'Geen probleem,' zei Goethals, 'dan zet ik je gewoon naast de bank.' Een eigenzinnige trainer was Raymond Goethals wel. Hij verstond de kunst om met grappen en grollen de sfeer in de groep te houden, maar ontstak in blinde woede als zijn richtlijnen niet werden opgevolgd. Hij kon tijdens een wedstrijd 90 minuten op en neer hollen, van hoekschopvlag naar hoekschopvlag, en voerde ontelbare boksgevechten in het luchtledige. Een verstrooide professor was Goethals ook. Tijdens zijn verblijf in Brazilië haalde hij eens een krant uit de brievenbus en stapte vervolgens de verkeerde flat binnen. Rustig zat hij daar te lezen tot een verschrikte buurvrouw binnenkwam. Eén donkere vlek kende de carrière van Goethals wel toen hij in 1982 geschorst werd door de omkoopaffaire Standard-Waterschei. Het besmeurde zijn imago. Maar Goethals noemde de hele affaire, die het Belgisch voetbal op zijn grondvesten deed daveren, veel bazaar voor niets.