Elke wedstrijd zongen ze het vorig seizoen, de fans van de Great Old. Zij in 1A, de concurrentie nog in 1B. Zij in de meerderheid, althans wat betreft vaste klanten in het stadion. Vorig seizoen verkocht Antwerp 12.750 abonnementen, tegenover 5658 voor Beerschot. En dus werd elke wedstrijd, of de club nu op voorsprong dan wel op achterstand stond, gezongen: 'Wij zijn de ploeg van 't stad' (maal heel veel, want het is een banaal repetitief lied).
...

Elke wedstrijd zongen ze het vorig seizoen, de fans van de Great Old. Zij in 1A, de concurrentie nog in 1B. Zij in de meerderheid, althans wat betreft vaste klanten in het stadion. Vorig seizoen verkocht Antwerp 12.750 abonnementen, tegenover 5658 voor Beerschot. En dus werd elke wedstrijd, of de club nu op voorsprong dan wel op achterstand stond, gezongen: 'Wij zijn de ploeg van 't stad' (maal heel veel, want het is een banaal repetitief lied). Overigens zíjn ze dat ook, tot nader order. De laatste derby's in competitieverband dateren van april 2018, toen Antwerp en Beerschot-Wilrijk in play-off 2 tegenover elkaar stonden. Op de Bosuil werd het 2-0, op het Kiel bleef het 0-0. László Bölöni snapte overigens in de aanloop naar die match de commotie rond het duel niet zo goed. 'In de huidige context - ik bedoel daarmee play-off 2 - vat ik niet echt de gewichtigheid die aan de stadsderby wordt verleend. Rekening houdend met de rijke geschiedenis van de twee clubs lijkt het belang van de komende confrontatie mij, louter sportief, overdreven', zei de Roemeen op zijn traditionele persbabbel. Maar op het veld eiste hij wel scherpte van zijn spelers en hij won wel, zo attent is de man. Het is een discussie die in veel steden woedt, in de aanloop naar die twee rechtstreekse conversaties die af en toe voor opwinding zorgen. Denk maar aan de Brugse derby van vorig seizoen, toen de mannen van Cercle na een gelijkspel - jawel - hun vlag wilden planten in de middencirkel, maar moesten afrekenen met een boze Ruud Vormer (die overigens hetzelfde had gedaan na winst in de eerste wedstrijd). Is er eigenlijk een ploeg van 't stad in Antwerpen? Hoe zit dat met de verdeling? Domineert rood en wit - ook de stadskleuren - en hoe sterk is paars aanwezig? Is er een regionale spreiding, een socio-economische? Een politieke/levensbeschouwelijke? Een en ander was in 2007 onderwerp van een eindverhandeling aan de faculteit voor politieke en sociale wetenschappen van Antwerpen. Vincent Termonia verdiepte zich in cijfers die hij van de clubs kreeg en in fiscale data. Nu beide clubs straks elkaar misschien opnieuw tegenkomen, is het tijd voor een update. Opnieuw met cijfers, die we van beide clubs kregen. We doen er nu een beetje hysterisch over, maar ooit was er een tijd in het Belgische voetbal dat er louter (stads)derby's op de kalender leken te staan. Een blik op de samenstelling van de eerste klasse in 1930 zegt voldoende. We nemen dat jaar niet toevallig: Antwerp domineerde toen het nationale voetbal en werd dat seizoen voor de tweede keer kampioen. Het was ook de periode dat de club na wat omzwervingen zijn definitieve thuis vond met de Bosuil in Deurne Noord. Eerste klasse bestond in oktober 1930 uit 14 ploegen. Cercle en Club kwamen uit Brugge; Daring Brussel, Union en Anderlecht uit Brussel; Standard had in Luik af te rekenen met Racing FC Montegnée; in Mechelen had je Club versus Racing; en Antwerpen telde vier eersteklassers: Antwerp, Beerschot, Berchem en Tubantia. De enige eersteklasser zonder directe concurrent binnen de stadsmuren was destijds Lierse, wat ruimer ook gekneld, tussen Antwerpen en Mechelen. Derby's in overvloed dus in de beginjaren van het voetbal. Ergens was dat logisch. Je had hetzelfde fenomeen ook in andere landen, in metropolen als Londen, Madrid, Rio De Janeiro of Buenos Aires. In Greater Manchester gaat alle aandacht naar de twee giants maar in de schaduw vechten ook Bury, Rochdale, Salton, Stockport en nog een hele reeks andere elftallen om de harten van de fans. In de beginjaren van het voetbal was mobiliteit een veel groter probleem dan nu en was het Belgisch voetbal aan de top iets voor de grote steden: Antwerpen, Brussel, Luik, met Brugge en Mechelen als provinciale uitzonderingen. In de jaren zestig, en zeker vanaf de jaren zeventig, met de intrede van het profvoetbal (in België rond 1975) begint het voetballandschap zich te hertekenen. De mobiliteit wordt groter, clubs uit de rand nestelen zich mee bovenin. Er komen fusies, omdat profvoetbal steeds hogere economische eisen stelt. Een blik op het kampioenschap van 1975 zegt al veel. Waregem heeft dan zijn eersteklasser, Beveren ook, net als Oostende en La Louvière. Mechelen (2) en Antwerpen (3) hebben nog steeds stadsderby's, maar de zwakkere ploegen in de stad (zwak wat betreft fanbase of commercieel) krijgen het steeds lastiger. In de lente van 1976 degraderen RC Mechelen en Berchem en zijn we opnieuw wat stadsderby's armer. Waterschei en Winterslag komen er later bij, maar moeten versmelten tot KRC Genk om te overleven en sportief mee te tellen. RWDM is een kluwen aan fusies, maar verdwijnt begin 21e eeuw uit de top. Net als Club Luik. Als Antwerp in 2004 uit eerste klasse valt, is er helemaal geen stadsderby meer in de grootste stad van Vlaanderen. In Brussel is die stadsderby er al niet meer sinds 2008 en het verdwijnen van Brussels. En als Cercle in 2015 degradeert is er het seizoen erna niet één stadsderby meer op het hoogste niveau. De voetbalpers moet het woord 'derby' plots anders invullen, en louter nog opteren voor regionale duels, in plaats van stadsduels. Le derby wallon tussen Standard en Charleroi is een derby tussen twee steden die op honderd kilometer van mekaar liggen... Hoe word je fan? Daarover verscheen in de Angelsaksische wereld veel vakliteratuur, blijkt uit de eindverhandeling van Termonia, die er zich in verdiepte. Er is een verschil tussen enerzijds de Verenigde Staten en anderzijds het oude continent. In de VS wees een onderzoek bij een honderdtal universiteitsstudenten uit dat de belangrijkste redenen waarom mensen zich identificeerden met een club achtereenvolgens waren: het navolgen van hun ouders die al voor een team kozen gevolgd door de persoonlijkheid van de spelers van dat team. Invloed van vrienden én geografische nabijheid kwamen samen pas op de derde plaats. In Engeland lag dat bij een gelijktijdig gepubliceerd onderzoek, halverwege de jaren negentig, anders. Daar gaven maar liefst 62,3 procent van de voetbalfans op de vraag waarom ze zich met een team identificeerden als antwoord: geografische redenen. Maar als het aanbod lokaal groot is, waarom kies je dan voor deze of gene club? Waarom wordt iemand fan van Antwerp of Beerschot? City of United? Boca of River? Flamengo of Fluminense? West Ham of Tottenham? Richard Giulianotti is een Brits socioloog die zich al jaren verdiept in dat soort dingen en met de regelmaat van de klok werken rond sport en maatschappij publiceert. Hij ziet drie belangrijke factoren voor fanidentificatie: een geografische, een sociaal-economische en een levensbeschouwelijke. Je wordt fan van een ploeg omdat die uit je wijk of je buurt komt, of omdat die qua levensstandaard (rijk versus volks) beter bij je thuistoestand aansluit, of omdat die religieus/levensbeschouwelijk bij je past. Voorbeeld van dat laatste: Rangers versus Celtic, protestant tegenover katholiek. Of, iets minder bekend: in Israël de Hapoels tegen de Maccabi's. Die laatsten worden traditioneel wat meer geassocieerd met rechts, de eersten met de linkse arbeidersbewegingen. Voorbeelden van sociaal-economische motieven: River haalt in Argentinië vooral zijn fans bij de middenklasse en de elite, Boca is de ploeg van de arbeiders. Idem dito in Rio: Flamengo is de volksclub, Fluminense de elite. Dichter bij huis: Sevilla, waar Betis werd opgericht als arbeidersploeg, tegenover FC. En in Londen zullen West Ham en Millwall altijd meer geassocieerd worden met arbeiders dan de andere Londense ploegen, ook al hebben die vaak ook hun roots in het arbeidersmilieu. Hoe zit dat in Antwerpen? Is er een religieuze/levensbeschouwelijke reden om fan te worden van deze of gene club? Of een sociaal-economische? Is er een verschil in achtergrond tussen de fans van Beerschot of Antwerp? Het universitair onderzoek uit 2007 focust erop. Levensbeschouwelijke keuzes maakten ze in het begin in Brugge (Cercle haalde fans uit het katholieke onderwijs, Club in het lokale atheneum) of in Lier, waar Lyra een veel grotere katholieke verbondenheid kende dan Lierse. Niet in Antwerpen. Vroeger niet en met de ontzuiling van de voorbije decennia is dat onderscheid inmiddels helemaal weg. Geen van beide teams, Beerschot noch Antwerp, associeerde zich in zijn verleden ooit met een politieke of religieuze zuil. Speelt het sociaal-economische een rol? Dat is iets lastiger aan te tonen. Stamnummer 1, Antwerp, was eerst, dat staat vast. De ploeg, gesticht door Engelse scheepslieden, voetbalde in het begin in het zuiden van de stad, eerst op de Wilrijkse pleinen, daarna op het middenterrein van de wielerpiste van Zurenborg (vlakbij de Cogels-Osylei). Nadien werd dat het noorden, Deurne. De voetbalafdeling van omnisportclub Beerschot ontstond na een interne ruzie bij Antwerp, waar in de zomer van 1900 de hele ploeg overstapte naar de stadsgenoot die nog geen voetbalploeg had. Auteurs van geschiedenisboeken over de club situeren dat dispuut bij 'sociaal-economische redenen'. In een gedenkboek uit 1930, naar aanleiding van een halve eeuw Antwerp staat op pagina 55: 'In 1900 werd Beerschot ( bedoeld werd: de voetbalafdeling, nvdr) gesticht door enkele misnoegde leden van Antwerp FC en natuurlijk ontstond er een geweldige strijd tussen beide clubs. En het was juist die geweldige strijd, die meer nog dan sportijver veroorzaakt werd door zoiets als klassenstrijd - gold Antwerp niet als het plebs en Beerschot als de aristocratie - die de oorzaak en de aanleiding werd.' In latere werken over de geschiedenis van de clubs, werd die suggestie - Antwerp als ploeg van de gewone man en Beerschot van de aristocratie -niet meer gedaan. Binnen de spelersgroep was er in het begin wel gedocumenteerde onenigheid over hoe de dag van een verplaatsing moest worden doorgebracht - met een lunch op restaurant, dan wel in een goedkopere frituur - maar echte breuklijnen ziet niemand. Het Kiel lag in een volkswijk, de Bosuil eveneens. Vandaag is dat onderscheid helemaal weg. In 2007 analyseerde Vincent Termonia alle beschikbare cijfers van de twee ploegen: het abonnementenbestand van Beerschot, het fanclubbestand van Antwerp en de bestanden van de supportersclubs van de Great Old. Hij ging straat per straat na waar de fans woonden en koppelde dat aan de beschikbare gegevens over het netto belastbaar inkomen van de wijk waar ze wonen. De wijk en niet hun eigen belastbaar inkomen, omdat die gegevens niet konden worden gekoppeld. Je kan moeilijk een supporter vragen hoeveel hij verdient. Wat viel toen op? Dat de abonnees van (toen nog Germinal) Beerschot gemiddeld in iets meer bemiddelde wijken van Antwerpen woonden. Afhankelijk van welk databestand men gebruikte, woonde van de Antwerpfans 53,3 procent (fanclubsupporters) of 57,6 procent (supportersclub) in een wijk met een netto belastbaar inkomen tussen 17.000 en 20.000 euro, en respectievelijk 20,5 en 17,3 procent in een wijk met een gemiddeld inkomen boven de 20.000 euro. Aan Beerschotkant (abonnees) waren die cijfers respectievelijk: 48,2 procent en 29,9 procent. Significant is dat verschil dus niet, zegt de maker van de studie. Opgeteld woont ongeveer 75 procent van de Antwerpfan in de qua inkomens gemiddeld betere wijken van de stad. Bij de Beerschotfan is dat 78 procent. Voetbal is, tenminste voor de intens verbonden supporter die lid is van een supportersclub of een abonnement heeft, een zaak van de betere middenklasse, al sinds de jaren zeventig maar de laatste decennia zeker. Rest de geografische spreiding. Is dat dan de enige reden voor het onderscheid? Ja, blijkt uit de data. Beerschot hééft fans in het noorden van de stad: 119 abonnees geven 2100 (Deurne) op als postcode van hun woonplaats en 101 2170 (Merksem), en Antwerpfans wonen ook in het zuiden van de stad, maar in essentie zijn de verschillen puur regionaal. Antwerp (zie de heathmap van hun abonnementen) rekruteert hoofdzakelijk in het noorden, met Deurne als fief, maar met ook meer dan 500 verkochte abonnementen in Brasschaat, Schoten, Wijnegem, Wommelgem, Borsbeek en Mortsel. Beerschot (zie map) rekruteert zijn vaste stadionbezoekers hoofdzakelijk in het zuiden van de stad en haar randgemeenten: van de 5658 abonnementen die vorig jaar werden verkocht, gaven 799 eigenaars 2020 (het Kiel) op als postcode en 515 2660 (Hoboken). In het centrum van de stad is het fiftyfifty. In het historisch centrum (2000) en de buur van de Leien en de Singel (2018) verkocht Beerschot telkens 174 abonnementen, Antwerp, dat door zijn reeds verworven status in 1A wat meer abonnementen verkoopt, zit daarboven, zonder extreem veel populairder te zijn. Dat was tien jaar geleden ook al zo, en blijft bestendigd. Een en ander blijkt ook uit de spreiding van de diverse erkende supportersclubs. Antwerp heeft er méér dan Beerschot, maar de geografische spreiding bevestigt de cijfers. Die van de Great Old liggen in het noorden, die van de Ratten in het zuiden. Anders dan Anderlecht, Standard of Club Brugge is Antwerp noch Beerschot een nationaal fenomeen. Het blijven stadsploegen, met een beetje abonnees buiten hun eigen regio. Uit analyse van het abonnementenbestand van Beerschot vorig seizoen valt dat heel hard op, hoe zelfs een natuurlijke barrière als de Kennedytunnel (én uiteraard de aanwezigheid van Waasland-Beveren) een rem zet op de uitbreiding naar die kant van Vlaanderen. Beerschotabonnees in Verrebroek: 1; Beveren-Waas: 13; Vrasene: 2; Kemzeke: 1; Lokeren: 4; Kallo: 5. Tot Burcht/Zwijndrecht, veel verder rekruteert Beerschot zijn fans niet. Dan gaat het wel makkelijker, ook qua mobiliteit, richting A12 en Boom-Aartselaar. Aartselaar: 159; Bornem: 30; Boom: 37. Maar het blijven lage cijfers, op een totaal van 5658. Beerschot is echt een stadsploeg. Antwerp ook, de rode vlek in de provincie is alleen donker in de buurt van de Bosuil. Beerschot is natuurlijk al lang Beerschot niet meer, Germinal Ekeren nam de ploeg al over toen die in financiële moeilijkheden zat, en Wilrijk reikte eveneens al de helpende hand. De beide redders raakten nooit écht in de naam - het blijft ondanks alles Beerschot - maar door de fusies zijn er wel wat abonnees (bij?) gewonnen. Vorig seizoen had Beerschot 85 abonnees in Kapellen, 108 in Ekeren en 103 in Brasschaat. Met dank aan het oude Germinal? En in Wilrijk verkocht het vorig seizoen 473 abonnementen. Tien jaar geleden waren dat er nog 365 blijkt uit de universitaire studie. De associatie Beerschot-Wilrijk heeft dus waarschijnlijk wel wat zieltjes opgeleverd. Maar Kielse Ratten vs Rood-Witte Honden: het blijft straks wel een strijd binnen de stadsmuren. Een echte derby!