door Geert Foutré
...

door Geert FoutréOoit, zo'n jaar of twaalf geleden, onderhield Anderlechtmanager Michel Verschueren zijn gesprekspartner over het geheim van blijvend succes in het voetbal. Had die gesprekspartner er al eens over nagedacht waarom een monument in het Brussels voetbal als Union Sint-Gillis vanaf de jaren vijftig zo ver weggezakt was terwijl Anderlecht in die periode aan de top kwam en er bleef ? Het was een interessante vraag. Want tot de jaren zestig verzamelde Union elf landstitels en twee bekers en won het in de prille Europese competitie van AS Roma en Marseille. Na de degradatie in 1973 keerde Union niet meer terug op het hoogste niveau. Dat kwam, aldus Michel Verschueren, omdat Union in zijn denken stil was blijven staan. Vanuit zijn verleden niet de behoefte meer voelde om zichzelf in vraag te stellen en verzonk in nostalgie vanuit het eigen gelijk in een recent verleden, ondersteund door een indrukwekkende prijzenkast en foto's van oude gloriën Anderlecht daarentegen stelde zich elke dag weer in vraag, werkte elke dag hard om beter te worden dan de dag daarvoor. Wijze woorden, getuigend van visie.Toen het de voorbije jaren af en toe minder ging met Anderlecht, leek het af en toe alsof Verschueren zijn eigen les vergeten was. Dan verdedigde hij zich aan de hand van de palmares en het rijke verleden, samengevat in de gekende quote : "Alles bij elkaar hebben we het hier toch niet zo slecht gedaan." Evenmin als Union voordien.Het voorbije decennium geraakten steeds meer clubs in de verdoemenis, omdat ze mentaal onvoldoende weerbaar zijn om zich aan te passen aan de nieuwe tijden. In crisismomenten is men blijkbaar niet in staat om breder te denken, boven het eigen clubbelang uit te stijgen en grote oplossingen te kiezen voor grote problemen.In België staat het water de meeste clubs nog altijd tot aan de lippen. De meeste scheepjes maken water zodra het waterpeil stijgt. In plaats van gezamenlijk na te gaan hoe men het waterpeil op het meer kan controleren of een algemene hulpdienst inrichten, doet ieder zijn eigen ding. Als een concurrerend bootje zinkt, probeert men in plaats van dat met gezamenlijke acties te voorkomen zelf gauw een stuk wrakhout te recupereren dat even ergens voor kan dienen. Iedereen is als de dood om naar tweede klasse te zakken. Gezamenlijk een oplossing zoeken, een project uitbouwen om daar iets proberen aan te doen, eventueel met een solidariteitsfonds voor wie zakt, om zelf niet in het sukkelstraatje te verzeilen van voorgangers, dat is geen prioriteit. Liever gaat men op het einde als de paniek toeslaat gehoor geven aan charlatans die beloven in hun eentje het onheil af te zweren. Ordinair lapwerk, heet dat.Niemand vraagt zich af wat hij voor het voetbal kan doen, maar wat het voetbal voor hem of zijn club kan doen. Niemand die in de hele wirwar van G5 of G15 met een plan of een voorstel aankomt dat het eigenbelang overstijgt, dat getuigt van het verder kijken dan twee of drie zetten in het schaken. In die duistere dagen nemen bittere clubleiders nogal makkelijk een Calimero-complex aan : zij meten zichzelf de slachtofferrol toe, wijzen de media met de vinger die altijd op zoek gaat naar het negatieve, die de olievlek in het wateroppervlak zoeken. Zij dwalen. De gemiddelde journalist heeft geen trek meer in een nieuw Aalst, RWDM, of Mechelen : de herhaling van zo veel geknoei brengt zelfs de meest geharde cynicus tot de rand van de wanhoop. Lichtpunten zijn helaas niet in zicht. Die moeten in het voetbal zelf groeien. Dat kan. Zodra beheerders in de bestuurskamers een mentale knop omdraaien en visionair denken laten primeren op eigenbelang. Dat duurt nog even. Sommigen zijn nog volop water aan het scheppen, anderen staren zich blind op de prijzenkast en de galerij met oude foto's, of verwachten nog hulp van een suikernonkel uit het buitenland of de overheid. Zij geloven nog in Sinterklaas. Het ontwaken zal hard zijn. In duistere dagen nemen clubleiders nogal makkelijk een Calimero-complex aan.