6 december 2004. Op weg voor nog maar eens een reportage. We zitten in de trein tussen Frankfurt en Jena, een stad in de voormalige DDR. Het gaat van west naar oost, de huizen worden naarmate de rit vordert iets minder fraai, de mensen ogen somberder. We scheuren voorbij Weimar, ooit de intellectuele thuishaven van de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe.
...

6 december 2004. Op weg voor nog maar eens een reportage. We zitten in de trein tussen Frankfurt en Jena, een stad in de voormalige DDR. Het gaat van west naar oost, de huizen worden naarmate de rit vordert iets minder fraai, de mensen ogen somberder. We scheuren voorbij Weimar, ooit de intellectuele thuishaven van de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe. Jena, het centrum van de optische industrie, is niet echt een flitsende stad. In de buitenwijken hangt de geur van het communisme, aftandse flatgebouwen herinneren aan een verderfelijk verleden. Alleen het centrum is opgeknapt. Daar hebben we, in een statig hotel, een afspraak met de voormalige Oost-Duitse bondscoach Bernd Stange. Het moest voor ons kerstnummer een wat aparte reportage worden, want Stange had een traumatisch trainersavontuur achter de rug: hij was twee jaar lang bondscoach geweest van Irak. Het werd een erg ingrijpend interview. Of beter: een zeer beladen monoloog. In een stijlvol hotel in Jena bleef Stange bijna drie uur onafgebroken aan het woord. Hij vertelde over de extreem blinde gehoorzaamheid van de spelers, die zich als het ware aan hem onderwierpen. Hij rakelde een hoop schrijnende verhalen op die hij tijdens zijn verblijf hoorde: over spelers die gefolterd en opgesloten werden omdat ze een strafschop hadden gemist, over een jeugdploeg die na een nederlaag een week in de gevangenis werd gestopt, waar ze elke dag moesten voetballen. Maar niet met een bal, maar met stenen. Natuurlijk had Stange zich vragen gesteld. Of het wel moreel verantwoord was om in een land te gaan werken dat kreunde onder het angstbewind van Saddam Hoessein, hij informeerde zich bij de FIFA, die het zelfs goed vond dat een buitenlandse trainer daar aan de slag zou gaan. En toen Stange in november 2001 zijn contract tekende, waren de Amerikanen Irak nog niet binnengevallen. Hij vertelde het alsof hij zichzelf wilde troosten. Toen de Tweede Golfoorlog uitbrak, moest Stange op gezag van de Duitse ambassade Irak verlaten. Vanuit een land dat beefde van de angst kreeg hij dramatische telefoons van spelers, hoorde hij de bombardementen en liet hij zich uiteindelijk overhalen om na de oorlog terug te keren. Hij vroeg de spelers verder te trainen en liet hen weten dat hij de eerste maandag na de oorlog weer op het veld zou staan. Om acht uur 's morgens. Vreemd was het om Stange zo te horen praten terwijl Jena baadde in een feeërieke verlichting en met zak en pak beladen mensen door de winkelstraten scheurden. En intussen vertelde Stange over uitgebrande auto's en pantsers die hij na de oorlog zag, over verwoeste steden, ingestorte gebouwen en kinderen die speelden op radioactieve gronden. Feller kunnen contrasten niet zijn. Toch kwalificeerde hij Irak in dit grimmige klimaat voor de Olympische Spelen. Maar vier maanden voor het toernooi, toen de ploeg op trainingskamp was in Jordanië, gaf de Duitse ambassade hem de raad niet langer in Irak te blijven omdat het klimaat tegenover de buitenlanders steeds vijandiger werd. Trots zag hij vanaf het thuisfront hoe Irak vierde werd. Het had Bernd Stange getraumatiseerd, die periode in Irak, het trainen in een land dat in puin ligt, tussen de ruïnes, met een constante dreiging voor aanslagen. Getraumatiseerd maar ook gebrandmerkt. In Duitsland kwam Stange al voordien niet meer aan de bak, nadat uitgelekt was dat hij voor de Oost-Duitse veiligheidsdienst Stasi had gewerkt - hij vond dat verwerpelijk maar had, zo benadrukte hij, geen andere keuze. Hij trok na zijn periode als bondscoach van Irak nog twee jaar naar het Cypriotische Limassol en werkte vier seizoenen als bondscoach van Wit-Rusland. Nog een land met een bedenkelijke reputatie, de laatste dictatuur van Europa, maar Stange deed daar geen enkele uitspraak over. Veel meer maakte hij propaganda voor dit land. Zoals hem dat vroeger in de DDR was geleerd. Sinds eind 2011 jaar wacht de 64-jarige Stange thuis op nieuwe aanbiedingen. Vanuit zijn woning heeft hij een panoramische aanblik op het stadion van Carl Zeiss Jena, een gevallen grootmacht in een regio vol littekens. JACQUES SYS