Met duizenden gouden en zilveren glitters aan hun voeten stonden de spelers van FC Liverpool op een lijn, de armen over elkaars schouders. Aan het penaltypunt, voor de tribune - zoals de traditie het voorschrijft - de eerste regels van ' You'll Never Walk Alone' zingend. Ter ere van hun eerste landstitel in drie decennia en na een 5-3-zege tegen Chelsea. Echter niet met de blik naar The Kop, maar in een leeg Anfield Road, opgeluisterd door een lasershow en vuurwerk, naar de camera's van Sky TV gericht.
...

Met duizenden gouden en zilveren glitters aan hun voeten stonden de spelers van FC Liverpool op een lijn, de armen over elkaars schouders. Aan het penaltypunt, voor de tribune - zoals de traditie het voorschrijft - de eerste regels van ' You'll Never Walk Alone' zingend. Ter ere van hun eerste landstitel in drie decennia en na een 5-3-zege tegen Chelsea. Echter niet met de blik naar The Kop, maar in een leeg Anfield Road, opgeluisterd door een lasershow en vuurwerk, naar de camera's van Sky TV gericht. Hét kippenvelmoment, duizenden Liverpoolfans die uit volle borst hun beroemde clublied verder zingen, bleek in coronatijden immers niet mogelijk. De supporters van The Reds moesten thuis, of samentroepend buiten het stadion, toekijken hoe kapitein Jordan Henderson de Premier Leaguetrofee in de lucht stak. Met volle overtuiging, zoals ook coach Jürgen Klopp in een gepassioneerd interview een boodschap meegaf aan de Liverpoolfans: 'Vier thuis! Zing en drink wat je wil! En bereid je voor op een grote party! Alleen nu nog niet...' Ondanks hun oprechte enthousiasme voelde de titelviering, zeker voor de niet LFC-supporters, wat kunstmatig aan. Ook al zijn voetballiefhebbers het nieuwe coronanormaal intussen al gewoon, sinds op 11 maart in de Bundesliga het allereerste Geisterspiel zonder toeschouwers, tussen Borussia Mönchengladbach en FC Köln, plaatsvond, ruim anderhalve maand voor de Duitse competitie definitief weer werd opgestart. Voor veel sporters is zo'n oorverdovende stilte zelfs een halve nachtmerrie. Zeker voor de supersterren, die gewoon zijn om onder de microscoop van tienduizenden toeschouwers te liggen. Roger Federer: 'Ik kan het me niet voorstellen om in een leeg stadion te spelen, écht niet.' Tiger Woods: 'Ik zal eraan moeten wennen, aan die stille wereld. Zonder gejuich na een fantastische putt, zonder de energie die fans me geven.' LeBron James: 'Zonder toeschouwers speel ik niet. Wat is een wedstrijd zonder fans? Geen beleving, geen verdriet, geen vreugde, geen interactie tussen spelers en publiek. Het zou héél raar zijn.' Intussen is de NBA-vedette wel bijgedraaid. En speelt hij sinds vorige week in de bubbel die de NBA opgeblazen heeft in Walt Disney World, Orlando, om honderden miljoenen dollars tv-geld te vrijwaren. Met alleen 'virtuele' fans en cheerleaders die op grote beeldschermen LeBron en zijn Lakers aanvuren. Zoals tijdens baseballduels in Japan nu ook duizenden kartonnen borden van supporters worden geplaatst. Kunstmatige ingrepen die de 'spookmatchen' relatief normaal moeten laten aanvoelen. Toch tonen ze vooral hoezeer fans in 'échte' wedstrijden niet alleen letterlijk toeschouwers zijn, op de achtergrond, maar met hun aanmoedigingen de context van een sportevent mee vormgeven. En zo ook atletische prestaties positief kunnen beïnvloeden. In de sportpsychologie spreekt men over sociale facilitatie en sociale verbeelding: de neiging om beter te presteren als je versterkt wordt in wat je doet en je voelt dat je daarom geliefd wordt - zoals uit de quotes van Federer en co blijkt. Door de strijdkreten en het gejuich van toeschouwers krijgen hun prestaties immers betekenis, worden ze gevalideerd, zelfs bij de topatleten die veel motivatie uit zichzelf halen. Omdat zij, maar ook de fans, zich door hun onderlinge feedback zo inbeelden dat ze tot een groter geheel behoren. Niet toevallig daalde het sinds de herstart van de grote Europese voetbalcompetities het thuisvoordeel in de matchen zonder fans in de tribunes (weliswaar lichtjes, van 58 procent van het totaalaantal punten naar 56 procent). De kracht van die collectieve verbeelding manifesteert zich zelfs fysiek, zo blijkt uit verschillende onderzoeken. Het geeft sporters een adrenalineshot waardoor ze de pijn blijven verbijten, en die zelfs minder voelen. Toen tijdens de lockdown in de VS UFC Wrestling- wedstrijden zonder publiek doorgingen, gaven de worstelaars achteraf zelfs aan dat ze de opgelopen blutsen en builen veel meer voelden dan vroeger. Illustratief was ook de quote van Julian Alaphilippe in het wielertijdschrift Bahamontes, waarin hij terugblikte op zijn memorabele Tour van vorig jaar, toen hij als niet-klimmer tweede werd in de rit met aankomst op de Tourmalet. ' La rage heeft me gedreven. Normaal zou ik gelost hebben, maar het publiek was zo hard aan het roepen... Ik ging door de muur. Puur op adrenaline!', aldus Juju, ook voortgestuwd door het voicemailbericht van president Emmanuel Macron dat hij dertig keer beluisterd had. 'Het Franse volk staat achter je! Geef niet op! Courage! Breng de gele trui mee naar Parijs!' Sporters zoals Alaphilippe ervaren die aanmoedigingen en die spotlights als positieve druk. Ze kunnen zo boven zichzelf uitstijgen, omdat ze een veeleer egogericht karakter hebben. Een ander voorbeeld was Usain Bolt: hoe groter het toneel, hoe meer show hij opvoerde, drijvend op de golven vanuit de tribunes die hij zelf liet opwellen. Om daarna richting een wereldrecord te lopen. Die golven hoeven zelfs niet eens positief geladen te zijn. Extreme competitiebeesten halen zelfs energie uit een vijandige omgeving, waarin ze massaal worden uitgejouwd. Niet toevallig speelde Michael Jordan de pannen van de broeierige Madison Square Garden van de New York Knicks. Niet toevallig won Lance Armstrong in de Tour van 2004 de fameuze klimtijdrit op Alpe d'Huez, hoewel honderdduizenden Fransen hem beschimpten en bespuwden. Niet toevallig klopte Novak Djokovic vorig jaar in de Wimbledonfinale Roger Federer, hoewel zowat alle toeschouwers in het Centre Court zich luidop achter de Zwitser schaarden. Andere sporters gaan in zo'n omgeving kopje onder, ook als ze voor een thuispubliek aantreden. De vrees om iets verkeerds te doen ligt dan immers nog hoger - in de psychologie sociale inhibitie (remming) genoemd. Het stresshormoon cortisol schakelt daarbij het voorste deel van de hersenen uit. Net dat gedeelte dat het visuele, ruimtelijke denken controleert en de capaciteit aanstuurt om in het moment zelf problemen op te lossen - cruciaal voor een sporter. Jamie Vardy haalde het in 2016 aan, toen hij de Premier Leaguetitel met Leicester vierde en de thuisfans hem op het schild hesen als hun topschutter. Een groot contrast met zijn eerste moeilijke seizoen toen hij het gevoel kreeg dat de Leicesterfans hem niet moesten. 'Zoals ik nu energie put uit supporters die mijn naam scanderen, zo werd ik toen belemmerd door het gezucht en het gefluit na een verkeerde pass.' Een mentale zwakte die spelers in de media of zelfs tegenover hun coach zelden zullen toegeven, maar die trainers wel opmerken. Aan de lichaamstaal, of omdat die spelers op training vaak wonderlijke zaken tonen, maar door twijfels, te grote voorzichtigheid dat tijdens wedstrijden niet kunnen kopiëren. In het boksen bestaat daarvoor de term gymfighters, in het basketbal noemen ze die gymrats. In het voetbal Monday-to-Friday players, zoals ex-Premier Leaguetopscorer Alan Shearer het mooi omschreef. Franz Beckenbauer had het voor de herstart van de Bundesliga, voor lege tribunes, ook over een kans voor de ' wereldkampioenen van de trainingen'. In zo'n stille omgeving zonder duizenden toeschouwers voelen sommige spelers zich immers bevrijd, verlost van de faalangst. Omstandigheden waarin vaak jonge debutanten hun talent beter kunnen laten spreken. Alles draait om de mindset waarmee sporters die spookwedstrijden aanvatten. Iets waar ze uiteindelijk ook aan wennen. Hoewel de eerste postlockdownmatchen in de Bundesliga intensiteit leken te missen, gaven cijfers tegen het einde van het seizoen een ander beeld: het aantal sprints en high intensity sprints lag gemiddeld zelfs een fractie hóger dan in precoronatijden. Volgens allerhande parameters zakte de algemene kwaliteit van het spel ook niet. Alleen het aantal dribbels en schoten op doel daalde lichtjes, terwijl het aantal passes opvallend steeg. Minder voortgestuwd door thuisfans bleken spelers immers iets berekender te spelen en minder risico's te nemen. Een meer mechanische aanpak gericht op het eindresultaat, beter gestuurd ook door instructies van ploegmaats en coaches langs de lijn die in een volle arena verzwolgen worden. Niet toevallig moedigen NBA-coaches hun spelers nu aan om tijdens matchen in de Walt Disneybubbel meer dan ooit te praten. De taakgerichte sporters, die vooral zichzelf willen verbeteren, gedijen in zulke omstandigheden dan ook het best. Omdat ze uitsluitend op hun spel kunnen focussen, meer controle over zichzelf hebben. Daarbij wordt vaak verwezen naar de theorie van de zes aandachtcirkels van de Duitse sportpsycholoog Hans Eberspächer. Over hoe een atleet in de kern van die cirkels ervan precies weet hoe hij zijn taak moet uitvoeren, en alle andere gedachten daarbuiten moet proberen te bannen. Michael Phelps was op dat vlak een meester: steevast met een koptelefoon richting het startblok wandelend, volledig in zichzelf gekeerd, door niets of niemand uit zijn lood te slaan. Anderen hebben daar meer moeite mee: de Nederlandse tennisspeelster Kiki Bertens (nummer 7 op de WTA-ranglijst) speelt daarom zelfs liever op een achterafbaantje dan op een centercourt, waar ze zich vaak opjaagt in roepende toeschouwers tijdens slagenwisselingen. Ergernissen die het limbisch systeem in de hersenen, dat de emoties stuurt, overmatig prikkelen. Door aanvurende supporters kunnen sporters zo ook te emotioneel, of zelfs agressief worden. En kan dat zelfs een averechts effect op hun prestaties sorteren. Gepusht door hun fans zullen ploegsporters daarom vaker ook de scheidsrechter feller aanklampen na een al dan niet onterechte beslissing. Of meer fouten proberen uit te lokken met een schwalbe of een flop. Voor meer ervaren atleten kunnen lege tribunes echter ook omgekeerd werken. Omdat lawaai in een stadion als het ware voorgeprogrammeerd is in hun onderbewustzijn, worden ze uit hun vaste, mentale ritme en routines gehaald. Een Premier Leaguespeler verklaarde bij de hervatting van het seizoen zelfs dat hij zenuwachtig werd door het vooruitzicht om in lege stadions te spelen. Atleten uit kleinere sporten, die in precoronatijden gewend waren om te presteren zonder veel publiek, kunnen zich daarom nu makkelijker aanpassen aan een stille competitieomgeving. Voetballers, tennissers of basketbalspelers die telkens voor (tien)duizenden supporters aantreden, moeten een grotere mentale klik maken. Al kunnen de mentaal sterksten in gelijke welke omstandigheden het beste uit zichzelf halen: vol onder de schijnwerpers of in coronawedstrijden zonder toeschouwers. Zij beheersen de kunst om ook dan een mentale flow te vinden waarin ze het evenwicht vinden tussen prestatiebevorderende druk/opwinding en niet te veel negatieve stress door de vreemde omstandigheden - het omgekeerde U-model in de psychologie. Ook dat valt te trainen, door het bewijs van de betekenis van een spookmatch ergens anders in hun brein te halen. Door onder meer terug te gaan naar het prille begin van hun carrière, naar de reden waarom ze ooit zijn begonnen, uit pure liefde voor de sport. Passie die ook op te wekken is via visualisatietechnieken en verbeelding: atleten in hun hoofd de beslissende goal of het winnende shot doen maken. Of door hen voor de wedstrijd naar het geluid van een sfeervol stadion te laten luisteren. Zodat ze ook tijdens een stille coronamatch voelen en horen: ' You'll never Walk Alone'.