Twee uur voor de aftrap is het aan de rand van Mönchengladbach vanaf de snelweg al aanschuiven richting de parkings rondom het Borussia-Park. Maar met meer dan 5000 plaatsen bij het fonkelnieuwe stadion gaat dat erg vlot. In 2004 werd het op een zo goed als lege site opgetrokken, waardoor de toegangswegen en verkeersstromen optimaal ingepland konden worden en de files tot een minimum beperkt werden. 'Consumentgericht' is het sleutelwoord bij uitstek van het nieuwe Borussia Mönchengladbach.
...

Twee uur voor de aftrap is het aan de rand van Mönchengladbach vanaf de snelweg al aanschuiven richting de parkings rondom het Borussia-Park. Maar met meer dan 5000 plaatsen bij het fonkelnieuwe stadion gaat dat erg vlot. In 2004 werd het op een zo goed als lege site opgetrokken, waardoor de toegangswegen en verkeersstromen optimaal ingepland konden worden en de files tot een minimum beperkt werden. 'Consumentgericht' is het sleutelwoord bij uitstek van het nieuwe Borussia Mönchengladbach. Bij de opening in 2004 was het nog gewoon een voetbalstadion aan de westkant van de stad, op de plek waar de Britse troepen, die er na de Tweede Wereldoorlog gestationeerd waren, eind jaren 90 de gebouwen ontruimd hadden. Sinds een maand is die plek een heus voetbaldorp geworden, met alles erop en eraan. Bijna nergens anders ter wereld vind je in één huis het stadion, de kantoren, fanshop, het opleidingscentrum met een internaat waar 24 talenten gehuisvest kunnen worden, een hotel, een revalidatiecentrum en straks een museum. Het ligt hier, in Mönchengladbach, allemaal dicht bij elkaar, zoals het voor een echte familieclub ook past. Ook de nieuwe straat naar het complex staat symbool voor wat Borussia Mönchengladbach vandaag is: een moderne club, met respect voor de traditie. De straat heet Hennes Weissweiler-Allee, genoemd naar de legendarische trainer die de mythe van Gladbach halfweg de jaren 60 opstartte. Hennes Weisweiler, leraar aan de sporthogeschool van Keulen, wilde koste wat kost twee zaken combineren: resultaat en goed voetbal. Niet met grote, ronkende namen, want daar had zijn nieuwe club geen geld voor, maar met jong talent dat vatbaar was voor zijn voetbalideeën. De ene week (in januari 1967) klopte zijn enthousiast aanvallende, jonge team Schalke met 11-0, de andere werd het door datzelfde Schalke met 4-2 in de eerste ronde van de Duitse beker uitgeschakeld. Maar zijn aanpak werkte. In de elf jaar waarin hij de club trainde, van 1964 tot 1975, dwong hij niet alleen de promotie naar de Bundesliga af, maar werd ook drie keer kampioen, won de UEFA Cup (tegen FC Twente) en de Duitse beker. Het elftal waarmee hij in 1965 in de Bundesliga debuteerde, had een gemiddelde leeftijd van 21,5 jaar, met jonge talenten als Günter Netzer, Jupp Heynckes, Bernd Rupp en Berti Vogts. 'Als jonge veulens zijn de spelers van Borussia', schreef journalist Wilhelm August Hurtmanns in de Rheinische Post, de plaatselijke krant. De naam ' Fohlenelf' werd prompt overgenomen door andere media. Vandaag is de clubmascotte een veulen, staat de roepnaam op de cover van het clubmagazine, op de spelersbus, kortom: overal waar Borussia leeft. Het enige nadeel was dat het eigen stadion Bökelberg in het volle stadscentrum niet Bundesligawaardig was. Even werd aan een verhuis naar het naburige Rheydt (vandaag deel uitmakend van Mönchengladbach) gedacht, maar toen besliste de politiek toch één tribune te overdekken, al bleef de publieke opkomst al die jaren beperkt. Na de bouw van het Borussia-Park werd het oude stadion afgebroken. Vandaag staan op de plek waar voorheen Die Fohlen op en neer draafden, luxueuze gezinswoningen. In het maandelijkse clubblad Fohlen Echo van februari blikt voorzitter Rolf Königs, aan het bewind sinds 1999, naar aanleiding van de opening van de nieuwe gebouwen terug op die aanvangstijd. 'Toen we begonnen, hadden we geen eigen stadion, geen eigen trainingsvelden, geen jeugdinternaat. Een deel van ons personeel werkte in containers waar bureaus in ondergebracht werden. De verhuis naar het Borussia-Park was levensnoodzakelijk.' Dat beseft ook communicatiedirecteur Markus Aretz. Hij groeide op in Gladbach en maakte aan de hand van zijn vader zijn eerste wedstrijden op de Bökelberg mee. Kort na zijn aanstelling als perschef in 1999 dreigde het faillissement. 'Ik dacht: Europees voetbal ga ik hier nooit meer beleven, daarvoor moet ik elders gaan. Maar de voorbije acht jaar speelden we weer zes keer Europees, en in 2012 zaten we voor het eerst in de Champions League.'Aan het Borussia-Park hing afgelopen zaterdag voor de komst van Bayern voor de derde keer dit seizoen het bordje 'Ausverkauft'. Net als tegen Schalke en Düsseldorf, dat samen met het naar tweede klasse gedegradeerde FC Köln de grote streekrivaal is (Düsseldorf ligt op 30 kilometer, Keulen op 50), betekent dat 54.022 kijkers, die van heinde en ver komen. Er staan Nederlandse en Belgische auto's op de parkings. Niet zo vreemd, want het Limburgse Roermond ligt amper 30 kilometer verderop en de verslaggever van de Duitstalige Belgische krant Grenz-Echo is maar 70 kilometer van zijn thuis vlak bij Eupen. Niet alleen uit Nederland en België komen ze naar hier, maar uit heel Duitsland. Want Gladbach is geen stadsploeg, zoals pakweg Hertha BSC, Eintracht Frankfurt, VfB Stuttgart of FC Köln. Van de 85.000 clubleden komen er slechts 10.000 uit Mönchengladbach zelf, toch een stad met bijna 260.000 inwoners. De sfeer in het Borussia-Park is fantastisch. Tenminste: voor de aftrap. De speciale gast op het veld is een goede bekende van iets oudere Belgische voetballiefhebbers. De voormalige Deense spits Ulrik le Fevre kondigt aan dat hij een medaille aan het clubmuseum schenkt, dat begin mei opent. Le Fevre, die in 1973 naar Club Brugge verhuisde en daar net als in Gladbach voetbalgeschiedenis zou schrijven, won in 1971 als eerste speler in de Bundesliga de mythische prijs Tor des Jahres, uitgereikt in de legendarische Sportschau, nog altijd hét Duitse voetbalprogramma op zaterdagavond. Maar nadat in de Nordkurve een fantastische tifo is getoond en het door heel het stadion mee gebrulde clublied uit de luidsprekers is weggeëbd, wordt het snel, té snel stil. Al na één minuut scoort Bayern en wordt duidelijk dat de euforie rond de club uit Niederrhein voorbij is. De thuisploeg verdedigt naïef, en zonder een uitstekende thuisdoelman Yann Sommer had de eindscore nog veel hoger kunnen oplopen dan 1-5. Naast de doelman haalt bij de thuisploeg alleen Thorgan Hazard een goed niveau. De Belg startte op rechts maar wisselde al snel met Alassane Pléa, met 23 miljoen de duurste aankoop uit de clubgeschiedenis. Even voor de rust biedt hij na de 0-2 met een knappe actie de aansluitingstreffer aan, maar prompt na rust maakt Bayern duidelijk wie dé concurrent van koploper Dortmund wordt in de titelstrijd. Alvast niet Mönchengladbach, dat eind januari nog mooi tweede was. Sommigen hoopten al stiekem op een nieuwe titel na de vorige in 1971, alweer bijna 50 jaar geleden. Na de 0 op 9 in de laatste drie thuiswedstrijden, met 1 doelpunt gemaakt en 11 tegen, staat Gladbach niet langer tweede, maar vierde. Nog altijd goed voor een plaats die recht geeft op deelname aan de Champions League, maar intussen is RB Leipzig over Gladbach geklommen en voelen de groen-wit-zwarten de achtervolgers (Frankfurt, Leverkusen, Wolfsburg) in hun nek. Tot paniek leidt dat niet bij de ervaren sportleiders. Die hebben maar één Leitmotiv, dat ze de laatste weken alsmaar herhalen: Ruhe, rust. Dat doet trainer Dieter Hecking, de man die een paar jaar geleden Kevin De Bruyne zo goed aan het voetballen kreeg bij Wolfsburg, al een paar dagen voor de match tegen Bayern op de voorafgaande persconferentie. 'Belangrijk is dat je na een paar nederlagen niet alles in vraag stelt. Net dan moet je de rust bewaren en overtuigd zijn van wat je zelf doet. Druk komt van buiten en moet je zo lang mogelijk ook buiten houden.' Sportdirecteur Max Eberl, al elf jaar op post, luistert goedkeurend. Eberl voetbalde zelf nog zes jaar voor Gladbach. Curieus, want in de zomer van 1997 werd hij, komende van Bochum, bij Eendracht Aalst nog afgekeurd bij de medische testen. Om vervolgens nog een paar seizoenen aan de slag te gaan bij tweedeklasser Greuther Fürth en zijn spelerscarrière af te sluiten bij Gladbach, waar hij als speler nog afscheid nam van de oude Bökelberg. In zijn laatste actieve seizoen speelde hij het nieuwe stadion mee in, om vanaf 2008 sportief directeur te worden. Toen de plannen voor dat nieuwe stadion getekend werden, gingen er stemmen op om het niet té groot te maken, want zelfs toen de ploeg in de zo succesvolle jaren 70 wereldtop was, steeg het gemiddelde aantal toeschouwers nooit boven de 25.000 uit. Uiteindelijk ging men toch voor een nieuwe arena met 54.000 plaatsen, omdat Gladbach in gans Duitsland fans heeft. Met dank aan de jaren 70, toen het mooi voetballende elftal samen met Bayern in Duitsland én Europa top was en live op tv kwam en het zo ook buiten de eigen regio zichtbaar werd. 'Heel Duitsland koos toen partij', zegt communicatiedirecteur Aretz. 'Wie Bayern haatte, supporterde voor ons. Dat is nog altijd zo. Niemand haat Mönchengladbach. Voor velen zijn we de tweede club.' Sinds de verhuis naar het nieuwe stadion schommelt het toeschouwersgemiddelde altijd tussen de 49.000 en de 51.000 kijkers. Dus speelt zich om de twee weken een massale volksverhuizing af naar en later ook weer weg van de stad. Een derde van de 54.000 kijkers die elke thuiswedstrijd bijwonen, woont verder dan 200 kilometer van Mönchengladbach. Omdat de meeste fans van ver komen en door die afstanden slechts een paar wedstrijden per jaar bijwonen, houdt de club het aantal abonnementen per jaar bewust beperkt tot 30.000. Daardoor blijven voor elke wedstrijd nog ruim 20.000 tickets te koop. Voor die verre bezoekers opende de club vorige maand een hotel. Daardoor is Mönchengladbach de enige Bundesligaclub met een eigen hotel met meer dan 120 kamers en suites. Voor 79 tot 179 euro per nacht sta je in 128 stappen in het stadion. Maar wie boekt voor een thuiswedstrijd, moet minstens twee nachten blijven. Zo komt het dat hele gezinnen vrijdagavond de parking van dé familieclub bij uitstek op rijden, en op zondagochtend weer vertrekken. Vanaf 3 mei kunnen ze ook het nieuwe clubmuseum bezoeken. In dat museum zullen ook foto's en herinneringen aan Rainer Bonhof te zien zijn. De nu 66-jarige ondervoorzitter schreef als middenvelder mee aan de mooiste pagina's in de clubgeschiedenis, met een UEFA Cup, drie landstitels en één Duitse beker, die hij won van 1970 tot 1978, het jaar waarin hij Gladbach ruilde voor Valencia. Later depanneerde hij nog eens als trainer, toen zijn club in 1998/99 niet meer van degradatie te redden viel. In 2009 haalde de club hem in het bestuur toen Chelsea's scoutingsteam van Frank Arnesen waartoe hij behoorde, om besparingsredenen flink ingekrompen werd. Dit jaar is Bonhof, die in de regio opgroeide en bijna dagelijks op de club aanwezig is, tevreden met wat hij op het veld te aanschouwen krijgt. 'Dit seizoen zien we hier kwaliteit die we al lang niet meer gezien hadden.' Vandaag moet hij met zijn voetbalkennis en ervaring het bestuur behoeden voor te overhaaste beslissingen. Dat Gladbach, dat ook voormalig trainer Hans Meyer in de bestuurskamer heeft opgenomen, daarmee het voorbeeld van Bayern volgt, waar ex-voetballers al lang de lijnen uitzetten, wuift Bonhof weg. 'Ach, dat Bayern... Sie reten, wir arbeiten. Zij praten, wij werken.' Belangrijk in het topvoetbal vindt hij dat je altijd je clubfilosofie trouw blijft. De beste barometer daarvoor zijn de tribunes, zegt hij: 'Dat onze Nordkurve een paar weken geleden na de 0-3-nederlaag tegen Wolfsburg de spelers toch op applaus trakteerde, zie je niet bij elke club. Hier wel. En als 10.000 à 12.000 fans mee op verplaatsing gaan wanneer we Europees voetballen in Marseille of Rome, stel je als club toch iets voor.' Wat is dan die filosofie? 'Dat je voor de zesde opeenvolgende keer wordt uitgeroepen tot meest geliefde familieclub in Duitsland, en dat onze zelf opgeleide spelers van de academie hier geregeld in de ploeg geraken. Het ene jaar twee, dan weer vijf. Dat is onze langetermijnpolitiek die deze club altijd gehanteerd heeft: wij proberen spelers op te leiden en hen beter te maken. Gladbach wil een springplank zijn voor spelers die zich internationaal willen tonen. Veel voetballers in de Bundesliga zijn hier opgeleid.' Vandaag speurt Borussia daarvoor niet alleen in de eigen regio, maar ook over de Duitse grenzen heen. Neem nu Thorgan Hazard, zegt Bonhof: 'Thorgan was niet gelukkig bij Chelsea, want daar werken ze met kant-en-klare spelers, niet met jong talent dat nog moet groeien. Hier voelt hij zich thuis, kon hij zijn grenzen aftasten. Nu weet hij wat hij kan en neemt hij meer verantwoordelijkheid voor het team dan de voorbije jaren.' Alleen is de vraag hoelang Gladbach de jonge Hazard kan houden. Goeie spelers houden is hier altijd het probleem geweest. Toen Bonhof in 1978 Gladbach ruilde voor Valencia, waren Jupp Heynckes (in 1967 naar Hannover), Günter Netzer (in 1973 naar Real) en Uli Stielike (in 1977 naar Real) al vertrokken. In 1980 haalde Bayern, dat nochtans samen met Gladbach in de Bundesliga beland was, Kalle Del'Haye. Vier jaar later ruilde ook Lothar Matthäus de Bökelberg voor München en in 1999 deed Stefan Effenberg hetzelfde. Op de vraag hoe Bayern, dat hetzelfde aanvangsparcours aflegde als Die Fohlen en met een jong elftal uit de eigen streek naar de top steeg, na de jaren 70 aan de internationale top bleef terwijl Gladbach afzakte, weet Bonhof het antwoord: 'Wij hadden in ons stadion met slechts één overdekte tribune een capaciteit van 38.000 plaatsen, waaronder 18.000 zitplaatsen, waardoor het zelden vol zat. Een stadion in eigen beheer ook nog. Bayern kreeg na de Olympische Spelen van 1972 het Olympisch Stadion voor een beperkte huursom per jaar, met een capaciteit van meer dan 70.000 plaatsen, veelal overdekt. De inkomsten van een club kwamen toen voor 80 procent uit tickets. Reken maar het verschil uit.' Dat is snel gedaan. Toen Rolf Königs in 1999 voorzitter werd, ging de club gebukt onder een schuldenlast van 15 miljoen euro, dreigde het failliet en had Mönchengladbach een omzet van amper 16 miljoen euro. Vandaag is dat 170 miljoen euro. Toen Aretz in 1999 perschef werd, had de club 30 werknemers, nu zijn het er 180. In die tijd verzorgde hij in zijn eentje de communicatie, vandaag stuurt hij een team van achttien mensen aan. Allemaal dankzij de inkomsten van het nieuwe stadion op de oude terreinen van het Britse garnizoen, waarvan de bouw 33 miljoen euro kostte. Op de vraag waar Mönchengladbach zonder het nieuwe stadion had gestaan, moet Markus Aretz niet lang nadenken: 'Waarschijnlijk in derde klasse.'