De eerste competitie werd georganiseerd in het jaar dat de voetbalbond werd opgericht: op 1 september 1895 ziet de UBSSA (Union Belge des Sociétés de Sports Athlétiques) het levenslicht. Op 28 juli 1912 zou die herdoopt worden tot UBSFA (Union Belge des Sociétés de Football-Association) en vanaf 1913 werd ook de Nederlandse naam BVB (Belgische Voetbalbond) gebruikt. In 1920 werd daar 'Royale' respectievelijk 'Koninklijke' aan toegevoegd.
...

De eerste competitie werd georganiseerd in het jaar dat de voetbalbond werd opgericht: op 1 september 1895 ziet de UBSSA (Union Belge des Sociétés de Sports Athlétiques) het levenslicht. Op 28 juli 1912 zou die herdoopt worden tot UBSFA (Union Belge des Sociétés de Football-Association) en vanaf 1913 werd ook de Nederlandse naam BVB (Belgische Voetbalbond) gebruikt. In 1920 werd daar 'Royale' respectievelijk 'Koninklijke' aan toegevoegd. Maar ook voor 1895 werd er hier al een balletje getrapt en België zou België niet zijn als er geen communautaire onenigheid zou bestaan over de oorsprong van het voetbal bij ons. Volgens de Vlamingen staat de wieg in het college van Melle bij Gent. Daar zou het voetbal halverwege de jaren 1860 ingevoerd zijn door een Ierse scholier genaamd Cyril Bernard Morrogh. De Franstaligen verwijzen echter naar Spa, waar in de negentiende eeuw de rijken samentroepten en de Schotse Royal Navyluitenant Sir Edward Hunter Blair de lokale FC Spa opgericht zou hebben. Die club werd in den beginne bemand door de leden van zijn eigen clan en de bevriende clan van de rentenier James Ogilvy Fairlie. Maar door alleen Vlaanderen en Wallonië te noemen gaan we voorbij aan Brussel, misschien wel de echte bakermat van het Belgische voetbal. In de negentiende eeuw telt het Britse Rijk onderdanen in alle Europese havens (zoals Antwerpen) en industriesteden (zoals Luik en Verviers), maar de Engelse aanwezigheid is nergens zo uitgesproken als in onze hoofdstad. Een volkstelling die dateert uit het midden van de negentiende eeuw toont een totaal van 4098 Engelsen in België, van wie onder meer 238 in de provincie Luik, 577 in Antwerpen en maar liefst 1937 in Brabant. Wie waren zij? Aan de ene kant had je de nakomelingen van soldaten die Napoleon hadden bevochten bij Waterloo en in onze contreien waren gebleven. Daarnaast moet men weten dat het Frans indertijd de taal van de aristocratie was. Rijke Britten werden aangetrokken door de Franse taal en cultuur in België en beschouwden Brussel een beetje als Klein Parijs - bovendien minder duur dan de Franse hoofdstad. Denk bijvoorbeeld aan de schrijvende zussen Emily en Charlotte Brontë (de eerste schreef Wuthering Heights, de tweede Jane Eyre) die destijds in Brussel studeerden. Als gevolg daarvan opende in Brussel een heel aantal scholen de deuren. Een van de meest bekende was het Jenkins and Harlocks College in de Sint-Bernardstraat, niet ver van de Louizalaan en het zanderige plein van Ten Bosch. Op die plaats speelden jongeren en ouderen geregeld met een bal, zo blijkt uit oude gravures. Stond daar dus de wieg van het voetbal in België? Het heeft er alle schijn van. In elk geval zijn er vijf Brusselse clubs bij de tien stichtende leden van de UBSSA: Athletic and Running Club, Léopold Club de Bruxelles, Racing Club de Bruxelles, Sporting Club de Bruxelles en Union FC d'Ixelles. De andere vijf oprichters zijn Antwerp FC, FC Brugeois, AA La Gantoise, FC Liégeois en FC Verviers. Sommige van die clubs hadden aanvankelijk zelfs geen voetbalafdeling, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de naam Athletic and Running Club. Ook La Gantoise was bij zijn oprichting in 1864 slechts een turnvereniging. In den beginne was trouwens ook de UBSSA een multisportbond, met behalve voetbal ook atletiek, boksen, worstelen, rugby, gewichtheffen, cricket, wielrennen en andere sporten. De inzet van de nieuwe competitie, die in 1895 van start gaat, is een zilveren trofee die de naam 'Coupe du Championnat' draagt, de 'beker van het kampioenschap'. Een ploeg die de trofee twee keer na elkaar wint, mag hem houden. De datum waarop de UBSSA gesticht wordt, is 1 september en dus is het niet verwonderlijk dat pas twee maanden later de formule van het kampioenschap wordt bepaald. Er zijn binnen de nieuwe bond namelijk twee stromingen. De ene wil een systeem met directe uitschakeling, zoals dat in de Engelse beker het geval is. De andere heeft het meer voor een schema met heen- en terugwedstrijden. Het is die formule die het uiteindelijk haalt. Van een echte kalender is geen sprake. De clubs moeten onderling de dag en het aanvangsuur van hun wedstrijden overeenkomen. Zeven ploegen nemen deel aan deze eerste competitie. Op 10 november 1895 geeft Antwerp er als eerste een lap op. Dat mag bijna letterlijk genomen worden, want de tegenstander in die allereerste match, Sporting Club de Bruxelles, wordt in de velodroom van Zurenborg met 8-0 verpletterd. Het dient gezegd dat de Great Old nogal wat Engelsen in zijn rangen telde (getuige de namen Wolff, Chapman, Groom, Freedman, Jenkinson, Robertson, Wilkinson en Hood) die bedreven waren in het voetbal. De Brusselaars van hun kant hadden, in de hoop geen modderfiguur te slaan, de versterking ingeroepen van drie rasechte Belgen: MarcelMonnoyer, LouisDeschrijver en DanielNazy. Die drie speelden voor een andere club uit de hoofdstad, Brussels Football Association (niet betrokken bij de oprichting van de UBSSA), en hadden in een onderlinge vriendenmatch een goeie indruk gemaakt op het bestuur van Sporting. Ze speelden de wedstrijd tegen Antwerp mee en waren daardoor - volgens het eerste reglement uit die tijd - automatisch aangesloten bij Sporting voor de rest van het seizoen. Ondanks hun inbreng worden de Brusselaars dus ingemaakt door een team waarin een van de weinige Belgen, Cornelius Ledeboer, opvalt doordat hij de eerste hattrick van het kersverse kampioenschap laat aantekenen. Antwerp wordt door heel wat kranten uit die tijd beschouwd als de te kloppen ploeg, maar tuimelt een week later al van zijn wolk wanneer het in het Jubelpark met 3-2 verliest van FC Léopold. Bij die club spelen geen Engelsen, eerder mannen uit de beau monde, zo kan uit de ploegsopstelling worden afgeleid: Albert de Bassompière, Paul de Borman (die als tennisser in 1904 de finale van de Daviscup zou spelen) en in doel baron Edouard-Emile de Laveleye. Nog onder de indruk van die nederlaag weigert Antwerp op 24 november op hetzelfde terrein in het Jubelpark de wedstrijd tegen Sporting Club de Bruxelles aan te vatten, omdat de afmetingen niet reglementair zouden zijn. Dat klopt wel, maar de waarheid is waarschijnlijk deze: de Antwerpenaars hebben maar met tien spelers de trein naar Brussel genomen. Een afgelasting komt hen dus goed uit. Op datzelfde ogenblik vindt elders in de hoofdstad de eerste derby plaats tussen Racing Club de Bruxelles en Union FC d'Ixelles. De kranten uit die tijd maken melding van een zekere Zim in het doel van de Ratten. In feite was dat gewoon de bijnaam van Gustave Pelgrims. Dat gebeurde toen wel meer, want het was voor leden van chique families niet erg bon ton om een wat brutale sport als voetbal te beoefenen. Bij datzelfde Racing zou enkele jaren later international Jules Lemaire zijn matchen spelen onder de naam Jules Lavigne. Die bewuste Zim werd de antiheld van die eerste derby. Bij een verre trap belandde de bal, gedragen door de wind, in zijn netten. Het werd voor de bezoekers uit Elsene meteen de enige overwinning in de competitie. Uit de berichten die ons van die tijd hebben bereikt, kunnen we ook opmaken dat kritiek op de scheidsrechter van alle tijden is. Op 22 november moet Racing CB thuis de wei in tegen FC Brugeois. Na een 1-3-voorsprong moeten de Bruggelingen nog een draw toestaan. De gelijkmaker wordt fel gecontesteerd, want volgens de referee pakte de keeper de bal achter de lijn terwijl die zweert dat het niet waar was! Nog hardere woorden vallen er wanneer de referee vervolgens een vierde goal van de bezoekers afkeurt. Woedend beledigen die de scheidsrechter en verlaten ze het veld. Tegenwoordig zou zo'n gedrag gesanctioneerd worden met een forfaitnederlaag, in die tijd vond men het behoud van de 3-3 al voldoende als straf. Een maand later, eind januari 1896, prijkt Léopold Club aan de kop van de tussentijdse rangschikking met tien punten uit zes matchen (twee punten voor een overwinning). Antwerp, Racing en Sporting volgen op een gedeelde tweede plaats met zes punten. Hekkensluiter is FC Liégeois, maar dat is niet zo gek want de Luikenaars hebben dan nog altijd geen wedstrijd gespeeld. Het is wachten tot 2 februari voor ze in het strijdperk treden, met een 2-2-gelijkspel bij Sporting. Daarna komen ze onder stoom: 4-1 tegen Racing, 1-2 in Brugge en 3-1 tegen Léopold. Hun enige nederlaag leiden de Luikenaars op 8 maart 1896 bij Racing Club de Bruxelles: 3-2. Vervolgens staan ze nog slechts één gelijkspelletje toe: 1-1 tegen FC Brugeois. FC Liégeois is op dat moment al kampioen. Waar Antwerpenaar Fernand Friling de geschiedenis ingaat als de eerste doelpuntenmaker in de competitie, gaat de eerste titel van topschutter naar de Engelse spits Samuel Hickson van FC Liégeois. Hij maakte onder meer een dubbele hattrick in de 0-9 op Union FC d'Ixelles. De Marijntjes (naar de kleuren marineblauw en bloedrood) sluiten hun kampioensjaar af met een stevig doelsaldo van 64-11. DOOR BRUNO GOVERS - FOTO'S GF