Op de dag dat Real Madrid met een gala zijn honderdjarige bestaan vierde, kon volgens de FIFA maar op één plek in de wereld worden gevoetbald. De bal rolde op 18 december 2002 alleen in het Estádio Santiago Bernabéu, waar een Realselectie het opnam tegen het FIFA Wereldelftal. Op de eretribune keek clubpresident Florentino Pérez, toen net twee jaar in het zadel, intens tevreden toe. Zo heeft hij dat namelijk graag: zijn levenswerk als centrum van het universum. Om hem heen zaten alle mensen die er op aarde toe deden. "Vandaag moet iedereen op alle continenten getuige kunnen zijn van het mooiste en het beste voetbal dat er op deze planeet wordt gespeeld. Een wedstrijd tussen de 'Beste van de Wereld 1' tegen de 'Beste van de Wereld 2'", sprak Pérez.
...

Op de dag dat Real Madrid met een gala zijn honderdjarige bestaan vierde, kon volgens de FIFA maar op één plek in de wereld worden gevoetbald. De bal rolde op 18 december 2002 alleen in het Estádio Santiago Bernabéu, waar een Realselectie het opnam tegen het FIFA Wereldelftal. Op de eretribune keek clubpresident Florentino Pérez, toen net twee jaar in het zadel, intens tevreden toe. Zo heeft hij dat namelijk graag: zijn levenswerk als centrum van het universum. Om hem heen zaten alle mensen die er op aarde toe deden. "Vandaag moet iedereen op alle continenten getuige kunnen zijn van het mooiste en het beste voetbal dat er op deze planeet wordt gespeeld. Een wedstrijd tussen de 'Beste van de Wereld 1' tegen de 'Beste van de Wereld 2'", sprak Pérez. Het waren de beginjaren van een megalomaan project dat begin deze eeuw in gang werd gezet met de komst van onder anderen Zinédine Zidane en David Beckham, tussen 2006 en 2009 een oponthoud van drie jaar had, en sinds Pérez' herverkiezing in 2009 stilaan zijn voltooiing nadert - met de nadruk op stilaan. Want wie dacht dat de winst van de Champions League in Lissabon de honger naar meer heeft gestild, zit behoorlijk mis. La Décima moet het begin vormen van iets dat alles overstijgt: de elfde Champions Leaguezege, de twaalfde, de dertiende... Van voetbal dat de wereld betovert en waarover van Nieuw-Zeeland tot Alaska wordt gesproken. "De mythe, de legende, het succes. Dát is Real Madrid!", vatte Pérez al eens samen. "Deze club moet niet alleen op het veld, maar ook daarbuiten uitstralen dat ze bijzonder is." De ligging van het stadion past in dat zelfgecreëerde imago. Real Madrid huist sinds 1947 aan de statige Paseo de la Castellana, de hoofdader in het financiële hart van de Spaanse hoofdstad. De grote banken, ministeries en musea zijn er gevestigd en dus ook de 32-voudige Spaanse kampioen die dit seizoen met een begroting van om en bij de 550 miljoen euro werkt. Alleen al daarom is het belachelijk te veronderstellen dat clubs als Anderlecht of Ajax ooit nog de Champions League kunnen winnen. Het is een huifkar laten racen tegen het nieuwste Ferrarimodel. Met Real Madrid als overtreffende trap in die wereld van de allerrijksten. De Koninklijke, in 1902 opgericht door de adellijke broers Juan en CarlosPrádos, is altijd een team van grote namen en nog grotere triomfen geweest. Een rondreizend circus van de beste voetballers op aarde. Onaanraakbaar bijna. In het zwart-wittijdperk, toen beelden nog spaarzaam waren, werd zelfs gesproken over "goden in het wit". Real Madrid was voor velen een andere wereld. Dát gevoel probeert Pérez nu weer aan te wakkeren door zelf een FIFA Wereldelftal samen te stellen. Alleen het beste is goed genoeg. De droommachine die Real Madrid heet, draait het hele jaar op volle toeren. Met om de paar dagen een parade van vedetten die elkaar de bal toespelen. Voor de gewone sterveling is het moeilijk dichtbij te komen. Cristiano Ronaldo is net zo onbenaderbaar als Barack Obama. Zelfs de Real Madridvolgers van de bekende Spaanse media krijgen de Portugees nooit zomaar een-op-een te spreken. En zo heeft elke speler zijn hofhouding. Het trainingscomplex Ciudad del Real Madrid in Valdebebas, waar de duurste benen op aarde onbespied toewerken naar weer een nieuwe galavoorstelling, is een halve vestingstad in de buurt van de luchthaven. Een afgeschermd Eldorado waar zelfs de bloemen in de clubkleuren bloeien. Het befaamde maagdelijke wit. Toen de Argentijn Jorge Valdano het Realshirt de eerste keer om zijn schouders trok, leek het - zo vertelde hij later - alsof hij "het dak van het wereldvoetbal kon aanraken". Hoger bestaat niet. Na Real kun je alleen nog maar naar beneden vallen, stelt de voormalige aanvaller, trainer en technisch directeur van de club. Waarom velen Real Madrid tot de hoogste bergtop rekenen, is niet in een paar zinnen te vangen. Cristiano Ronaldo verliet Manchester United voor de droom die hij als jongetje op Madeira had. Gareth Bale negeerde de Mancunians en werd in de Primera División de man van honderd miljoen. Tegen de lokroep van Real is geen speler bestand. Als je wordt gevraagd - en dat is de énige volgorde - dan zeg je "ja". Neem Toni Kroos. Een onbetwiste basiskracht van een grootmacht als Bayern München die voor het avontuur kiest en in het diepe springt. Garantie op een vaste plek heeft de middenvelder niet, ook al behoorde hij tot de uitblinkers van de gouden WK-ploeg van Duitsland en passte hij in zijn eerste officiële wedstrijd - het duel om de Europese supercup tegen Sevilla - de bal telkens naar iemand in een wit shirt. Maar de Koninklijke is nog net van een andere orde dan de recordkampioen van de Bundesliga. Zelfs de koele Kroos bleek weerloos tegen de verlokkingen uit het voetbalparadijs. Real Madrid is gebouwd op overwinningen en succes. Daar ontleent de club haar identiteit aan. Totaal. Voor nederlagen bestaan geen excuses. Daarom hadden de clubmensen, de Madridistas, een schurfthekel aan onruststoker José Mourinho. Híj won en als dat niet zo was, dan lag dat altijd aan de ref, het veld of een speler die zijn opdrachten niet had uitgevoerd. Mourinho vergat dat hij maar weinig voorstelde in de historie van een club waarvan de legende is gegrondvest op honderden titels en kampioenschappen. De Portugees is slechts een voetnoot in Reals geschiedenis, terwijl hij bij Chelsea een nieuw tijdperk inluidde dat tot dusver in dertien trofeeën resulteerde. Mourinho was in Londen dan wel niet direct betrokken bij elke prijs, maar zijn handtekening staat op alle bekers als grondlegger van een mentaliteit, een denkwijze, een elftal. In Madrid daarentegen zal hij voor altijd een passant blijven, een rimpeling in de vijver. Of negatiever: een zwarte episode in een mooi sprookje. Bij Real staan andere mannen model voor het wezen van de club. Santiago Bernabéu bijvoorbeeld. De legendarische voorzitter die van 1943 tot aan zijn dood in 1987 de leiding had en naar wie het stadion is vernoemd. Of Alfredo Di Stéfano, de afgelopen juli overleden wondermidvoor die een spiegel werd voor de Koninklijke omdat hij stond voor klasse, gratie en talent. Hij ontsteeg het alledaagse, net zoals Real Madrid meer wil zijn dan zomaar een voetbalelftal. Bijna een miljoen mensen schuiven elk jaar langs de eindeloze rij vitrines in het Real Madridmuseum. De helft daarvan is toerist en komt uit het buitenland. Zij hopen in de buik van de club een flard op te vangen van de betovering die tot ver over de landsgrenzen is neergestreken. Voor negentien euro - zoveel kost een toegangskaartje - kun je je vergapen aan de onnoemelijke hoeveelheid bekers in de indrukwekkende Sala de Trofeos, aan iconische rugnummers, shirts, schoenen van legendes en beelden van beslissende momenten. Of een foto nemen in de dug-out van het Bernabéustadion, dat aan de buitenkant grauw en onpersoonlijk oogt, maar vlak voor het begin van een wedstrijd siddert van verwachting. Rond de start van het nieuwe millennium werd Real Madrid officieel uitgeroepen tot de beste club van de twintigste eeuw. Waarbij de vijf opeenvolgende Europa Cup I-zeges in de jaren vijftig als markeringspunt gelden. Die overwinningen waren de kiem van Reals mythische status. De bebrilde man die de voorbije jaren glimmend op de foto naast wéér een steraankoop stond, maakte als kind kennis met het jubelvoetbal dat het Witte Ballet werd genoemd. Florentino Pérez was acht jaar toen Real Madrid in 1956 met sprankelend spel de eerste editie won van wat nu de Champions League heet. Aan zijn vaders hand zag hij Ferenc Puskás, Paco Gento en Di Stéfano toveren. Met Cristiano Ronaldo, James Rodríguez en Gareth Bale heeft hij nu een moderne variant van zijn jeugdjaren gecreëerd. De nieuwe goden in het wit. Het Realpubliek wil dan ook vermaakt worden. In de meeste secties van het Bernabéustadion wordt doorgaans niet gezongen of geschreeuwd. Alsof je naar het theater gaat. De mensen kauwen op hun zonnebloempitten en verwachten spektakel. Als de vertoning bevalt, wordt er geapplaudisseerd, zo niet, dan fluiten ze. Of nog erger: tijdens een saai duel kan er een onheilspellende stilte vanaf de tribunes neerdalen, die onder je huid kruipt als je als speler niet sterk in je schoenen staat. Alleen winnen is niet genoeg. Toen Pérez veertien jaar geleden met zijn Galácticosproject begon, had hij kraakhelder voor ogen welke kant hij op wilde. De Koninklijke moest weer dezelfde grandeur krijgen als in de glorieuze jaren vijftig. Real Madrid als mondiaal tot de verbeelding sprekend merk, een verzameling van de beste spelers op aarde. Of zoals Pérez dat in 2000 voor zich zag: voetbal als een universele collectieve droom. In die zin is de zakenman, geboren en getogen in Madrid, nog altijd de achtjarige die voor het eerst de trappen van het Estádio Santiago Bernabéu besteeg. Aan de manier waarop de grote miljoenentransfers werden gefinancierd, zeker in Pérez' eerste ambtsperiode, kleeft een licht frauduleuze geur. Het voormalige trainingscomplex van de club, in het centrum van Madrid, werd ook voor liefst vijfhonderd miljoen euro - een veelvoud van de werkelijke waarde - verkocht aan het stadsbestuur. Een een-tweetje tussen Pérez en de lokale autoriteiten. Met het geld konden de Buitenaardsen worden gehaald. Luís Figo was in 2000 de eerste. Daarna volgden Zinédine Zidane (2001), Ronaldo (2002) en David Beckham (2003). Om de komst van Cristiano Ronaldo in 2009 mogelijk te maken, leende Pérez geld bij een bank. De preses investeert met liefde in de duurste voetballers op aarde, omdat die volgens zijn filosofie de goedkoopste zijn. Zij versterken het merk, garanderen het gewenste schouwspel en zorgen er tegelijkertijd voor dat er gewonnen wordt. Een win-win-winsituatie. Het Galácticosmodel wérkt. Real torst weliswaar een torenhoge schuldenberg, maar wie de cijfers goed bekijkt, moet concluderen dat de club al jaren meer binnenhaalt dan ze uitgeeft. Voor Pérez de rode loper uitrolde, lag de omzet rond de 120 miljoen euro. Een bedrag dat in dertien jaar bijna vervijfvoudigd is. Sinds 2003 noteert de Koninklijke bovendien elk jaar zwarte cijfers, mede dankzij een onovertroffen marketingstrategie. De Real Madridvoetbalscholen schieten bijvoorbeeld als paddenstoelen uit de grond. Bijna tweehonderd zijn er nu, in meer dan zestig landen. Met het scouten van talent hebben die initiatieven niets te maken. Particulieren betalen voor het logo, terwijl het merk zich als een olievlek onder de jongere fans verspreidt. Ofwel: Real Madrid als voetbaldroom. Dit seizoen staat een linie van drie achter de spits opgesteld waarvoor in totaal 274 miljoen euro is betaald. Zelfs op PlayStation zou dat een tikkeltje aan de excentrieke kant zijn, maar bij Real Madrid is dat normaal. Daar wordt Ángel di María, een van de uitblinkers van het voorbije Champions Leagueseizoen, afgeserveerd omdat hij commercieel minder tot de verbeelding spreekt dan WK-ster James Rodríguez. De Colombiaan is met zijn gave babyface immers de ultieme posterboy. Aan trainer Carlo Ancelotti de taak van die verzameling halfgoden een geheel te smeden. Geen eenvoudige klus. Het afgelopen seizoen had de Italiaan ruim zes maanden nodig om de puzzel te leggen. Dit keer moet het sneller. Anders is het zonder pardon exit Ancelotti. De voetballers zijn de pilaren waarop het imago is gebouwd, de trainer een noodzakelijk kwaad die de gouden benen van de sterren dezelfde kant moet laten oprennen. En de droommachine moet laten draaien. DOOR SULEYMAN ÖZTURK - BEELDEN BELGAIMAGEReal torst weliswaar een schuldenberg, maar wie de cijfers goed bekijkt, moet concluderen dat de club al jaren meer binnenhaalt dan ze uitgeeft.