De nazomerzon schijnt over het Van Beuningenplein in Amsterdam-West. Kinderstemmen vullen de lucht en een van de laatste warme dagen van het jaar heeft deze middag ook enkele ouders en bewoners naar buiten gelokt. Op het terras te midden van de botsende ballen en kirrende jongens en meisjes is het goed toeven.
...

De nazomerzon schijnt over het Van Beuningenplein in Amsterdam-West. Kinderstemmen vullen de lucht en een van de laatste warme dagen van het jaar heeft deze middag ook enkele ouders en bewoners naar buiten gelokt. Op het terras te midden van de botsende ballen en kirrende jongens en meisjes is het goed toeven. Aan de rand van het plein staan Mohammed (45) en OmarTissoudali (34). Met een vertederde blik kijken ze uit over het veldje dat letterlijk aan hun voordeur ligt; loop de deur uit van Van Beuningenplein nummer 70 en je staat op het beton dat hen en hun broer TarikTissoudali (28) vormde. Niet langer letterlijk genomen, overigens. Het pleintje van nu doet nog weinig denken aan de tijd waarin de broers Tissoudali en hun vriendjes uit de buurt de wetten van de straat bepaalden. De wijk werd de afgelopen jaren grondig aangepakt; verduurzaamd, zoals dat met een mooi woord heet. Er is nu meer diversiteit en minder criminaliteit. De huizen en appartementen hier werden gewild en Nederlanders en Marokkanen wonen er gemoedelijk naast elkaar. Het is beter zo, zeggen de broers; niet langer passeren de kinderen op hun weg naar huis enkele junks, zoals zij dat vroeger wél meemaakten. Omar, bijvoorbeeld, nam zijn broertje Tarik op de schouders mee na een dag op de basisschool. Ze zagen tal van verslaafden en keken de angst in de ogen. Niet alleen daar, op de hoeken van de straten. Ook enkele van hun voetbalvriendjes kwamen in de criminaliteit terecht; terwijl de bal over het plein van voet naar voet ging en hen verbond, dreef dát hen uit elkaar. Ruimte voor ontsporing was er namelijk niet voor de broers Tissoudali. Het is de oudste van het stel, Mohammed, die daar een leidende rol in speelde. Omdat hun vader lange dagen werkte, wierp Mohammed zich vanzelf op als de pater familias. Hij zwoer alles af: roken, drinken, drugs... Zo waren ze thuis opgevoed, volgens de regels van de islam, maar zo leefde dat vooral ook sterk in hem. Bovendien zagen ze bij een van hun broers hoe het kon gaan wanneer ze wél aan de verleidingen van de straat zouden toegeven. De jongeren uit het gezin hadden zo twee voorbeelden en ze kozen die van het constructieve pad, met voetbal als ankerpunt. 'Het is een geschenk dat dit pleintje in onze voortuin lag', zegt Omar. 'Voor hetzelfde geld lag het een paar straten verderop. Onderweg kom je van alles tegen en onze ouders hadden niet de tijd om zich met ons bezig te houden.' Mohammed: 'Hier was er altijd controle, van onze moeder die alleen maar even uit het raam hoefde te kijken of van ons, de broers, die over de rest van het gezin waakten.' Binnen dat gezin zijn er duidelijke regels: respect voor anderen en vooral ouderen staat voorop, net als hun geloof. 'Als de buurjongens kwamen klagen dat we hen hadden gepest, dan hadden we écht een probleem bij onze moeder', zegt Omar lachend. Slechts een paar stappen verder gaan we de voordeur door, waarachter moeder Aicha deze middag Marokkaanse thee schenkt en koekjes serveert. De voertaal is Marokkaans, moeder verstaat en spreekt geen Nederlands. Vader Messoud is er dan nog niet; hij komt later thuis. Hier, in deze woning, liggen de roots van Tarik Tissoudali. Het is vanbuiten een idyllische woning in een karakteristieke rij; zo vind je ze in Amsterdam veel. Wie voor het huis staat, kan zich nauwelijks voorstellen dat hier een gezin met tien kinderen woonde en er - nu het merendeel zich over de stad verspreidde - eens per week met ook de achttien kleinkinderen wordt gegeten. Wie eenmaal binnen is, ziet echter dat de woning praktisch is ingedeeld; een grote, sierlijke bank vult de hele breedte en de zijkanten van de voorkant en dan is er een ruimte aan de achterzijde, waar nog zo'n meubel staat én de tv. Dáár zit de familie op de dagen wanneer Tarik speelt. Waar vooral hun vader, Mohammed en hun andere broer Khalid voor de tv uitzinnig worden en beginnen te roepen en schelden, spreken hun moeder en Omar zalvende woorden. Tarik heeft altijd een bijzondere rol in het gezin gehad. Hij is de jongste zoon, de oogappel van de ouderen én van vader. Wanneer zijn broers hem eens durfden aan te pakken, kwam Messoud ertussen: dat ze rustig met hem moesten doen. Na Tarik werd nog een zus geboren, Youssra. Tussen haar en de oudste, Mohammed dus, zit 23 jaar. De andere telgen in het gezin Tissoudali heten - naast Omar en Khalid - Nabila, Hanan, Moestafa, Anouar en Khadija. Zes jongens en vier meisjes dus, verdeeld over enkele stapelbedden in drie slaapkamers. Overdag waren de jongens altijd buiten, vooral op het pleintje. Wanneer het eten klaarstond, stak moeder haar hoofd door het raam en riep ze hen. Na het eten gingen ze weer verder, tot het donker werd. In de zomer moest de politie hen wegsturen, anders waren ze om elf uur nog bezig, maar op de lange winteravonden diende de gang van hun ouderlijk huis als pleintje. De deur naar de huiskamer gold als een van de twee goals en hun moeder werd soms zo moedeloos van het gebonk dat ze de bal afpakte. 'Er zijn er meerdere lek geprikt', zegt Omar, waarna de broers verder gingen met een kussen of een paar in elkaar gedraaide sokken. 'Het was nog een andere tijd; geen computers, geen telefoons... We hadden niets anders dan de bal.' Het verhaal van het gezin Tissoudali begint in Marokko, in het gebergte M'Tioua, dat aan de noordkust ligt. Vanuit het dorpje Tarmast trekt Messoud Tissoudali naar Amsterdam, waar hij in 1970 als schoonmaker en afwasser begint bij restaurant Kelderhof, een bekend etablissement aan de Prinsengracht. Zoals veel Marokkaanse mannen in die tijd heeft Messoud het voornemen om enkele maanden in Nederland te werken, zo kan hij wat sparen om zich daarna weer bij zijn gezin te voegen. Maar maanden worden jaren en uiteindelijk zelfs bijna twee decennia; slecht een keer in de twee jaar keert hij terug naar Tarmast. In de jaren tachtig besluit hij zijn vrouw en hun vijf kinderen naar Nederland te halen, waar ze vanaf 1986 in Amsterdam-Zuid gaan wonen. Negen jaar later komt de familie hier, in dit huis in de Staatsliedenbuurt in West, terecht. Vader Messoud is dan allang geen afwasser meer; hij heeft het inmiddels tot chef-kok geschopt. 'Hij kan goed koken, ja', zegt Mohammed lachend. 'Dat heeft hij hier geleerd. Maar thuis kookt mijn moeder altijd.' Met tien kinderen is het elke dag alle hens aan dek. Vader werkt zes dagen per week en omdat hij kok is, is hij weg wanneer de kinderen thuis zijn en andersom: hij slaapt nog als zijn kroost 's ochtends de tassen klaarmaakt voor school. Moeder Aicha runt het huishouden; tijd voor meer dan werken en koken, poetsen en wassen - in huize Tissoudali draaien zes machines per dag - is er voor beide ouders niet. Het is daarom dat Mohammed zich met zijn jongere broers en zussen bezighoudt. Er is een natuurlijke vorm van controle: hij houdt in de gaten waar ze uithangen, wie ze ontmoeten en waarmee ze bezig zijn. Zodoende begeleidt hij ook Tarik, persoonlijk en als voetballer, en dat doet hij samen met Omar, die vanuit zichzelf altijd al een vaderrol op zich heeft genomen. Als jongerencoach probeert hij kwetsbare jongeren in het gareel te houden of te krijgen. Hij praat met ze, laat ze op zichzelf reflecteren en betrekt ook hun ouders daarbij. Zo ontfermt hij zich met Mohammed ook over hun gezin en daarmee ook Tarik, die als jonge voetballer al opvalt op het pleintje. Het Van Beuningenplein ziet er, zoals gezegd, dan nog anders uit. Het lange veld wordt in die tijd omzoomd door een hek en bomen die voor een natuurlijk afsluiting zorgen. Heel open is het plein daardoor niet; je kunt niet van buiten naar binnen kijken waardoor de drempel voor jongeren die niet uit de buurt komen groot is. 'Wij waren daarin ook duidelijk', blikt Omar terug. 'Op straat krijg je gauw een naam en een bepaalde status en ze wisten dat het Van Beuningenplein niet zomaar benaderbaar was. Het stond bekend als dat het van ons was, van de kinderen die hier woonden en onder hen was er altijd wel een Tissoudali, waardoor we het gekscherend het Tissouplein noemden. Het was vaak al overvol, je kwam er niet zomaar even tussen, zeker niet als we je niet kenden. Dat was gewoon de mentaliteit van de straat; je moest voor jezelf opkomen. Het was echt niet alleen plezier. We organiseerden toernooitjes en als je eruit lag, moest je lang wachten voor je weer kon voetballen. En voetballen... dat was het leukste wat er was; niemand wilde verliezen en toekijken. Het was dan ook vaak gewoon keihard en overleven.' De reorganisatie van het plein heeft dat veranderd, zegt hij. 'Daardoor is het gemengder geworden en meer open. Voor ons werd het vanaf toen wel wat minder leuk waardoor we ook andere pleintjes gingen opzoeken en tegen steeds betere voetballers kwamen te staan.' Dat is óók een valkuil, zeggen de broers. 'Hoe meer mensen je kent, hoe kwetsbaarder je wordt. Wie is dat? Wat doet die? We kregen dat dan ook al snel van anderen te horen: 'Je broertje is met die en die bezig.' Maar Tarik hoefden we nooit te controleren.' Tarik is een rustige en verlegen jongen, niet iemand die zich - net zomin als zijn broers - op de voorgrond stelt. De typische Amsterdamse branie is hem vreemd, maar die heeft hij in de straten van Amsterdam ook niet nodig. Daar spreekt hij met zijn voeten en al gauw kent iedereen hem. Tarik staat bekend om zijn techniek, zijn dribbel en de actie; een wet van het straatvoetbal om respect af te dwingen. 'De ander vernederen met je acties, dat was de mentaliteit van het pleintje', zegt Omar. 'Later, als veldspeler, leerden we hem om vooral rendement te hebben, maar op straat wil iedereen horen dat je een gruwelijke actie hebt gemaakt. Die bepaalt je status.' Ineens begint hij te lachen. Hij ziet een beeld voor zich waarbij zijn vader tijdens de ramadan net na zonsondergang een dadel en een pakje drinken aan Tarik aanreikt terwijl die nog op het veld staat voor een selectiewedstrijd van de KNVB. Net op dat moment komt er een hoge bal zijn richting uit en met de dadel en het pakje drinken in zijn hand neemt hij de bal aan, dribbelt een paar man en scoort. 'Een historisch moment', zeggen Omar en Mohammed lachend. Ondanks zijn talent wordt Tarik nooit opgemerkt door een profclub. In een interview in dit blad sprak hij er zelf al eens over: hij ziet andere jongens wel bij profclubs geraken, maar hijzelf blijft lange tijd actief bij de amateurs. 'Tarik is niet iemand die meteen zijn plaats zal opeisen of zal gaan roepen om op te vallen. Misschien heeft het daarmee te maken', zegt Mohammed. Omar: 'Wanneer hij ergens komt, kijkt hij eerst de kat uit de boom en bouwt hij langzaam contacten op. Wanneer hij weet hoe de jongens zijn, komt hij los, maar als hij uit zijn comfortzone moet komen, wordt hij verlegen.' Toch is hij nu waar hij wil zijn, op zijn geheel eigen manier. 'Een opleiding bij een profclub biedt geen garanties. Kijk maar hoeveel jongens uiteindelijk afvallen die de omgekeerde weg zijn gegaan', zegt Mohammed. Omar: 'Kennelijk was dit Tarik zijn weg.' Ook met discriminatie hebben ze nooit te maken gehad. 'Je moet altijd eerst naar jezelf kijken, anders ga je een slachtofferrol aannemen. Je kunt altijd meer doen dan je doet; kritisch naar jezelf kijken is de sleutel. Ieder mens kan beter.' Nu is het dan ook allemaal goed uitgepakt, maar destijds slaat de twijfel weleens toe. In datzelfde interview geeft Tarik aan dat hij als amateurvoetballer zijn droom om prof te worden bijna opgeeft. Hij denkt aan het zoeken van een fulltimebaan, zoals hij altijd met bijbaantjes voor zijn eigen inkomen heeft gezorgd. In zijn vrije uren is hij pizzakoerier, loopt hij een krantenwijk en werkt hij in een supermarkt en bij McDonald's. 'Als je een grote familie hebt, kun je niet even aan je vader vragen: ik wil nieuwe Nikes', zegt Mohammed. Omar: 'Wij kochten ook wel eens wat voor hem, maar we leerden hem ook om de verantwoordelijkheid voor zichzelf te nemen; dat hij niet afhankelijk was van ons. Dat konden wij ten eerste zelf niet realiseren, maar hij moest zich ook beseffen dat het leven niet gemakkelijk is, dat je er hard voor moet werken om ergens te komen.' Zijn broers blijven hem op die manier steunen, hem voorhouden dat hij alles moet blijven geven. Dan zal zijn kans wel komen. Omar werpt zich daarbij op als een soort makelaar. Hij begint de wedstrijden van zijn broer bij Argon, waar hij inmiddels als senior voetbalt, te filmen en clubs aan te schrijven. Na een toernooi bij Sparta Nijkerk weet hij de verantwoordelijke te charmeren met de montage die hij heeft gemaakt. Zo komt Tarik bij de hoofdklasser terecht, om vanuit daar alsnog naar een eerstedivisionist te verkassen: Telstar. Met die overstap is Tarik Tissoudali op zijn 21e dan toch profvoetballer geworden. Na twee seizoenen pikt Le Havre hem op, maar de taal is een te grote barrière om er in de ploeg opgenomen te worden. Bovendien is Frankrijk ver weg van Amsterdam. Wanneer zijn moeder naar die tijd wordt gevraagd, vertelt ze dat ze moest huilen toen hij vertrok. Elke dag bellen ze en via uitleenbeurten in opnieuw de Nederlandse eerste divisie komt hij uiteindelijk bij Beerschot terecht. De rest is bekend: Tarik Tissoudali is gelanceerd. Eindelijk... Zijn familie kijkt nu uiteraard vol trots naar de weg die hij heeft afgelegd. Omar speelde zelf in het Nederlands zaalvoetbalteam; hij maakte andere keuzes, maar dat zijn broer nu bij een topclub in België speelt, is wat ze beoogden. Alles wat nu nog volgt is een extraatje - wat niet wil zeggen dat ze er niet alles willen uithalen, zoals uiteraard ook Tarik zelf dat nastreeft. Ze blijven zijn begeleiders, zijn spiegel ook; nog altijd houden ze veel contact waar er naast de plagerijtjes van de broers onder elkaar vooral ook veel ruimte is voor serieuze gesprekken. Het waren dan ook Mohammed en Omar die hem op het hart drukten dat hij voor zijn sport moest gaan leven. 'Als je nu foto's ziet van hem en bij Le Havre ... dan lijkt hij dik', zegt Omar. 'Dat was hij niet, maar hij is nu gewoon zó afgetraind. Een keer een vette hap met vrienden doet hij niet meer, hij leeft nu echt helemaal voor zijn sport.' En als het even kan, komt hij naar Amsterdam, uiteraard voor zijn familie, maar ook zijn vrienden. Zijn maten van vroeger zijn nog altijd die van nu. Want Amsterdam, en dan vooral het Van Beuningen- aka Tissouplein, dat is en blijft zijn thuis.