'Ik denk te mogen stellen dat ik terug ben.' 21 juli 2021, Fabio Jakobsen spreekt in een filmpje de wereld toe. Nagenoeg één jaar na zijn huiveringwekkende val in Polen heeft de Nederlander voor het eerst weer een wedstrijd gewonnen.
...

'Ik denk te mogen stellen dat ik terug ben.' 21 juli 2021, Fabio Jakobsen spreekt in een filmpje de wereld toe. Nagenoeg één jaar na zijn huiveringwekkende val in Polen heeft de Nederlander voor het eerst weer een wedstrijd gewonnen. De tweede rit in de Ronde van Wallonië, met voorziene start in Verviers en finish in Herve, was met zeven gecatalogeerde hellingen normaal nooit voer voor sprinters geweest. Sterker nog, 48 uur tevoren was de etappe geannuleerd. Een gevolg van het noodweer de dagen voordien. Slechts te elfder ure had de organisatie een alternatief uit haar mouw geschud: dertig rondjes op het Circuit van Zolder. Natuurlijk was de Ronde van Wallonië niet de eerste wielerwedstrijd in België die door de weergoden tot een parcoursingreep of afgelasting werd verplicht. Ongekend echter waren het tijdstip (de zomer) en de oorzaak van de ellende: een waterbom, toegeschreven aan de klimaatverandering. Wetenschappers voorspellen dat onze contreien steeds vaker met extreme weersomstandigheden zullen worden geconfronteerd, fenomenen die de wielersport tot voor kort alleen associeerde met 'exotische' wedstrijden als de Tour Down Under en de Ronde van Californië. Begin 2016 voegde de internationale wielerunie UCI aan haar reglement een 'protocol voor extreme weersomstandigheden' toe. Sindsdien is het verplicht, als voor de start van een wedstrijd extreem weer wordt verwacht, om een vergadering te beleggen met alle betrokken partijen: wedstrijdjury, organisatoren, teams, renners en UCI. De invulling van het begrip 'extreem weer' en van de te nemen beslissingen blijft in de tekst evenwel in nevelen gehuld. Uiteindelijk is het protocol niet meer dan symptoombestrijding. In tijden van klimaatverandering behoort wegwielrennen nochtans tot de kwetsbaarste sporten. Als de opwarming van de aarde onverminderd verder gaat, dreigt de sport op steeds meer plekken en tijdstippen riskant of zelfs onmogelijk te worden. In die zin vormt de klimaatopwarming een existentiële bedreiging: ze zet het businessmodel van organisatoren onder druk én stelt de gezondheid van renners op de proef. Terwijl we allemaal in meer of mindere mate de gevolgen van de klimaatcrisis ervaren, dragen we er ook collectief verantwoordelijkheid voor. Ook de wielerwereld is een deel van het probleem, voornamelijk door het uitstoten van koolstofdioxide (CO2), een broeikasgas dat ertoe bijdraagt dat in de atmosfeer warmtestraling wordt vastgehouden en vervolgens in alle richtingen weer wordt uitgezonden, het zogenaamde broeikaseffect. Met name het verbranden van fossiele brandstoffen weegt zwaar door in de koolstofvoetafdruk van de sport. Naarmate het wielrennen steeds mondialere ambities is gaan koesteren, zijn de verre verplaatsingen en dus ook de CO2-uitstoot alleen maar toegenomen. Als grootste wielerevenement ter wereld spant de Tour ook inzake emissie de kroon. Renners van over de hele wereld worden ingevlogen, in hun spoor reizen zowat 2000 voertuigen mee, in de lucht hangen helikopters en een vliegtuig. De expansiedrang van de grote ronden neemt almaar grotere proporties aan. Terwijl etappes ten behoeve van het sportieve spektakel in afstand worden beperkt, nemen de transfers tussendoor in lengte toe. Dit jaar gaan Tour, Giro en Vuelta voor het eerst in de geschiedenis alle drie buiten hun thuisland van start. Tourorganisator ASO zette de jongste jaren rittenwedstrijden op het getouw in Saoedi-Arabië en Oman, en organiseerde criteriums in China en Japan. Giro-organisator RCS ging in zee met de Ronde van de Emiraten en liet begin november onder anderen Egan Bernal, Peter Sagan en Filippo Ganna naar Dubai overvliegen voor het eerste Giro d'Italia-criterium. De globalisering van de sport staat ook hoog op de agenda van de UCI sinds wijlen Hein Verbruggen begin jaren 90 voorzitter van de federatie werd. De doelstelling is tweevoudig: enerzijds zoveel mogelijk markten afdekken om multinationals tot wielersponsoring te overhalen, anderzijds het olympisch statuut van de wielersport verzekeren. De impact op het klimaat leek lange tijd geen issue. In een tijd waarin maatschappelijk verantwoord ondernemen de nieuwe norm is, kunnen organisatoren, teams en bonden echter niet langer de andere kant op kijken. Zelf geconfronteerd met allerhande groene heffingen en eisen staat het publiek kritischer tegenover de manier waarop de wielersport met de klimaatuitdaging omgaat. Kandidaat-gaststeden en -sponsors laten duurzaamheid zwaarder doorwegen bij hun investeringskeuzes: de wielersport of toch maar een andere entertainmentvorm? In deze snel veranderende maatschappij hebben enkele belangrijke spelers recent een eerste stap gezet door hun voetafdruk te laten berekenen. Begin 2020 communiceerde het team van Patrick Lefevere, toen nog onder de noemer Deceuninck- Quick-Step, dat het jaarlijks 1288 ton CO2 de atmosfeer in jaagt, wat neerkomt op een auto die 179 keer de wereld rond rijdt of een vliegtuig dat 539 keer heen en terug vliegt tussen Brussel en New York. Ook Movistar liet pre-corona zijn CO2-uitstoot berekenen en kwam uit op 175 ton per jaar. Een wel erg groot verschil met de voetafdruk van The Wolfpack, wat uiteenlopende rekenmethodes doet vermoeden. Aan de kant van de organisatoren was het voorbije WK in Vlaanderen het eerste waarvan de CO2-uitstoot in kaart werd gebracht. Het resultaat - 2292 ton, verplaatsingen van toeschouwers bij gebrek aan data niet meegerekend - stemt overeen met de jaarlijkse voetafdruk van 265 Belgen. Ook ASO gaf recent de opdracht om de koolstofvoetafdruk van al zijn evenementen te laten berekenen. Bij monde van Karine Bozzacchi, verantwoordelijk voor het milieubeleid, gaf het bedrijf echter al te kennen de resultaten binnenskamers te zullen houden. 'Mensen weten niet echt wat X miljoen ton CO2 inhoudt. Belangrijker dan de cijfers zijn de inspanningen die we leveren.' Volgens de laatst beschikbare cijfers, uit 2013, brengt het organiseren van de Tour een CO2-uitstoot van 22.500 ton met zich mee. Wordt de impact van de toeschouwers langs de weg meegeteld, dan bedraagt de reële uitstoot naar schatting zelfs vijftien keer zoveel, het equivalent van de gemiddelde uitstoot van 65.000 Fransen in een jáár. Meten is één ding, actie ondernemen de noodzakelijke volgende stap. De Tour bijvoorbeeld maakt sinds twee jaar werk van een groener wagenpark. 'In 2020 hadden we als organisatie voor het eerst hybride wagens ter beschikking', verklaart Bozzacchi. 'Afgelopen editie maakten ze al 85 procent van onze vloot uit, 159 wagens in totaal. Bedoeling is tegen 2024 ook de laatste organisatievoertuigen op fossiele brandstoffen te bannen.' Voor een effectieve reductie van de CO2-uitstoot zullen echter ook de andere 'families' in de Tourkaravaan, van media tot logistieke partners, moeten volgen. Bij de teams speelt Quick-Step een voortrekkersrol. Begin 2020 spraken zij de ambitie uit om CO2-neutraal te worden. De ploeg zette in op het vergroenen van het wagenpark en het sensibiliseren van renners, staf, sponsors en fans. De resterende CO2-uitstoot moet worden gecompenseerd door gecertificeerde klimaatprojecten te ondersteunen, ieder jaar twee: één om ontbossing tegen te gaan (vorig jaar in Guatemala) en één om bossen in bekende wielerstreken opnieuw aan te planten (vorig jaar in Bretagne). Bomen halen namelijk CO2 uit de lucht. Ook Movistar maakte in de zomer van 2020 een drieledige aanpak bekend om CO2-neutraal te worden: ten eerste 100 procent hernieuwbare energie gebruiken en zonnepanelen installeren in het hoofdkwartier in Pamplona, ten tweede het wagenpark gefaseerd vervangen door hybride modellen en ten derde het lokale leefmilieu helpen te beschermen. Voor dat laatste voegde de ploeg in november nog de daad bij het woord. In thuisregio Navarra werden in aanwezigheid van onder anderen Alejandro Valverde en Enric Mas de eerste bomen geplant van een herbebossingsproject van in totaal duizend bomen, die over de komende veertig jaar ongeveer 200 ton CO2 uit de atmosfeer moeten halen. Quick-Step en Movistar claimen graag hun pioniersrol, maar een wielerteam dat boomplantacties ondersteunt, helemaal nieuw is het niet. In 2007 al droeg het (omstreden) team van Mauro Gianetti, huidig manager van UAE Team Emirates, zijn steentje bij tegen de woestijnvorming in Mali, op initiatief van sponsor en verwarmingsspecialist Saunier Duval. Voor elke kilometer die Riccardo Riccò, Leonardo Piepoli, Gilberto Simoni en co in koers afmaalden, werd er in het Afrikaanse land een boom geplant. Ook Team DSM liep voorop in de klimaatzaak. Reeds in 2010, toen nog onder de naam Skil-Shimano, werd de ploeg ambassadeur van Trees for All, een Nederlandse stichting die wereldwijd nieuwe bossen plant, gedegradeerde bossen herstelt en mensen bewust maakt van het belang van bomen. Via dit goede doel maakt het team werk van een eigen Keep Challenging Forest. Door de klimaatproblematiek ter harte te nemen zetten teams en organisatoren zich in de markt als begeerde bruid voor sponsors die verhalen willen uitwerken rond duurzaamheid. Op die manier ontstaat soms een terugverdieneffect. Zo prijkt dit jaar met waterzuiveraar Ekopak een nieuwe sponsor op de borst van de renners van Quick-Step en trok Team DSM met logistiek dienstverlener LV Logistics een nieuwe partner aan die zich ook actief wil inzetten voor Trees for All. Tegelijk blijft wielrennen net zo goed een platform voor bedrijven met een grote koolstofvoetafdruk die zich een bedrieglijk groen imago aanmeten - greenwashing genaamd. Oliemaatschappijen als TotalEnergies, sponsor van het team van Peter Sagan, en Gazprom, sponsor van het enige Russische profteam, stoten jaarlijks miljoenen tonnen CO2 uit. Bahrain Victorious voert reclame voor Bapco, de Bahrain Petroleum Company. Samruk-Kazyna, de belangrijkste geldschieter achter Astana, omvat de nationale olie-en-gasmaatschappij alsook Air Astana. Tadej Pogacar en ploegmaats fungeren als reclameborden voor vliegmaatschappij Emirates en de Emiraten, een van de grootste olieproducerende landen ter wereld. Ook de chemische industrie, traditioneel bij de uitstootkampioenen, wordt gepromoot: zie Team DSM en INEOS Grenadiers. Ondertussen gaven Britse media in maart vorig jaar de nodige ruchtbaarheid aan een studie die het huidige sportsponsorlandschap radicaal in vraag stelt. Met name werden teams en competities opgeroepen om sponsoring door 'klimaatvervuilers' volkomen te weren, in navolging van tabak, alcohol, weddenschappen en andere 'vervuilende' sectoren waarvan de sponsoring in een niet zo ver verleden nog doodnormaal leek. Mocht de publieke opinie daadwerkelijk in die richting opschuiven, dan heeft het wielrennen, dat erg van sponsoring afhankelijk is, een groot probleem. Hoe groot de klimaatuitdaging voor het wielrennen ook is, de wind blaast niet alleen in het nadeel. Integendeel, weinig sporten beschikken over zo'n unieke troef: de fiets rijdt als duurzaam vervoermiddel een gouden toekomst tegemoet. Door mensen te stimuleren de auto aan de kant te laten kan wielrennen een deel van de oplossing zijn. De Tour bijvoorbeeld speelt daarop in met L'avenir à vélo, een programma gebaseerd op drie pijlers: fietsinitiaties voor kinderen, fietsdonaties aan kansarme kinderen en, sinds vorig jaar, een label voor etappeplaatsen die een 'voorbeeldig fietsbeleid' voeren, waaronder Binche (goed voor één vélo) en Brussel (drie vélos). De UCI van haar kant werkte een UCI Bike City/Region-label uit, toegekend aan onder andere Heusden-Zolder en Vlaanderen. Hoe dit alles te rijmen valt met de toewijzing van de wereldkampioenschappen aan het verre Rwanda is evenwel een andere vraag. Net zoals er nog altijd geen geografisch coherente kalender ligt die het aantal vliegverplaatsingen helpt te herleiden. Al is ook dat een kwestie van gedeelde verantwoordelijkheid, waarvoor de hele wielersector zich moet aangesproken voelen.