Het is de vroege ochtend van 16 juni 1958. De gevangene wordt naar de galg geleid. Niemand verroert een vin, de strop knelt om de nek. De beulen gooien hem in een put op de binnenkoer van de gevangenis van Kozma Utca, met het hoofd naar beneden. Imre Nagy is dood. Hij is het slachtoffer geworden van een lachwekkend communistisch showproces uit de schandaligste stalinistische traditie. Hoe zou hij zijn laatste dagen hebben doorgebracht? Met toch een flauwe glimlach bij de herinnering aan het Gouden Team? En aan de fratsen van zijn idool Ferenc Puskás? Dacht hij nog eens terug aan dat bewogen en fantastische jaar met die fatale afloop, van 4 juli 1953 tot 4 juli 1954?
...

Het is de vroege ochtend van 16 juni 1958. De gevangene wordt naar de galg geleid. Niemand verroert een vin, de strop knelt om de nek. De beulen gooien hem in een put op de binnenkoer van de gevangenis van Kozma Utca, met het hoofd naar beneden. Imre Nagy is dood. Hij is het slachtoffer geworden van een lachwekkend communistisch showproces uit de schandaligste stalinistische traditie. Hoe zou hij zijn laatste dagen hebben doorgebracht? Met toch een flauwe glimlach bij de herinnering aan het Gouden Team? En aan de fratsen van zijn idool Ferenc Puskás? Dacht hij nog eens terug aan dat bewogen en fantastische jaar met die fatale afloop, van 4 juli 1953 tot 4 juli 1954? Op 4 juli 1953 kwam Nagy aan de macht om de Hongaren een goed leven te geven. Als premier beloofde hij een nieuwe koers. In het boek 1956. De Hongaarse Opstand refereert journalist Victor Sebestyen naar de historische radiotoespraak van Nagy. Daarin gaf hij toe dat 'sinds 1948 de Hongaren onbetamelijk waren behandeld'. In diezelfde periode veroorzaakten de prestaties van het Hongaarse nationale elftal een golf van enthousiasme in het land. Ze voedden de droom van de bevolking: vrijheid, welvaart en democratie. Het Gouden Team voetbalde nooit beter dan tussen 4 juli 1953 en 4 juli 1954. Met als klapstuk de 3-6 tegen Engeland op Wembley, 25 november 1953, tijdens The Game of the Century. De domper volgde op 4 juli 1954, de dag van de wereldbekerfinale. Hongarije kon niet verliezen, maar West-Duitsland gooide roet in het eten, het werd 2-3. De bevolking verbeet de teleurstelling niet. De hervormingen van Nagy gingen plots niet snel genoeg meer. Zijn plannen werden van hogerhand gesaboteerd. Begin 1955 werd hij door een intrige vanuit Moskou uit het openbare leven verbannen. Op 23 oktober 1956 ontplofte de sudderende situatie. De Hongaren kwamen spontaan op straat. Nagy werd in allerijl opnieuw tot het premierschap gedwongen in de hoop de opstand in de kiem te smoren. Hij wierp zich echter op als leider van de revolutie en verzette zich tegen de gewapende tussenkomst van de Sovjet-Unie. Op 22 november 1956 voerden de Russen toch de geplande invasie door. Nagy vluchtte met zijn gezin en enkele medestanders naar de ambassade van Joegoslavië. Hij werd ontvoerd door de staatsveiligheid. Twintig maanden later volgde het onverbiddelijke vonnis. Ze begroeven zijn ontzielde lichaam onder een laag beton. Waar was Puskás op dat ogenblik? Hij hikte tegen een internationale schorsing van achttien maanden aan. De zwaarlijvige linkspoot - tien kilogram boven zijn sportgewicht - worstelde sinds de opstand in 1956 met een soort wanhopige en zelfgekozen ballingschap. In de zomer van 1958 versierde hij op het nippertje een contract bij... Real Madrid. In 1953 kantelde een tijdperk. JozefStalin stierf. Aan de Donauboorden brachten werknemers uit de staalindustrie de stalinistische, Hongaarse dictator Mátyás Rákosi ten val. In zijn plaats kwam de joviale en zachtaardige plattelandsprofessor Imre Nagy aan het roer. Die woonde vol vuur de thuismatchen van zijn geliefde Honved Boedapest bij en vereerde Puskás. Hij droomde van een 'socialisme met een menselijk gelaat' ten voordele van de doodgewone Hongaar. Een jaar daarvoor, in 1952, had Het Gouden Team zijn eerste doorbraak geforceerd op de Olympische Spelen in Helsinki. Daar werd in de halve finale het Zweedse staal moeiteloos omgebogen, tot jolijt van de Finse supporters: 6-0. De Engelsman Stanley Rous, voorzitter van de FIFA, nodigde de Hongaren prompt uit voor een vriendschappelijk duel op Wembley, destijds de hoogste Europese voetbaleer. De Engelsen, die pas in 1950 voor het eerst in de WK-dans waren gesprongen, beschouwden het sinds 1900 als hun voorrecht om internationale tegenstanders van formaat naar Wembley te lokken in het kader van 'de match van het jaar'. Tot dan konden enkel Schotland, Ierland en Wales in Engeland winnen. Geen enkel continentaal elftal had 'het Team van de Roos' op eigen bodem in het zand doen bijten. Engeland-Hongarije, op 25 november 1953, werd geafficheerd als ' The Game of the Century'. Hongarije opende binnen de minuut de score met een vijfpassenbeweging en blufte onder leiding van Puskás de gastheren in alle facetten van het spel af: 3-6. En één om onbegrijpelijke redenen afgekeurde goal van Nándor Hidegkuti. Bij de pauze leidde Hongarije met 1-4 en het derde doelpunt van Engeland viel pas, na een strafschopgeschenk, bij 2-6. Van een spannende partij was geen moment sprake. De statistische gegevens brengen het sterkste getuigenis: de Engelsen trapten vijf keer tussen de palen en scoorden drie keer; de Hongaren schoten 35 maal op doel, waarvan 21 keer tussen het kader en zes keer tegen het net. 'Industrie versus kunst', vertolkte de Britse pers zijn bewondering. Zes maanden later, net voor de afreis naar het WK, volgde een nog zwaardere vernedering. In Boedapest kreeg Engeland voor 100.000 toeschouwers een 7-1 om de oren, de scherpste nederlaag uit zijn lange lijst van interlands. In deze aangename smeltkroes van maatschappelijke en sportieve euforie waanden de Hongaren zich al wereldkampioen. Gusztav Sebes, de Hongaarse bondscoach, vertoefde graag in zijn verbeelding, de voetbalverbeelding. Hij fantaseerde over 'socialistisch voetbal', een ideaal dat individuele schranderheid bundelde aan collectieve klasse. Intussen pionierde trainer Marton Bukovi, een vriend van Sebes, bij MTK Boedepast met het revolutionaire 4-2-4-systeem. De Britse journalist Jonathan Wilson karakteriseert in Hungary, more bricks than thicks hoe de discussie in Boedapest werd geleid door het triumviraat van drie radicale coaches met een verleden bij MTK Boedapest: Marton Bukovi, Béla Guttmann en Gusztav Sebes. Guttmann, de Hongaarse coach die later met Benfica twee keer Europacup I zou winnen, tilde de verloren 'joodse' invloeden over de Tweede Wereldoorlog heen. Bukovi bracht in de vroege jaren vijftig bij MTK kritische tactische ontwikkelingen aan en nam afstand van het strikte positiespel: de buitenspelers gingen dieper, de diepe spits zakte terug om het spel te verdelen en ruimte te scheppen voor de inkomende man en de keeper kreeg ook een opbouwende functie, de 'vliegende keeper' was geboren, net als de eerste variant van totaalvoetbal .Tussen 15 mei 1950 en 18 februari 1956 werd in vijftig interlands enkel de wereldbekerfinale van 1954 verloren: 216 goals voor, 50 tegen, 42 zeges. Op dat WK 1954 in Zwitserland overrompelde Hongarije Korea met 9-0 en kleineerde West-Duitsland, later op het toernooi ook de tegenstander in de finale, met 8-3. Bij 6-1 trapte de Duitse stopper Werner Liebrich Puskás kreupel. Puskás miste de brutale Battle of Bern tegen de Brazilianen (4-2) en de verblindende wedstrijd tegen uittredende wereldkampioen Uruguay (ook al 4-2). Sándor Kocsis werd tot topschutter én uitblinker van het toernooi uitgeroepen maar op de dag van de finale stak Murphy's Law zijn weerbarstige hoofd op. Een Zwitserse hoempapakapel verstoorde tijdens een feest voor het Hongaarse hotel de nachtrust van de selectie. De spelersbus strandde voor het stadion tussen de drommen toeschouwers en de politie koelde haar domme woede op de kale kop van de protesterende coach Sebes. Op de tribunes trommelden duizenden Duitsers elkaar weg. Het veld was één modderbrij, zodat de Magyaren hun creatieve balwisselingen niet konden doorvoeren. De kunstmatig opgelapte Puskás scoorde snel, maar zakte daarna volledig door het ijs. West-Duitsland boog met floddergoals en betonvoetbal een 2-0-achterstand om in 2-3-winst. Nochtans spraken de wedstrijdstatistieken boekdelen. West-Duitsland filterde drie goals uit acht doelpogingen; Hongarije twee uit vijfentwintig! De gelijkmakende 3-3 van Puskás werd volstrekt ten onrechte niet gehonoreerd. Ferenc Puskás was de mediaster van The Golden Squad en zonder twijfel de volmaaktste voetballer. Sándor Kocsis leidde de Hongaarse doelpuntendans (WK-topschutter met 11 goals) als het 'gouden hoofd' van het 'gouden team'. Kocsis dreef de doelpuntenproductie als vanzelfsprekend op, tot 75 goals in 68 interlands. Hij voer blind op Ferenc Puskás, het duo viel niet af te stoppen. Toch boterde het op persoonlijk vlak niet tussen beiden. De introverte Kocsis leed onder de opdringerige aanwezigheid van de altijd belangstelling opzoekende Puskás. Kocsis ging gebukt onder een minderwaardigheidscomplex. Dat schudde hij pas af tijdens het WK van 1954, ná de blessure van Puskás. Hij scoorde de ene goal na de andere, elf in totaal. Met glimmende prestaties tegen Brazilië (4-2) en Uruguay (4-2) in kwart- en halve finale. Totaal onaangekondigd keerde Puskás weer in de finale. Kocsis voelde zich onvoldoende gesteund door Sebes en zonk die namiddag letterlijk en figuurlijk weg in de zompige, moerassige grasmat in Bern. Op het middenveld tekende de sobere József Boszik, een trouwe partijsoldaat, de lijnen uit. Op de linkerflank toverde de - ook politiek - dissidente Zoltán Czibor. Hij verklaarde openlijk dat hij de democratie van het Westen verkoos boven de communistische éénpartijstaat van het Oostblok. Verschillende andere spelers (Puskás, Kocsis, keeper Gyula Grosics...) dachten er net zo over en verborgen hun sympathie voor de sociaaldemocratie of het liberalisme niet. Czibor vermaakte het publiek met zijn unieke dribbels. De magische vijfhoek werd vervolledigd door Nándor Hidegkuti. Hij was het eigenlijke brein van het team, de strateeg achter het systeem. Hongarije haalde zijn hoogste rendement wanneer coach Szebes de juiste positie van de lange man van MTK uittekende. Aanvankelijk deed Hidegkuti wat Szebes hem opdroeg en koerste op alle mogelijke plaatsen de gaten in het elftal dicht. Na de teleurstellende eerste match tegen Roemenië op de OS van 1952 paste de puzzel in elkaar. Hidegkuti werd van dan af diepe spits, met zijn rug naar het doel. Hij kaatste de harde maar afgemeten voorzetten door de centrale as van Boszik loepzuiver naar de opkomende tandems Puskás-Czibor en Kocsis- László Budai. Als de vijandige defensie muurvast zat, zakte hij af naar het middenveld en lokte zijn bewaker mee. Dat opende ruimte voor Puskás en Kocsis. Hidegkuti's optreden vloekte met dat van de typische stormende midvoor. Hij was hyperintelligent, dacht steeds enkele zetten vooruit en rukte verdedigingen uit verband zonder fysiek geweld. Het passenspel, niets dan het passenspel. Als gevolg van urenlange oefening. In Engeland-Hongarije bracht Hidegkuti Wembley tot zwijgen en overtrof zichzelf met drie doelpunten en een dubbele assist . Hij was de architect van The Game of the Century. Later schreef hij in zijn memoires zijn onverbloemde visie neer over de verloren wereldtitel van 1954. Hij stelde zich de retorische vraag die op de lippen van elke Hongaar brandde: waarom hebben we verloren? Hij hief een beschuldigende vinger in de richting van de beste voetballer: Ferenc Puskás. Hidegkuti betreurde de terugkeer van de meester in de finale. Als gevolg van zijn blessure in de kwalificatiematch tegen West-Duitsland miste hij zowel kwart- als halve finale tegen Brazilië en Uruguay. Hidegkuti verkoos het elftal van de sensationele partij tegen uittredend wereldkampioen Uruguay boven de passage van een half geblesseerde Puskás. Om onbegrijpelijke redenen haalde Sebes het elftal uit balans, plaatste Mihály Tóth op de linkerflank en verbande Czibor naar de rechtervleugel. Die ervoer dat als een belediging, vooral omdat de coach hem voor de groep had afgebrand: 'Czibor, de wijze waarop jij als linksbuiten speelt, is waardeloos.' Volgens Budai, Kocsis en Hidegkuti was Puskás niet paraat om aan te treden: 'We speelden met tien.' Sebes had nog een ongelukkige ingreep: hij nodigde de spelersvrouwen uit maar verbood contact. Zes spelers smeerden hem de nacht voor de finale en arriveerden pas 's ochtends in het hotel. Hidegkuti getuigt hoe de twijfel in de rangen sloop. Ondanks de gewonnen halve finale heerste er voor het eerst onvrede. Czibor verwees later ook naar de slechte sfeer in de bus naar het stadion. Hysterie dreigde, iedereen schreeuwde maar er heerste geen blijdschap. De angst was tastbaar en de WK-finale ging verloren. Een jaar later, in 1955, liep het experiment van twintig maanden hoopvolle Hongaarse omwentelingen onder Imre Nagy te pletter. Op 23 oktober haalden woedende Hongaren het monsterlijk hoge standbeeld van Stalin neer en dachten af te rekenen met het stuurse schrikbewind van Sovjet en sikkel. Hongaarse schrijvers verstopten het primitieve verlangen van studenten en arbeiders in één gedachtetinteling: vrijheid! Maar op 8 november 1956 ratelden de Russische tanks over de Boulevard der Martelaars. De verkilde straten van Boedapest likten de littekens van hun verzet. Het Gouden Team was dood. Net als Imre Nagy. Net als de Hongaarse hoop op verandering.