Er waait een frisse wind door het Ratina Stadion in Tampere, in september 2009. Een plukje verdwaalde Finnen en enkele meegereisde supporters en familieleden van de speelsters kijken in een vrijwel leeg stadion naar de halve finale van het EK vrouwenvoetbal. Een leuke wedstrijd wordt het nooit. Bondscoach Vera Pauw laat Nederland op haar eerste eindtoernooi ooit bij een gebrek aan kwaliteit ultradefensief spelen. Met veel geluk reikt het met die speelwijze tot in de halve finale, maar tegen Engeland - dan al een grootmacht in het vrouwenvoetbal - is het geluk op: 2-1 na verlengingen.

We zijn amper tien jaar verder en 'datzelfde' Oranje speelde zondag de WK-finale, nadat het als Europees kampioen afreisde naar Frankrijk. De opmars van de Oranje Leeuwinnen is razendsnel gegaan. Want in mei 2017 weten nog maar weinig mensen wie Lieke Martens is, dat Oranje met Vivianne Miedema een wereldspits in huis heeft, of dat Jackie Groenen de vormgever op het middenveld is. In een paar maanden tijd verandert echter alles. Zonder ook maar enige verwachting van de buitenwacht is Nederland vrij in het hoofd en wint het EK in eigen land met aanvallend en aantrekkelijk voetbal.

Leren winnen

De WK-finale van dit jaar is een geheel ander verhaal. Met de ontstane verwachtingen is de druk hoog, het voetbal stroperig en doelvrouw Sari van Veenendaal moet haar ploeg meermaals op de been houden. Maar juist dát is volgens de keepster de winst die de ploeg geboekt heeft de afgelopen twee jaar. 'We hebben ook in moeilijke fases leren winnen', zegt ze na afloop van de halve finale tegen Zweden (1-0).

Want waar op het EK alles wat Oranje aanraakt verandert in goud, gaat het na dat toernooi moeizaam met de Nederlandse voetbalsters. Sommigen kunnen in eigen land niet meer rustig over straat wandelen en worden uithangborden van grote sponsoren. Lieke Martens rondde bijvoorbeeld tijdens het WK de kaap van een miljoen volgers op Instagram en moet van alle speelsters op het toernooi alleen de Amerikaanse Alex Morgan (6,5 miljoen) en Marta (2,3) van Brazilië voor zich dulden.

Intern beginnen zich wat scheurtjes te vertonen. Waar Martens, Miedema en Shanice van de Sanden steevast voor promotie-uitingen worden gebruikt, is het bijvoorbeeld verdediger Anouk Dekker (vaste waarde op het EK) die opmerkt dat ze toch met zijn allen Europees kampioen zijn geworden. Andere basisspelers in de aanloop naar dat toernooi, zoals Merel van Dongen (die niet eens geselecteerd werd) en Dominique Bloodworth, moeten ineens van de zijkant toezien hoe het vaste elftal roem verwerft, en de speelsters die buiten de boot vallen nauwelijks waardering krijgen. En dan is er nog de kunst om met al die aandacht de voeten op de grond te houden.

In die moeilijke fase weet bondscoach Sarina Wiegman net op tijd de neuzen weer dezelfde richting op te krijgen. Want hoewel het voetbal in de play-offs voor het WK en op het toernooi zelf niet goed is, zien we een Oranje dat al het hele toernooi vecht als leeuwinnen, met elkaar, voor elkaar. Als één team.

Van leeuw naar leeuwin

Voor het prille begin van het succes van de Oranje Leeuwinnen moeten we terug naar 2007, wanneer de Eredivisie voor vrouwen wordt opgericht. Speelsters trainen niet langer twee keer per week bij een amateurclub, maar worden bij ADO Den Haag, AZ, FC Twente, SC Heerenveen, FC Utrecht of Willem II bijna dagelijks omringd door een topsportcultuur.

Die toename aan faciliteiten betekent de aanzet tot het vrouwenvoetbal van vandaag. Zo beginnen Miedema en Martens bij SC Heerenveen om jaren later bij respectievelijk Arsenal en FC Barcelona een topcontract te tekenen. Het zijn slechts twee voorbeelden van het huidige Oranje, die ook meteen de achilleshiel van de Eredivisie zichtbaar maakt. Na enkele jaren zijn de toptalenten de Nederlandse competitie ontgroeid en zetten ze de stap naar het buitenland, waar wél goed betaald wordt.

De KNVB erkent dan inmiddels wel het belang van het vrouwenvoetbal nu er prestaties geleverd zijn en heeft na de winst van het EK de investeringen in de nationale ploeg flink opgeschroefd. Zo betaalt het hogere vergoedingen aan de speelsters, boekt het dezelfde hotels als de Oranjemannen en de staf is uitgebreid van zeven naar vijftien personen; op het WK kreeg Nederland bijvoorbeeld een eigen kok mee.

Zorgen om de toekomst

Maar naast al die positieve geluiden weigert de KNVB om op te treden zoals de FA of de USSF. De Engelse voetbalbond investeert flink in de clubs zodat de speelsters van de nationale ploeg in eigen land kunnen blijven voetballen, en die van Amerika neemt het salaris van de speelsters over zodra ze een selectie voor hun land hebben ontvangen. En de KNVB? Die investeert 50.000 euro per jaar per club, en daar blijft het bij. De overige kosten en investeringen om een breder draagvlak te creëren, ziet het als de verantwoordelijkheid van de clubs zelf, die op hun beurt weer meer verwachten van de KNVB. Daarmee blijft de Eredivisie een zorgenkindje; het contrast met de nationale ploeg is groot, de niveauverschillen enorm.

Een andere zorg is het beleid van de KNVB de afgelopen jaren qua vrouwenvoetbal. De topspeelsters van nu speelden - vaak uit noodzaak - tussen de jongens, waardoor zij technisch en fysiek uitstekend ontwikkeld zijn. De KNVB liet de jeugdspelers gemengd voetballen, tot het dat in 2010 plots afschafte, om nog altijd onduidelijke redenen. Een van de vage verklaringen was dat de ouders klaagden dat hun dochter op de bank zat omdat ze tussen de jongens moest spelen die beter waren.

Deze zomer draaide de KNVB die beslissing weer terug. Tot de U11 zal er voortaan weer gemengd voetbal worden gespeeld. Maar hoe zit dat dan met de meiden die deze 'gouden generatie' moeten opvolgen? Juist die speelsters hebben níét tussen de jongens gespeeld.

Hete aardappel

De hoerastemming rond de Oranje Leeuwinnen leidt tot de gedachte dat het alleen maar beter zal worden, het vrouwenvoetbal in Nederland staat immers pas net op poten. Maar juist daarom is het opvallend dat mensen als Pauw, al jarenlang actief in het vrouwenvoetbal, waarschuwen voor een terugval. Zij weet als geen ander dat vrouwenvoetbal in landen als Engeland en de Verenigde Staten gebouwd is op een breed fundament. Juist op dat vlak zijn ze in Nederland nog zoekende, en dat zal zo blijven zolang de clubs en de KNVB de hete aardappel naar elkaar blijven doorschuiven.

Red Flame Jackie Groenen

Jackie Groenen had zomaar voor de Red Flames uit kunnen komen. Ze groeide op in het Belgische Poppel, en beschikt zodoende over een dubbel paspoort. Een paar jaar geleden stond bondscoach Ives Serneels plots voor haar deur. 'Het was niet zo dat ik niet voor Nederland wilde voetballen, ' zei Groenen daarover in Voetbal International, 'maar ik droomde van spelen op het hoogste niveau, inclusief EK's en WK's. En toen kwam België. Zo simpel is het eigenlijk.'

Uiteindelijk was het de FIFA die haar tegenhield voor België uit te komen, omdat ze namens Nederland al mee had gedaan met het EK U17. Ze verbeet de teleurstelling en in 2016 werd ze dan toch bij Oranje gehaald, nadat ze daar jarenlang over het hoofd werd gezien. Ondenkbaar, als je haar nu als pitbull en vormgever op het middenveld bij Oranje bezig ziet.

Er waait een frisse wind door het Ratina Stadion in Tampere, in september 2009. Een plukje verdwaalde Finnen en enkele meegereisde supporters en familieleden van de speelsters kijken in een vrijwel leeg stadion naar de halve finale van het EK vrouwenvoetbal. Een leuke wedstrijd wordt het nooit. Bondscoach Vera Pauw laat Nederland op haar eerste eindtoernooi ooit bij een gebrek aan kwaliteit ultradefensief spelen. Met veel geluk reikt het met die speelwijze tot in de halve finale, maar tegen Engeland - dan al een grootmacht in het vrouwenvoetbal - is het geluk op: 2-1 na verlengingen. We zijn amper tien jaar verder en 'datzelfde' Oranje speelde zondag de WK-finale, nadat het als Europees kampioen afreisde naar Frankrijk. De opmars van de Oranje Leeuwinnen is razendsnel gegaan. Want in mei 2017 weten nog maar weinig mensen wie Lieke Martens is, dat Oranje met Vivianne Miedema een wereldspits in huis heeft, of dat Jackie Groenen de vormgever op het middenveld is. In een paar maanden tijd verandert echter alles. Zonder ook maar enige verwachting van de buitenwacht is Nederland vrij in het hoofd en wint het EK in eigen land met aanvallend en aantrekkelijk voetbal. De WK-finale van dit jaar is een geheel ander verhaal. Met de ontstane verwachtingen is de druk hoog, het voetbal stroperig en doelvrouw Sari van Veenendaal moet haar ploeg meermaals op de been houden. Maar juist dát is volgens de keepster de winst die de ploeg geboekt heeft de afgelopen twee jaar. 'We hebben ook in moeilijke fases leren winnen', zegt ze na afloop van de halve finale tegen Zweden (1-0). Want waar op het EK alles wat Oranje aanraakt verandert in goud, gaat het na dat toernooi moeizaam met de Nederlandse voetbalsters. Sommigen kunnen in eigen land niet meer rustig over straat wandelen en worden uithangborden van grote sponsoren. Lieke Martens rondde bijvoorbeeld tijdens het WK de kaap van een miljoen volgers op Instagram en moet van alle speelsters op het toernooi alleen de Amerikaanse Alex Morgan (6,5 miljoen) en Marta (2,3) van Brazilië voor zich dulden. Intern beginnen zich wat scheurtjes te vertonen. Waar Martens, Miedema en Shanice van de Sanden steevast voor promotie-uitingen worden gebruikt, is het bijvoorbeeld verdediger Anouk Dekker (vaste waarde op het EK) die opmerkt dat ze toch met zijn allen Europees kampioen zijn geworden. Andere basisspelers in de aanloop naar dat toernooi, zoals Merel van Dongen (die niet eens geselecteerd werd) en Dominique Bloodworth, moeten ineens van de zijkant toezien hoe het vaste elftal roem verwerft, en de speelsters die buiten de boot vallen nauwelijks waardering krijgen. En dan is er nog de kunst om met al die aandacht de voeten op de grond te houden. In die moeilijke fase weet bondscoach Sarina Wiegman net op tijd de neuzen weer dezelfde richting op te krijgen. Want hoewel het voetbal in de play-offs voor het WK en op het toernooi zelf niet goed is, zien we een Oranje dat al het hele toernooi vecht als leeuwinnen, met elkaar, voor elkaar. Als één team. Voor het prille begin van het succes van de Oranje Leeuwinnen moeten we terug naar 2007, wanneer de Eredivisie voor vrouwen wordt opgericht. Speelsters trainen niet langer twee keer per week bij een amateurclub, maar worden bij ADO Den Haag, AZ, FC Twente, SC Heerenveen, FC Utrecht of Willem II bijna dagelijks omringd door een topsportcultuur. Die toename aan faciliteiten betekent de aanzet tot het vrouwenvoetbal van vandaag. Zo beginnen Miedema en Martens bij SC Heerenveen om jaren later bij respectievelijk Arsenal en FC Barcelona een topcontract te tekenen. Het zijn slechts twee voorbeelden van het huidige Oranje, die ook meteen de achilleshiel van de Eredivisie zichtbaar maakt. Na enkele jaren zijn de toptalenten de Nederlandse competitie ontgroeid en zetten ze de stap naar het buitenland, waar wél goed betaald wordt. De KNVB erkent dan inmiddels wel het belang van het vrouwenvoetbal nu er prestaties geleverd zijn en heeft na de winst van het EK de investeringen in de nationale ploeg flink opgeschroefd. Zo betaalt het hogere vergoedingen aan de speelsters, boekt het dezelfde hotels als de Oranjemannen en de staf is uitgebreid van zeven naar vijftien personen; op het WK kreeg Nederland bijvoorbeeld een eigen kok mee. Maar naast al die positieve geluiden weigert de KNVB om op te treden zoals de FA of de USSF. De Engelse voetbalbond investeert flink in de clubs zodat de speelsters van de nationale ploeg in eigen land kunnen blijven voetballen, en die van Amerika neemt het salaris van de speelsters over zodra ze een selectie voor hun land hebben ontvangen. En de KNVB? Die investeert 50.000 euro per jaar per club, en daar blijft het bij. De overige kosten en investeringen om een breder draagvlak te creëren, ziet het als de verantwoordelijkheid van de clubs zelf, die op hun beurt weer meer verwachten van de KNVB. Daarmee blijft de Eredivisie een zorgenkindje; het contrast met de nationale ploeg is groot, de niveauverschillen enorm. Een andere zorg is het beleid van de KNVB de afgelopen jaren qua vrouwenvoetbal. De topspeelsters van nu speelden - vaak uit noodzaak - tussen de jongens, waardoor zij technisch en fysiek uitstekend ontwikkeld zijn. De KNVB liet de jeugdspelers gemengd voetballen, tot het dat in 2010 plots afschafte, om nog altijd onduidelijke redenen. Een van de vage verklaringen was dat de ouders klaagden dat hun dochter op de bank zat omdat ze tussen de jongens moest spelen die beter waren. Deze zomer draaide de KNVB die beslissing weer terug. Tot de U11 zal er voortaan weer gemengd voetbal worden gespeeld. Maar hoe zit dat dan met de meiden die deze 'gouden generatie' moeten opvolgen? Juist die speelsters hebben níét tussen de jongens gespeeld. De hoerastemming rond de Oranje Leeuwinnen leidt tot de gedachte dat het alleen maar beter zal worden, het vrouwenvoetbal in Nederland staat immers pas net op poten. Maar juist daarom is het opvallend dat mensen als Pauw, al jarenlang actief in het vrouwenvoetbal, waarschuwen voor een terugval. Zij weet als geen ander dat vrouwenvoetbal in landen als Engeland en de Verenigde Staten gebouwd is op een breed fundament. Juist op dat vlak zijn ze in Nederland nog zoekende, en dat zal zo blijven zolang de clubs en de KNVB de hete aardappel naar elkaar blijven doorschuiven.