Montevideo vrijdag 18 juli 1930

De stad ontwaakt na een lange feestavond die de honderdste verjaardag van de onafhankelijkheid had ingezet. Overdag hadden vliegtuigen de staalblauwe hemel boven de havenstad doorkliefd en militairen door de stad geparadeerd. 's Avonds had het volkslied weerklonken en waren ook Argentijnse en Braziliaanse militairen in een andere spontane parade opgestapt. Voor de meeste inwoners van Montevideo was dit de eerste dag van het WK. Dit moest de dag van Uruguay worden. De dag van de hele natie.

John Langenus heeft de berichten over zijn persoon daags voordien in de lokale pers gelezen en geeft ogenschijnlijk weinig om de laatdunkende teneur in de artikelen. Hij moet overigens ook andere obstakels overwinnen. Het stadion waar nog stellingen tegen aan geschurkt staan, is dan wel tijdig gebruiksklaar geraakt, de kleedkamers zijn dat niet. En dus zijn Langenus en zijn grensrechter Henri Christophe genoodzaakt zich in het hotel om te kleden. Niet dat er zoveel omgekleed moest worden want op het schoeisel na verschilde de kleding van de scheidsrechters nauwelijks van de gangbare stadskledij. In die tijd leidden de scheidsrechters de wedstrijden gewoon in kostuum. Een enkeling droeg al eens een broek tot vlak boven de knie maar de meesten staken hun broekspijpen gewoon in hun kousen. Langenus, erg gesteld op uiterlijk vertoon, was meer de man van de kniebroek en dus trok hij in z'n plusfour naar het Centenariostadion waar voorafgaand aan de wedstrijd tussen Uruguay en Peru de plechtige openingsceremonie zou plaatsvinden.

Enkele dagen daarvoor waren alle scheidsrechters samengekomen om te vergaderen over de uniformiteit van de spelregels. Niet overal in de wereld werd het reglement op dezelfde manier toegepast of geïnterpreteerd. En gezien de scheidsrechters uit twee werelddelen kwamen, was het noodzakelijk om de violen gelijk te stemmen. Het bleek een maat voor niets. Volgens de (Zuid-)Amerikaanse scheidsrechters moesten de voeten bij een inworp loodrecht op de lijn staan en werd buitenspel alleen gefloten bij een actie op de linkerflank. Daarnaast werden er te pas en te onpas strafschoppen gefloten. Langenus ergerde zich blauw maar had anderzijds ook niet te klagen. Met vier wedstrijden was hij het best bedeeld van allemaal en als beloning zou hij een gouden chronometer cadeau krijgen. Die heeft hij echter nooit ontvangen. Ook over de lokale media had hij weinig goeds te vertellen. 'Ieder wou het beste en het meeste geven', schrijft hij later in een van zijn vier publicaties. 'En een beetje fantasie kwam daar soms ook wel bij te pas.'

Zo verscheen in een van de plaatselijke kranten een artikel over het Zuid-Slavische (Joegoslavische) elftal dat enkel gebaseerd was op een gesprek met zijn Belgische collega Henri Christophe. Die had voor of tijdens het WK echter met geen enkele journalist gesproken. Straffer nog, hij had de Zuid-Slaven nog nooit zien spelen.

En dan waren er nog de fotografen. Toen al de vrijbuiters onder het journaille. Zij liepen tijdens de wedstrijd soms gewoon het veld op en als er incidenten waren, kwamen ze zo dicht in de buurt van de opstootjes dat ze zelf in de klappen deelden. Klappen deelden ze ook onderling uit. Zo keek Langenus bij aankomst in Montevideo naar een gevecht tussen twee fotografen op de kade. 'Ze boksten er werkelijk niet naast terwijl hun werkzakken aan een lederen riem over de schouder, lustig in het rond zwierden. Een derde fotograaf nam er rustig en bedaard een foto van. Hij was de slimste want maakte ongetwijfeld geld van deze foto. De volgende dag werd zijn foto dan ook gepubliceerd met als onderschrift: zo heeft de concurrentie getracht ons blad te beletten goed werk te leveren.' Ook toen was de strijd om de primeurs en de beste foto's ronduit vijandig.

Het Estadio Centenario, waar John Langenus de wedstrijd tussen Uruguay en Peru in goede banen leidde., BELGAIMAGE
Het Estadio Centenario, waar John Langenus de wedstrijd tussen Uruguay en Peru in goede banen leidde. © BELGAIMAGE

Bij het stadion heerst er een tumult van jewelste. Mensen lopen elkaar voor de voeten, sommigen raken bijna vertrappeld en de politie te paard heeft slechts één opdracht: chargeren. Ook vrouwen en kinderen slaan op de vlucht voor de hinnikende paarden. Het stadion biedt aan net geen 100.000 toeschouwers plaats en vanmiddag zijn er minstens dubbel zoveel naar de nieuwe sporttempel afgezakt. En die willen allemaal naar binnen. Met of zonder kaartje.

Al om half elf hadden de eerste toeschouwers zich gemeld en zich een weg door het rondslingerend bouwmateriaal gebaand. Het stadion is in de verste verte nog niet klaar. Sommige trappen lijken elk ogenblik te kunnen instorten.

Een gietijzeren poort voor de loketten wordt bestormd en, nadat er al tientallen mensen waren over gekropen, als een verdorde tak uit de grond gerukt. De politie treedt hardhandig op en aarzelt niet om ook de wapenstok boven te halen. Tegen dergelijke uitzinnige massa staan de ordetroepen werkelijk machteloos. De onmacht is zo schrijnend dat sommigen rustig blijven toekijken hoe een dolgedraaide massa de ene na de andere afsluiting neerhaalt. Aan de andere kant van het stadion wordt een extra poort geopend om grote drama's te voorkomen. Het veld blijft gelukkig gespaard van de invasie. Er ligt immers een brede en diepe gracht tussen het terrein en de toeschouwers.

Montevideo vrijdag 27 mei 2016

In het boekje ' 1930, El Primer Mundial Cartografía' dat ik in bibliotheek raadpleeg, staan interessante afbeeldingen van die dag. Op een luchtfoto is te zien hoe het Estadio Centenario bij de officiële opening die 18e juli 1930 nog gedeeltelijk in de steigers staat en zich langzaam vult. Hoe dichte drommen mensen aanschuiven in de open vlakte rond het stadion. Op andere foto's lijken het stipjes op weg naar de arena als mieren naar hun nest. Wat verderop afbeeldingen van in het stadion. Mannen in maatpak, overjas en hoed tegen de omheining op de onderste trede gedrukt. De hoed is niet langer een statussymbool. Iedereen draagt er een. En bovendien is het toch winter? Op de tribunes zitten bijna geen vrouwen. Ik merk ook een zwarte jongen tussen de massa. Ook hij heeft zijn zondagse pak aan. Wit hemdje, kniebroek, vest en pet.

De media zijn daags nadien niet te spreken over de organisatie. 'Er is met mensenlevens gespeeld', titelt La Tribuna Popular. 'De hele ticketverkoop is een zooitje', lees ik in de Artigas-zaal van de Biblioteca Nacional. De loketten waren vanaf tien uur 's morgens open en toch waren een uur van tevoren reeds ' revendedores' op pad. Letterlijk 'herverkopers'. Lui die een groot aantal tickets opkochten om ze later op de dag aan woekerprijzen op de zwarte markt door te verkopen.

Montevideo vrijdag 18 juli 1930

Het hele oponthoud duurt ruim een uur maar om half drie zit het stadion helemaal vol en kan de openingsceremonie plaatsvinden. Vanop een hoge trap in een hoek van het stadion tussen de Tribuna Olimpica en de Tribuna Colombes dalen de dertien delegaties in uniform af naar het veld waar ze zich aan de opgewonden massa presenteren.

De Belgen gaan gekleed in blauwe vest en grijze broek. Ze dragen geen vlag met zich mee. Vergeten af te halen op het consulaat of was er geen Belgische vlag voorradig? Een ook vandaag nog onopgelost mysterie. Toch stijgt er een enorm applaus op als de Belgen de onderste treden hebben bereikt en het veld oplopen. Geen enkel ander land, op het thuisland na, wordt zo luid aangemoedigd als de Rode Duivels. Dat België zich als eerste Europese land voor dit evenement had ingeschreven wordt door de bevolking eens te meer duidelijk op prijs gesteld.

Voor een keer deert de koude wind van over de rivier niet. De lage zon schijnt nog fel en werpt lange schaduwen over het veld. Als laatste betreedt Uruguay het veld. Twee aan twee met zwarte vest en grijze broek, hun vlag met gouden zon en blauwwitte strepen horizontaal gedragen door de hele ploeg. Het uitzinnige publiek raakt bij elke afgelegde meter almaar meer in extase. Zeker als de vlag bij elke cornervlag halt houdt en de spelers en het publiek overwinningskreten naar elkaar roepen. De trofee Jules Rimet lijkt nu al binnen. Uruguay lijkt nu al wereldkampioen.

Door het voorafgaand oponthoud wordt de wedstrijd om 17 minuten over drie, ruim een kwartier later dan geprogrammeerd, onder leiding van John Langenus afgetrapt. Uruguay speelt verkrampt. Het draait niet zoals verwacht. En er valt zowaar een stilte over het stadion. Alsof iedereen de adem inhoudt voor wat komen gaat. Plots lijkt al het enthousiasme dat de hele stad in zijn greep had weg te ebben. Angst en vrees nemen de bovenhand naarmate de eerste helft vordert. Het aureool van de onoverwinnelijkheid dat dreigt op te gaan in te hoge verwachtingen. Er rijzen meer vragen dan antwoorden omtrent de Celestes die met een verouderde ploeg aan de aftrap zijn gekomen. Is Uruguay een olympische kampioen op zijn retour? Het is niet omdat de spelers op advertenties in de kranten stonden dat ze nog over dezelfde voetbalkwaliteiten beschikken.

Stefan Van Loock, BELGAIMAGE
Stefan Van Loock © BELGAIMAGE

De Belgische scheidsrechter is meteen onder de indruk van het Peruviaanse elftal waarbij, zo schrijft hij in Fluitend door de Wereld, 'spelers van kleur uitkwamen, gaande van het ebbenhouten zwart van Jack Johnson, over het matbruin van Josephine Baker, tot een blanke toe. En ze speelden waarachtig goed; ze overtroffen zich tegen Uruguay, zodat het aan de rust nog 0-0 stond, en het publiek al heel zenuwachtig begon te doen. Uruguay moest immers winnen.'

In de straten van het centrum verzamelen de mensen zich rond de kantoren van de dagbladen om er de minuut-minuut verslagen te volgen. Ook daar neemt de zenuwachtigheid toe. Tot Hector Castro diep in de tweede helft het winnende doelpunt maakt. Gleufhoeden vliegen door de lucht, mannen die elkaar daar voor het eerst ontmoetten, vallen elkaar in de armen.

Hector Castro werd ook 'el manco' genoemd nadat hij als dertienjarige zijn rechterhand verloor bij een ongeluk met een elektrische zaag. Het weerhield er hem niet van een mooie carrière uit te bouwen bij Nacional en bij het nationale elftal waarvoor hij 25 wedstrijden speelde.

Die middag in het Centenario voetbalde Castro zich de geschiedenis in en na de wedstrijd werden de 'hemelsblauwen' ook bijna letterlijk in de hemel opgenomen. Na het laatste fluitsignaal klommen de spelers de hoge trappen op tussen een geestdriftige massa van - en we citeren Langenus - '125.000 mensen'.

John Langenus en zijn assistent trekken na het laatste fluitsignaal in hun wedstrijdtenue door een kolkende mensenzee terug naar hun hotel en dat blijkt geen sinecure. Vanwege de verkeersdrukte raakt de auto die het Belgische scheidsrechtersduo zou komen ophalen niet tot aan het stadion en dus leggen Langenus en Christophe de hele weg te voet af op noppen. Gezien ze zich al voor hun vertrek uit het hotel hadden omgekleed, hebben ze geen cent op zak en kunnen ze ook geen gebruik maken van een taxi of het openbaar vervoer. Die zijn bovendien ook onvindbaar. Met de moed in hun 'stoppelschoenen' beginnen ze aan hun drie kwartier durende wandeling terug naar Pocitos. Ze verlaten de hoofdtribune en lopen via de Avenida Doctor Américo Ricaldoni naar het begin van de Avenida Francisco Soco die later overgaat in de Avenida Brasil. Van daar is het nog een kleine twee kilometer naar het strand en het hotel. Na een kwartier hebben ze zich uit de grote drukte weten te werken maar van een taxi of ander openbaar vervoermiddel is nog altijd geen spoor. Het lopen met noppen op de straatstenen verloopt bijzonder moeizaam en na een halfuur lijken de studs zich door de zolen in de heetgelopen voeten te boren.

Vanuit de baai komt dan ook nog een gure en stevige tegenwind op hen af. De bondsleiders die ook te voet moesten terugkeren maar op gewone schoenen, zijn reeds lang uit hun gezichtsveld verdwenen. Plots stopt er dan toch een autobus. De chauffeur die Langenus herkent van een foto in de krant is zo vereerd dat hij het Belgisch tweetal een gratis ritje aanbiedt. Maar het kwaad is al geschied: met half bebloede voeten bereiken ze eindelijk het hotel waar ze een kamer delen. Daar staat hen echter nog een grotere en zo mogelijk nog onaangenamere verrassing te wachten...

Terug naar Montevideo

Het boek 'Terug naar Montevideo' van Stefan Van Loock telt 287 pagina's, kost 25 euro en is te koop in de boekhandel. U kan het ook bestellen bij willemsuitgevers.com.

De stad ontwaakt na een lange feestavond die de honderdste verjaardag van de onafhankelijkheid had ingezet. Overdag hadden vliegtuigen de staalblauwe hemel boven de havenstad doorkliefd en militairen door de stad geparadeerd. 's Avonds had het volkslied weerklonken en waren ook Argentijnse en Braziliaanse militairen in een andere spontane parade opgestapt. Voor de meeste inwoners van Montevideo was dit de eerste dag van het WK. Dit moest de dag van Uruguay worden. De dag van de hele natie. John Langenus heeft de berichten over zijn persoon daags voordien in de lokale pers gelezen en geeft ogenschijnlijk weinig om de laatdunkende teneur in de artikelen. Hij moet overigens ook andere obstakels overwinnen. Het stadion waar nog stellingen tegen aan geschurkt staan, is dan wel tijdig gebruiksklaar geraakt, de kleedkamers zijn dat niet. En dus zijn Langenus en zijn grensrechter Henri Christophe genoodzaakt zich in het hotel om te kleden. Niet dat er zoveel omgekleed moest worden want op het schoeisel na verschilde de kleding van de scheidsrechters nauwelijks van de gangbare stadskledij. In die tijd leidden de scheidsrechters de wedstrijden gewoon in kostuum. Een enkeling droeg al eens een broek tot vlak boven de knie maar de meesten staken hun broekspijpen gewoon in hun kousen. Langenus, erg gesteld op uiterlijk vertoon, was meer de man van de kniebroek en dus trok hij in z'n plusfour naar het Centenariostadion waar voorafgaand aan de wedstrijd tussen Uruguay en Peru de plechtige openingsceremonie zou plaatsvinden. Enkele dagen daarvoor waren alle scheidsrechters samengekomen om te vergaderen over de uniformiteit van de spelregels. Niet overal in de wereld werd het reglement op dezelfde manier toegepast of geïnterpreteerd. En gezien de scheidsrechters uit twee werelddelen kwamen, was het noodzakelijk om de violen gelijk te stemmen. Het bleek een maat voor niets. Volgens de (Zuid-)Amerikaanse scheidsrechters moesten de voeten bij een inworp loodrecht op de lijn staan en werd buitenspel alleen gefloten bij een actie op de linkerflank. Daarnaast werden er te pas en te onpas strafschoppen gefloten. Langenus ergerde zich blauw maar had anderzijds ook niet te klagen. Met vier wedstrijden was hij het best bedeeld van allemaal en als beloning zou hij een gouden chronometer cadeau krijgen. Die heeft hij echter nooit ontvangen. Ook over de lokale media had hij weinig goeds te vertellen. 'Ieder wou het beste en het meeste geven', schrijft hij later in een van zijn vier publicaties. 'En een beetje fantasie kwam daar soms ook wel bij te pas.' Zo verscheen in een van de plaatselijke kranten een artikel over het Zuid-Slavische (Joegoslavische) elftal dat enkel gebaseerd was op een gesprek met zijn Belgische collega Henri Christophe. Die had voor of tijdens het WK echter met geen enkele journalist gesproken. Straffer nog, hij had de Zuid-Slaven nog nooit zien spelen. En dan waren er nog de fotografen. Toen al de vrijbuiters onder het journaille. Zij liepen tijdens de wedstrijd soms gewoon het veld op en als er incidenten waren, kwamen ze zo dicht in de buurt van de opstootjes dat ze zelf in de klappen deelden. Klappen deelden ze ook onderling uit. Zo keek Langenus bij aankomst in Montevideo naar een gevecht tussen twee fotografen op de kade. 'Ze boksten er werkelijk niet naast terwijl hun werkzakken aan een lederen riem over de schouder, lustig in het rond zwierden. Een derde fotograaf nam er rustig en bedaard een foto van. Hij was de slimste want maakte ongetwijfeld geld van deze foto. De volgende dag werd zijn foto dan ook gepubliceerd met als onderschrift: zo heeft de concurrentie getracht ons blad te beletten goed werk te leveren.' Ook toen was de strijd om de primeurs en de beste foto's ronduit vijandig. Bij het stadion heerst er een tumult van jewelste. Mensen lopen elkaar voor de voeten, sommigen raken bijna vertrappeld en de politie te paard heeft slechts één opdracht: chargeren. Ook vrouwen en kinderen slaan op de vlucht voor de hinnikende paarden. Het stadion biedt aan net geen 100.000 toeschouwers plaats en vanmiddag zijn er minstens dubbel zoveel naar de nieuwe sporttempel afgezakt. En die willen allemaal naar binnen. Met of zonder kaartje. Al om half elf hadden de eerste toeschouwers zich gemeld en zich een weg door het rondslingerend bouwmateriaal gebaand. Het stadion is in de verste verte nog niet klaar. Sommige trappen lijken elk ogenblik te kunnen instorten. Een gietijzeren poort voor de loketten wordt bestormd en, nadat er al tientallen mensen waren over gekropen, als een verdorde tak uit de grond gerukt. De politie treedt hardhandig op en aarzelt niet om ook de wapenstok boven te halen. Tegen dergelijke uitzinnige massa staan de ordetroepen werkelijk machteloos. De onmacht is zo schrijnend dat sommigen rustig blijven toekijken hoe een dolgedraaide massa de ene na de andere afsluiting neerhaalt. Aan de andere kant van het stadion wordt een extra poort geopend om grote drama's te voorkomen. Het veld blijft gelukkig gespaard van de invasie. Er ligt immers een brede en diepe gracht tussen het terrein en de toeschouwers. In het boekje ' 1930, El Primer Mundial Cartografía' dat ik in bibliotheek raadpleeg, staan interessante afbeeldingen van die dag. Op een luchtfoto is te zien hoe het Estadio Centenario bij de officiële opening die 18e juli 1930 nog gedeeltelijk in de steigers staat en zich langzaam vult. Hoe dichte drommen mensen aanschuiven in de open vlakte rond het stadion. Op andere foto's lijken het stipjes op weg naar de arena als mieren naar hun nest. Wat verderop afbeeldingen van in het stadion. Mannen in maatpak, overjas en hoed tegen de omheining op de onderste trede gedrukt. De hoed is niet langer een statussymbool. Iedereen draagt er een. En bovendien is het toch winter? Op de tribunes zitten bijna geen vrouwen. Ik merk ook een zwarte jongen tussen de massa. Ook hij heeft zijn zondagse pak aan. Wit hemdje, kniebroek, vest en pet. De media zijn daags nadien niet te spreken over de organisatie. 'Er is met mensenlevens gespeeld', titelt La Tribuna Popular. 'De hele ticketverkoop is een zooitje', lees ik in de Artigas-zaal van de Biblioteca Nacional. De loketten waren vanaf tien uur 's morgens open en toch waren een uur van tevoren reeds ' revendedores' op pad. Letterlijk 'herverkopers'. Lui die een groot aantal tickets opkochten om ze later op de dag aan woekerprijzen op de zwarte markt door te verkopen. Het hele oponthoud duurt ruim een uur maar om half drie zit het stadion helemaal vol en kan de openingsceremonie plaatsvinden. Vanop een hoge trap in een hoek van het stadion tussen de Tribuna Olimpica en de Tribuna Colombes dalen de dertien delegaties in uniform af naar het veld waar ze zich aan de opgewonden massa presenteren. De Belgen gaan gekleed in blauwe vest en grijze broek. Ze dragen geen vlag met zich mee. Vergeten af te halen op het consulaat of was er geen Belgische vlag voorradig? Een ook vandaag nog onopgelost mysterie. Toch stijgt er een enorm applaus op als de Belgen de onderste treden hebben bereikt en het veld oplopen. Geen enkel ander land, op het thuisland na, wordt zo luid aangemoedigd als de Rode Duivels. Dat België zich als eerste Europese land voor dit evenement had ingeschreven wordt door de bevolking eens te meer duidelijk op prijs gesteld. Voor een keer deert de koude wind van over de rivier niet. De lage zon schijnt nog fel en werpt lange schaduwen over het veld. Als laatste betreedt Uruguay het veld. Twee aan twee met zwarte vest en grijze broek, hun vlag met gouden zon en blauwwitte strepen horizontaal gedragen door de hele ploeg. Het uitzinnige publiek raakt bij elke afgelegde meter almaar meer in extase. Zeker als de vlag bij elke cornervlag halt houdt en de spelers en het publiek overwinningskreten naar elkaar roepen. De trofee Jules Rimet lijkt nu al binnen. Uruguay lijkt nu al wereldkampioen. Door het voorafgaand oponthoud wordt de wedstrijd om 17 minuten over drie, ruim een kwartier later dan geprogrammeerd, onder leiding van John Langenus afgetrapt. Uruguay speelt verkrampt. Het draait niet zoals verwacht. En er valt zowaar een stilte over het stadion. Alsof iedereen de adem inhoudt voor wat komen gaat. Plots lijkt al het enthousiasme dat de hele stad in zijn greep had weg te ebben. Angst en vrees nemen de bovenhand naarmate de eerste helft vordert. Het aureool van de onoverwinnelijkheid dat dreigt op te gaan in te hoge verwachtingen. Er rijzen meer vragen dan antwoorden omtrent de Celestes die met een verouderde ploeg aan de aftrap zijn gekomen. Is Uruguay een olympische kampioen op zijn retour? Het is niet omdat de spelers op advertenties in de kranten stonden dat ze nog over dezelfde voetbalkwaliteiten beschikken. De Belgische scheidsrechter is meteen onder de indruk van het Peruviaanse elftal waarbij, zo schrijft hij in Fluitend door de Wereld, 'spelers van kleur uitkwamen, gaande van het ebbenhouten zwart van Jack Johnson, over het matbruin van Josephine Baker, tot een blanke toe. En ze speelden waarachtig goed; ze overtroffen zich tegen Uruguay, zodat het aan de rust nog 0-0 stond, en het publiek al heel zenuwachtig begon te doen. Uruguay moest immers winnen.' In de straten van het centrum verzamelen de mensen zich rond de kantoren van de dagbladen om er de minuut-minuut verslagen te volgen. Ook daar neemt de zenuwachtigheid toe. Tot Hector Castro diep in de tweede helft het winnende doelpunt maakt. Gleufhoeden vliegen door de lucht, mannen die elkaar daar voor het eerst ontmoetten, vallen elkaar in de armen. Hector Castro werd ook 'el manco' genoemd nadat hij als dertienjarige zijn rechterhand verloor bij een ongeluk met een elektrische zaag. Het weerhield er hem niet van een mooie carrière uit te bouwen bij Nacional en bij het nationale elftal waarvoor hij 25 wedstrijden speelde. Die middag in het Centenario voetbalde Castro zich de geschiedenis in en na de wedstrijd werden de 'hemelsblauwen' ook bijna letterlijk in de hemel opgenomen. Na het laatste fluitsignaal klommen de spelers de hoge trappen op tussen een geestdriftige massa van - en we citeren Langenus - '125.000 mensen'. John Langenus en zijn assistent trekken na het laatste fluitsignaal in hun wedstrijdtenue door een kolkende mensenzee terug naar hun hotel en dat blijkt geen sinecure. Vanwege de verkeersdrukte raakt de auto die het Belgische scheidsrechtersduo zou komen ophalen niet tot aan het stadion en dus leggen Langenus en Christophe de hele weg te voet af op noppen. Gezien ze zich al voor hun vertrek uit het hotel hadden omgekleed, hebben ze geen cent op zak en kunnen ze ook geen gebruik maken van een taxi of het openbaar vervoer. Die zijn bovendien ook onvindbaar. Met de moed in hun 'stoppelschoenen' beginnen ze aan hun drie kwartier durende wandeling terug naar Pocitos. Ze verlaten de hoofdtribune en lopen via de Avenida Doctor Américo Ricaldoni naar het begin van de Avenida Francisco Soco die later overgaat in de Avenida Brasil. Van daar is het nog een kleine twee kilometer naar het strand en het hotel. Na een kwartier hebben ze zich uit de grote drukte weten te werken maar van een taxi of ander openbaar vervoermiddel is nog altijd geen spoor. Het lopen met noppen op de straatstenen verloopt bijzonder moeizaam en na een halfuur lijken de studs zich door de zolen in de heetgelopen voeten te boren. Vanuit de baai komt dan ook nog een gure en stevige tegenwind op hen af. De bondsleiders die ook te voet moesten terugkeren maar op gewone schoenen, zijn reeds lang uit hun gezichtsveld verdwenen. Plots stopt er dan toch een autobus. De chauffeur die Langenus herkent van een foto in de krant is zo vereerd dat hij het Belgisch tweetal een gratis ritje aanbiedt. Maar het kwaad is al geschied: met half bebloede voeten bereiken ze eindelijk het hotel waar ze een kamer delen. Daar staat hen echter nog een grotere en zo mogelijk nog onaangenamere verrassing te wachten...