Op sportief vlak stelde Cuba tot de jaren zestig niets voor. Op de Olympische Spelen van 1900 en 1904 won het nog elf olympische medailles, maar in slechts één sport: schermen. Daarna bleef Cuba decennialang verstoken van olympisch succes, op één zeilmedaille na, in 1948. Dat veranderde toen Fidel Castro in 1959 aan de macht kwam. Hij begreep dat hij via sport het imago van zijn land kon opvijzelen, zoals dat ook in de bevriende Sovjet-Unie het geval was, en investeerde in alle...

Op sportief vlak stelde Cuba tot de jaren zestig niets voor. Op de Olympische Spelen van 1900 en 1904 won het nog elf olympische medailles, maar in slechts één sport: schermen. Daarna bleef Cuba decennialang verstoken van olympisch succes, op één zeilmedaille na, in 1948. Dat veranderde toen Fidel Castro in 1959 aan de macht kwam. Hij begreep dat hij via sport het imago van zijn land kon opvijzelen, zoals dat ook in de bevriende Sovjet-Unie het geval was, en investeerde in allerhande sportprojecten, met name in de atletiek en het boksen. Dat wierp al in 1964 in Tokio vrucht af met zilver voor Enrique Figuerola op de 100 m sprint. In 1968 won Cuba al viermaal zilver (twee in het boksen en twee in de 4x100 m estafette in de atletiek) en vanaf 1972 werd het eiland, in verhouding tot zijn slechts elf miljoen inwoners, een olympische grootmacht. In München: acht olympische plakken, waaronder drie gouden in het boksen, onder meer voor de legendarische Teófilo Stevenson, die in 1976 en 1980 telkens zijn zwaargewichttitel zou verlengen. Op de Spelen van Montreal en Moskou was de oogst nog groter: 13 en 20 medailles, voor onder meer Alberto Juantorena, de eerste man die de olympische dubbel op de 400 en 800 meter (voor Ivo Van Damme) realiseerde. Cuba bleef ook daarna schitteren op elke olympiade, met naast boksen en atletiek, ook judo, worstelen en baseball als uitblinksporten. Ook in Rio veroverde het nog elf medailles, goed voor een achttiende plaats in de medaillespiegel, een pak minder weliswaar dan in Athene 2004 met toen 27 medailles. In 1992 beleefde Castro een van zijn sportieve hoogtepunten toen hij in Barcelona de Cubanen in het eerste olympische honkbaltoernooi de Amerikanen zag verslaan in de finale. Keerzijde van de medaille: veel Cubaanse topbaseballers ontvluchtten daarna hun land om in de lucratieve Amerikaanse MLB-competitie aan de slag te gaan. Honkbal werd daarna een smeermiddel om de vertroebelde relaties met de VS glad te strijken. In 1999 speelden de Baltimore Orioles twee matchen tegen het Cubaanse nationale team, in Havana en Baltimore, en nog dit jaar woonde Barack Obama aan de zijde van Raúl Castro, de broer van, als eerste Amerikaanse president een baseballmatch bij in Cuba, tussen de Tampa Bay Rays en de Cubaanse nationale ploeg. DOOR JONAS CRETEURVanaf 1972 werd Cuba, in verhouding tot zijn slechts elf miljoen inwoners, een olympische grootmacht.