Niet altijd speelt Standard dit seizoen met het vuur en de passie die ingebakken zit in de ziel van de club. Terwijl dat het handelsmerk is van de Rouches. Nooit toonde Standard die wapens beter dan tijdens een van de meest vergulde periodes uit de geschiedenis: tussen 1969 en 1971 toen de Luikenaars drie keer na elkaar kampioen werden. Het engagement werd toen gemengd met techniek en zelfs een vleugje gratie.
...

Niet altijd speelt Standard dit seizoen met het vuur en de passie die ingebakken zit in de ziel van de club. Terwijl dat het handelsmerk is van de Rouches. Nooit toonde Standard die wapens beter dan tijdens een van de meest vergulde periodes uit de geschiedenis: tussen 1969 en 1971 toen de Luikenaars drie keer na elkaar kampioen werden. Het engagement werd toen gemengd met techniek en zelfs een vleugje gratie. Standard boog destijds op een van de meest beruchte verdedigingen uit de geschiedenis. Voor doelman Jean Nicolay en later Christian Piot stond een ijzeren linie. Met drie houthakkers - Jacky Beurlet, Léon Jeck en Jean Thissen - en een lichtvoetige maar harde aristocratische veldheer, Nico Dewalque. Daarbij was vooral Beurlet een blok beton. Hij stampte op alles wat bewoog. Beurlet speelde 348 wedstrijden voor Standard en week pas toen Eric Gerets opkwam. Als je Beurlet, die drie interlands speelde, al eens passeerde, dan werd je meteen door iemand anders van de Rode Garde aangepakt. De Daltons, werden ze wel eens genoemd. Het waren krijgers van het zuiverste soort. Jean Thissen bijvoorbeeld moest tijdens een duurloop eerst doodvallen voor hij de leiding afstond. In het middenveld stond Louis Pilot als breker geposteerd. De Luxemburger was buiten het veld zeer minzaam, maar binnen de krijtlijnen een rauwe schoffelaar die grijnzend tegenstanders in de grond ramde en ze vervolgens hoffelijk weer overeind hielp. Daarnaast had Standard met de rumoerige Henri Depireux een balkunstenaar en met Wilfried Van Moer misschien wel de meest veelzijdige middenvelder die het Belgisch voetbal voortbracht omdat hij brak en bouwde, liep en scoorde. En vooraan was er als rechtsbuiten Léon Semmeling, een clubman in hart en nieren die de rol van buitenspeler een nieuwe dimensie gaf en graag mee terugplooide, naast twee killers, de Duitser Erwin Kostedde en, tijdens het seizoen 1968/69, de Hongaar Antal Nagy. Het was de periode dat de spitsen van Standard kennelijk wilde voetballers moesten zijn. Kostedde werd aangetrokken als opvolger van de legendarische Roger Claessen, die naar Alemannia Aachen was vertrokken, en sleepte ook een reputatie met zich mee. De zoon van een Afro-Amerikaanse vader en een Duitse moeder was in Duitsland veelvuldig uitgescholden voor zijn huidskleur en zou na zijn carrière in de goot belanden. Maar bij Standard deed hij wat er van hem werd gevraagd: scoren. Kostedde werd tijdens het seizoen 1970/71 met 26 doelpunten topschutter in eerste klasse en zou later nog eens naar Standard terugkeren. De architect van het succes was de Franse trainer René Hauss. Hij werd in 1968 aangetrokken als opvolger van Michel Pavic, een meedogenloze Joegoslaaf die keihard trainde, discipline in de ploeg bracht en zo de fundamenten legde waarop Hauss later kon bouwen. Pavic schuimde de nacht voor een wedstrijd de Luikse cafés af om te zien of zijn spelers daar niet zaten. Hauss, een Elzasser, was een heel ander type. Toen hij eens met Standard op Anderlecht speelde en voor de opwarming naar een bijveld ging, gaf hij iedere speler van paars-wit een hand. Hij was kalm en tactisch sterk en koos naar de spelers toe, in tegenstelling tot zijn voorganger, niet voor een botte, maar voor een psychologische benadering. Maar hij trainde als een van de eersten twee keer per dag en gaf iedere speler op het veld specifieke opdrachten. Zelfs Wilfried Van Moer. Réne Hauss was wel extreem bijgelovig. Zo pleegde Standard in die periode telkens op afzondering te gaan in Chaudfontaine. Hauss liet dan systematisch voor hem dezelfde kamer reserveren. Hij hechtte daar veel belang aan. Op een bepaalde dag, tijdens een niet echt voorbereide stage, leek die kamer ingenomen te zijn door de vrouw van de Franse ambassadeur in Denemarken. Zij kwam in Chaudfontaine een kuur volgen. Maar Hauss wilde absoluut geen andere ruimte. Hij vroeg de zaakvoerder van het hotel een matras te leggen voor de kamer die hem geluk bracht. Toen de ambassadrice de voorbereidingen van de verhuis zag, stond ze haar kamer voor één nacht aan Hauss af. Standard won de daaropvolgende wedstrijd. René Hauss zou bijna vijf seizoenen voor Standard werken en vertrok dan als manager naar FC Sochaux. Hij geldt als een van de meest markante trainers uit de geschiedenis van de Luikse club.