Elke dag voetbal. Zo ziet april eruit voor de Spaanse voetballiefhebber. En daar hebben ze niet eens meer de beker voor nodig, die eliminaties zijn al afgewerkt. De finale op zaterdag 27 mei gaat tussen het onvermijdelijke Barcelona, dat voor de derde keer op rij kan winnen, en het Baskische Alavés, uit Vitoria. Gasteiz voor de Basken. Waar de finale zou doorgaan, was even voer voor discussie, zo gaat dat als een land geen nationaal stadion heeft. Het Bernabéustadion moest het strijdtoneel worden, maar toen bleek dat de grote rivaal uit Catalonië weer eens de finale had gehaald en Madrid niet, was het stadion plots 'niet meer beschikbaar'. Dus wordt het straks Vicente Calderón, nog even het stadion van Atlético. Meteen een mooi afscheid van een oude glorie, volgend jaar voetballen Diego Simeone en co in de Wanda Metropolitano, in de schaduw van Barajas, de luchthaven. Adres: calle Luis Aragonés, genoemd naar de oude wijze.
...

Elke dag voetbal. Zo ziet april eruit voor de Spaanse voetballiefhebber. En daar hebben ze niet eens meer de beker voor nodig, die eliminaties zijn al afgewerkt. De finale op zaterdag 27 mei gaat tussen het onvermijdelijke Barcelona, dat voor de derde keer op rij kan winnen, en het Baskische Alavés, uit Vitoria. Gasteiz voor de Basken. Waar de finale zou doorgaan, was even voer voor discussie, zo gaat dat als een land geen nationaal stadion heeft. Het Bernabéustadion moest het strijdtoneel worden, maar toen bleek dat de grote rivaal uit Catalonië weer eens de finale had gehaald en Madrid niet, was het stadion plots 'niet meer beschikbaar'. Dus wordt het straks Vicente Calderón, nog even het stadion van Atlético. Meteen een mooi afscheid van een oude glorie, volgend jaar voetballen Diego Simeone en co in de Wanda Metropolitano, in de schaduw van Barajas, de luchthaven. Adres: calle Luis Aragonés, genoemd naar de oude wijze. De eerste stop op onze vuelta van het Spaanse voetbal is Pamplona, waar hekkensluiter Osasuna Athletic de Bilbao ontvangt. Real Sociedad mag momenteel dan wel hoger in de rangschikking staan, Athletic blijft de vaandeldrager van het Baskische voetbal. Financieel ook veruit de machtigste. Met vijf (op twintig) zijn de Baskische clubs dit seizoen vertegenwoordigd in La Liga, de Primera División. Naast Alavés, Bilbao, Osasuna en Real Sociedad is er immers ook nog Eibar, de vreemde eend in de bijt. Een onverklaarbaar sprookje. Ze staan ergens halfweg in eerste klasse en dat voor een dorp van nog geen 28.000 inwoners. Geen rijke voorzitter en met een stadionnetje waar maar 5250 man binnen mag. In de regio Madrid is er ook zo'n ploegje: Leganés, dat vorige woensdag voor het eerst in zijn competitiegeschiedenis Real Madrid op bezoek kreeg. Butarque, het stadion van Leganés, kan net geen 11.000 man herbergen. Dat de liga geen hogere gemiddelde cijfers heeft qua bezoekers, is de schuld van deze twee dwergen, zuchten ze in Madrid. Eibar en Leganés halen de gemiddelden naar beneden. Neen, dan pakken ze op de zetelvan de voetbalbond lieveruit met de 99.000 van Camp Nou of de 85.000 van Bernabéu... Pamplona, op de weg naar Compostela en populair bij wandelaars, is méér dan San Fermín, de stierenloop van 6 en 7 juli, die elk jaar ruim twee miljoen toeristen naar de hoofdstad van de provincie Navarra lokt. Pamplona is ook de semana del pintxo. Vergeet de tapas die u elders in Spanje krijgt, ze verhouden zich tot de pintxo zoals de roman Vijftig tinten grijs tot het betere erotische werk van Mario Vargas Llosa. Elke bar heeft zijn eigen kleine creatie, zijn gerechtje op een bordje, zijn pintxo. Een opgewerkte culinaire smaakbom, bij voorkeur te nuttigen met bier of wijn. Twee dingen vallen de wandelaar op: de afwezigheid van Baskisch nationalisme in de straten en de hoge gemiddelde leeftijd van de bevolking op straat en in de bars. Is de Spaanse crisis over zijn hoogtepunt heen? Ja, zeggen Imanol en Iraki in koor. Tenminste hier in het noorden, het zuiden is er erger aan toe. Het zijn twee vrienden die werk combineren met studies. Wie werk heeft, leeft goed. En vooral: buiten. Pamplona is net als alle grote Spaanse steden: er staan geen rijhuizen zoals u die kent van Brussel, Luik of Gent, maar grote appartementsblokken. Die hebben allemaal het volgende gemeen: er is amper groen rondom en de flats hebben piepkleine terrassen, vaak nog deels ingenomen door een airco. Wie nood heeft aan frisse lucht, moet de straat op, de parken in, de terrasjes op. Het sociale leven van de Spanjaard speelt zich buitenshuis af. Een droom voor wie centen heeft, een nachtmerrie voor de werkloze. CA Osasuna, de club uit Pamplona, is met Real Madrid, Barcelona en Athletic één van de vier clubs in de Primera División die worden geleid door socios en waarvan de voorzitter wordt verkozen. De drie anderen hebben succes, Osasuna niet. Zet dat een rem op de eventuele groei van de ploeg? Iraki twijfelt: 'Er kan niet iemand van buitenaf de ploeg kopen, dat klopt. Wat Español of Atlético (de eerste is in Chinese handen, de tweede voor twintig procent, met als resultaat een nieuwe dynamiek, nvdr) overkwam, kan hier niet. Anderzijds: een garantie voor succes is dat ook niet, dat merk je bij Valencia (in handen van Peter Lim, een zakenman uit Singapore, nvdr) en Racing Santander (naar het failliet geleid door de Indische Mister Ali, nvdr).' Osasuna staat afgescheiden laatste, maar grote voetbaldromen hebben ze hier niet, nooit gehad. Het leven van een voetbalfan in Pamplona is dat van de liftboy uit de grote hotels: op en neer. Het aantal zeges beperkt: toen we er waren, één in de competitie, uit bij Eibar. Vorige woensdag deden ze er nog een tweede bij: uit bij Alavés. Twee derby's. Thuis, in El Sadar, wonnen ze nog niet, maar zet dat een domper op het enthousiasme? Allerminst. Uren voor de derby tegen Athletic is het al fun in de smalle straatjes en tijdens de derby nog meer in het stadion. Na elke tegengoal (de bezoekers maken er twee) wordt gewoon wat harder getrommeld en gezongen. Oriol Riera, de spits, bakt er echt niks van, maar als hij wordt vervangen, krijgt de man een staande applausvervanging. Zolang trainers hier maar spelers uit de cantera, de jeugdopleiding, opstellen en de fans hun pintjekunnen drinken, is er niks aan de hand. El Sadar dateert uit 1967. En hier raken we meteen het pijnpunt van het Spaanse voetbal: de verouderde infrastructuur. Het grootste deel van het jaar is het hier lekker warm en kan je buiten zitten, het is er veilig, ook voor kinderen, er loopt verbazend weinig politie rond, er is veel sfeer, het voetbal is aangenaam om te zien, al missen heel wat ploegen toch een echte killer,maar hun betonnen bakken zijn compleet gedateerd. Camp Nou en Santiago Bernabéu kregen van de UEFA vijf sterren, de hoogste notering. Op basis van hun prestige, zeker niet op basis van comfort. Camp Nou dateert uit 1957, Bernabéu is nog tien jaar ouder. Uiteraard is het allemaal sindsdien al wat opgefrist, maar het is toch vooral chapa y pintura, zoals ze hier zeggen, opsmukwerk. Als het EK over drie jaar heel Europa aandoet, passeert het in Spanje niet toevallig via San Mamés, de thuishaven van Bilbao. Het enige écht moderne stadion in Spanje, in 2013 in dienst genomen. Infrastructuur is al lang een doorn in het oog van de Spaanse voetballeiders. Een groot toernooi organiseren zou Spanje over dit dode punt heen kunnen helpen, dachten ze eind vorig decennium. In 2009 stelde Spanje zich daarom samen met Portugal kandidaat voor het WK in 2018. Het duo haalde bij de verkiezing een jaar later uiteindelijk zeven stemmen, vijf minder dan Rusland. Nieuwe plannen als organisator zijn er niet, horen we. Dus gaat elke ploeg zelf wat op zoek naar middelen en worden geregeld verfraaiingsplannen ontvouwd. In Madrid heeft het geen effect op de aantrekkingskracht van Bernabéu. Op lijn tien van de metro kirren Aziaten zich zenuwachtig door de massa. Het is zondag, de zon schijnt, en een middagje Real - aftrap om 16.15 uur - maakt hun trip nog aantrekkelijker. Met honderden zijn ze en voor de hoofdingang nemen ze een selfie. Spaans voetbal behoort in de hoofdstad stilaan tot een toeristische must, net zoals de Plaza Mayor, het Prado en de bars in de kleine straatjes rond Santa Ana. In de metro horen we Nederlands, (veel) Frans, allerlei Aziatisch, Arabisch, Duits, en tussendoor ook wat Spaans. Voor de aftrap eert Madrid een van zijn helden van weleer met een grote tifo. Het is 25 jaar geleden dat Juanito, vijf keer landskampioen met de Koninklijke, bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Het aftrapuur is een nachtmerrie voor de vele radiojournalisten die de tribune bevolken. De voorbije jaren heeft La Liga zijn achterstand qua televisiecontracten op de Bundesliga en de Premier League wat gedicht. In het seizoen 2014/15 kregen alle eersteklassers samen een goeie 687 miljoen euro televisiegeld. Zéér oneerlijk verdeeld trouwens. Voor Madrid en Barcelona was dat 138 miljoen, voor Eibar, dat zich net redde, was er maar 15 miljoen. In 2015/16 was het totaalbedrag al 973 miljoen. Een stijging die minder naar de twee groten ging (die kregen 140 miljoen), maar wat beter werd verdeeld over de kleintjes, die al rond de dertig miljoen kregen. Dit seizoen gaat ongeveer 1,3 miljard euro verdeeld worden, met minimaal 42 miljoen voor de kleintjes, en 142 (Madrid) tot 149 (Barcelona) voor de twee giganten. Betaaltelevisie heeft het Spaanse voetbal een boost gegeven. Ze zitten nog steeds allemaal in de schulden, ook de groten, maar de schuldenberg verkleint en is inmiddels gespreid - ook met hulp van de overheid - over langere tijd. Dit alles heeft zijn prijs. La Liga is geglobaliseerd. De vele Aziaten vandaag in Madrid op de tribunes - ook die van de pers - zijn geen toeval: de Spaanse eerste klasse is hot in Azië. Dus worden aftrapuren vervroegd, over een hele dag verspreid en over een heel weekend (van vrijdag tot maandag). Zo kon je vorige zaterdag om 13 uur beginnen kijken naar Español-Alavés en bijna twaalf uur later eindigen met de laatste minuten van Málaga-Barcelona. Vier wedstrijden na elkaar. Op zondag waren er nog eens drie. Alles op maat van de televisiekijker, zucht Angelo van Radio Marca. Je hebt naast een sportkrant ook nood aan een sportzender op de radio, met één programma kom je er niet. Opvallend in Bernabéu is het gedrag van de fans, naast de socios ook kritische toeristen. Cristiano wordt eerst toegejuicht bij een geslaagde dribbel, maar na de rust ook hard uitgefloten, als een beweging niet lukt. Idem met Gareth Bale. De Koninklijke breit aan een matige eerste helft een zwakke tweede. Zinédine Zidane moet zelfs tactisch bijsturen om Alavés uit de wedstrijd te halen. Ook bij hen ontbreekt de matador, de bezoekers verprutsen de kansen. Madrid wint met uiteindelijk nog ruime 3-0-cijfers. 'Een typische match voor Madrid', is het commentaar in de wandelgangen. Anders dan in Barcelona is de kwaliteit van het spel hier van geen tel. Voor de caudillos, de leiders van Spanje, is winnenhet allerbelangrijkste. Het enige. Daarom kon iemand als José Mourinho hier gedijen. Alles is hier ondergeschikt aan het resultaat en er zijn altijd genoeg sterren om dat te forceren. Vandaag waren Cristiano en Bale wat minder, maar was er Isco. Of Karim Benzema, terug uit zijn dal. Morgen kan het een nu nog morrende James Rodríguez zijn. Of Sergio Ramos, de held van Napels. Kijk er de erelijst maar op na, suggereert een fan. De voorbije acht jaar werd Madrid slechts één keer kampioen. Het won wel twee finales in de Champions League, twee keer tegen de stadsgenoot. Was dat omdat de ploeg de tegenstand overklaste? Allerminst, de eerste keer wist Sergio Ramos maar in de slotseconden verlengingen uit de brand te slepen, en vorig jaar had Zidane strafschoppen nodig. Maar: ook daar won Real Madrid uiteindelijk. Mentaal zijn ze ijzersterk. Los Blancos lijken de laatste jaren eerder een ploeg die piekt voor topduels, dan een team dat over een heel seizoen constant is. Is er dan zoiets als een Zidanestempel? Neen, hoor je. Tenzij dit: hij roteert meer dan zijn voorgangers en heeft als voetballer zo'n aura opgebouwd dat hij ook met minder spel wegkomt. Bovendien kan de palco - Spaans voor de eretribune - veel meer dan in Barcelona alles binnenskamers houden. Dat laatste is een debat dat woedt in de wandelgangen. Net als de Spaanse topclubs aan een intense beslissende maand april beginnen - met voor Barça bijvoorbeeld negen wedstrijden, waaronder de twee duels tegen Juventus, een clásico én de derby tegen Español - gooide Gerard Piqué een bommetje. In een onverwacht kader bovendien, want na een vriendschappelijke interland met Spanje. Uit vrees voor een schorsing, mocht hij het na een competitiewedstrijd hebben gezegd? Piqué had het over de 'waarden van Madrid'. Waarden die de zijne niet waren. En over de eretribune, waar mensen zitten die aan de touwtjes in het land trekken. Het is deze zondag het gesprek van de dag. Deed Piqué de uitspraken als toekomstig voorzitter van Barça (zijn droom)? Ze werden in elk geval bijgetreden door zijn voorzitter. Was het om de aandacht wat af te leiden van de kritiek dat de scheidsrechter in de match tegen PSG nogal mild was voor Barça? Of wilde Piqué de sfeer rond de clásico van zondag 23 april (aftrap in Bernabéu om 20.45 uur) alvast wat aanporren? In Madrid denken ze eerder aan het eerste scenario, in Barcelona aan wat anders. Piqué zullen we een paar dagen later in de Catalaanse hoofdstad horen, zegt gewoon luidop wat iedereen daar denkt: dat het géén toeval is dat de belastingperikelen van Cristiano geen letter in de krant halen, en die van Mascherano, Messi en Neymar wél, en dan nog uitgebreid. Omdat op de palco van Madrid al dat schoon volk van financiën en justitie zit. Volk dat macht heeft om delicate onderzoeken in te stellen. Een dag later zitten we al heel vroeg op Barajas, de Madrileense luchthaven, voor een vlucht naar Galicië, naar Vigo. De havenstad ontwaakt die ochtend met een kater. Letterlijk. Vigo heeft net de reconquista uit 1809, toen de troepen van Napoleon werden verjaagd, gevierd en dat ging gepaard met veel bier en wijn. In het oude stadscentrum is het een hele dag dan ook zeer stil... Vigo is sowieso stil. Hier voetbalt Théo Bongonda en huist het Celta dat morgen/donderdag KRC Genk ontvangt voor wat best wel eens een spektakelmatch kan worden. Want Vigo, dat voor de beker Real Madrid elimineerde, zal 's avonds tegen Las Palmas een van de aantrekkelijkste wedstrijden spelen die we al in tijden zagen (op competitieniveau dan toch). Zonder Bongonda, want Théo zit in een neerwaartse spiraal. Zijn rechtstreekse concurrent Pione Sisto bakt er weinig van, maar Bongonda blijft op de bank. Uit vrees voor een blessure, heet het diplomatisch bij de coach. In de wandelgangen hoor je dat Bongonda zich moet herpakken, hij blijft te lang hangen op hetzelfde niveau, in een seizoen waarin hij als basisspeler startte en zou moeten doorbreken. Te veel bezoek en te veel in de slipstream van de vedette van de ploeg, John Guidetti, vanavond afwezig met een blessure. De Zweed is een man met een verhaal, net zoals nog wel wat spelers in de ploeg. Zo werd Sisto, Deen van nationaliteit, geboren in Oeganda, maar heeft hij ouders die eigenlijk afkomstig zijn uit Zuid-Soedan. Ze vluchtten er voor de oorlog. Jongens met een achtergrond vallen op in dit rustige deel van Galicië, dat zijn straten geen calles noemt maar ruas, zoals in het Portugees. De grens met Portugal ligt op slechts een half uur rijden, wie er wil werken kan rekenen op treinverbindingen. De connectie met Porto is intens, muzikanten doen vaak in een adem de twee steden aan, de ene dag Vigo, de volgende Porto. Vigo, ongeveer 300.000 inwoners, is: haven (ook gericht op Zuid-Amerika), baaien met prachtige stranden, wat scheepswerven, visserij, de grote fabriek waar ingenieurs (Citroën, Peugeot, straks ook Opel) zich buigen over de auto van de toekomst, en een microklimaat dankzij het golvende landschap rond de stad. Gemiddeld is het hier een paar graden warmer dan bij de voetbalconcurrent in Galicië, Deportivo La Coruña, de huidige club van Davy Roef. Vier jaar geleden verwees Celta op de laatste speeldag Deportivo naar tweede klasse. Voor velen was dat hier evenveel waard als een titel. In tijden van nationalisme valt het met het streven naar autonomie aan de randen van Spanje goed mee, viel op in Pamplona. In Bilbao of San Sebastián is de aanwezigheid van het Baskisch wat prominenter, maar in het stadion van Osasuna verliep alle conversatie in het Spaans. In de straten ook. Niet zo gek, slechts vijftien tot twintig procent beheerst er het Euskara. In de steil hellende straten van Vigo hoor je net hetzelfde: oudere mensen praatten thuis nog het aan het Portugees verwante Galicisch, met de kinderen en kleinkinderen gebeurt het steeds minder. Scholen gaan de deeltalen moeten onderwijzen of ze raken verloren. De economische crisis lijkt hier trouwens minder voorbij dan in het noorden. In het centrum is er behoorlijk wat leegstand en verkrotting, zelfs in de beschermde binnenstad. En in de Rua Principe wordt veelvuldig gebedeld. Het stadion van Celta, letterlijk aan de voordeur van de autofabriek, dateert uit de late jaren twintig maar kreeg een grondige facelift voor het WK in 1982. Het wordt nu in fases verbouwd. Vorig jaar de hoofdtribune, volgende zomer die aan de overkant. In een volgende fase worden de beide tribunes tot vlak achter de doelen gebracht. Nu staan ze nog in een brede bocht, omdat hier vroeger een atletiekpiste liep. De capaciteit zal na alle werken wat dalen, tot een goeie 25.000, maar de intensiteit kan omhoog. En dat mag, want Celta is een aantrekkelijke aanvallende ploeg, met een buitenspeler/spits, Iago Aspas, die met zijn snelheid ongrijpbaar is voor de tegenstand. Aspas is rank en slank, faalde bij Liverpool, maar flitst weer als weleer. De dertigjarige Italiaan Giuseppe Rossi wordt de held, met een hattrick. Deels opgeleid in Engeland, bij Manchester United, maar geen stoere bonk. Tegen Las Palmas lukt hem alles. De hele ploeg heeft ovrigens veel snelheid en beweging. Voor ons is hij een vervelend mannetje, want over Théo Bongonda kan hij amper wat kwijt en over KRC Genk al helemaal niks, maar voor Celta is Eduardo Berizzo, de Argentijnse coach, een zegen. Herkenbaar voetbal, veel beweging, aantrekkelijk, ... Zijn voorganger Luis Enrique haalde een aantal goeie voetballers en bracht wat Barçakennis binnen, de Argentijn verdiepte tactisch. Zijn ster is rijzende in Spanje, al vegeteert Celta dezer dagen in het midden van het klassement. Reden: de iets te smalle kern om op drie fronten te strijden. Het blijft economisch een kleine stad, daar kunnen alle centen van een eigenaar die in Mexico fortuin maakte maar uit Vigo afkomstig is, niet tegenop. Daarom voetbalt Vigo ook op maandag, hoor je hen hier foeteren. Dat overkomt de grote clubs zelden. Al kan het nog erger: een ander klein duimpje, Real Betis, heeft bijna de helft van de tijd de match op vrijdag aan zijn been. 's Anderendaags gaat de vroege vlucht terug naar Madrid, voor een galamatch tussen het Atlético van een andere Belg, YannickCarrasco, en Real Sociedad. Atlético wil profiteren van de misstappen van Sevilla, een paar weken geleden nog met negen punten voorsprong op de concurrent afstevenend op plaats drie. Maar sinds de uitschakeling bij Leicester lukt de Sevillanen niks meer. Het is, zo hoor je, typisch voor de leerlingen uit de school van Marcelo Bielsa. Berizzo (Celta), MauricioPellegrino (Alavés), Jorge Sampaoli (Sevilla), ... De Argentijnse coaches eisen zo veel fysieke inzet en loopwerk van hun kern dat die in de maanden dat de prijzen verdeeld worden soms zonder benzine vallen. Het overkwam Bielsa met Athletic Bilbao een paar jaar geleden, en het lijkt ook Sevilla te overkomen. Atlético niet. Het is niet omdat het vanavond Europees tegen Leicester City is - ondanks de goeie reeks van Craig Shakespeare in deze fase van de Champions League toch het zwakke broertje - maar in Madrid houden ze er sterk rekening mee dat Atlético straks weer de finale kan bereiken. Tegen Real Sociedad - mét Carrasco in de basis, en van behoorlijk niveau - toont Atlético weer de oude waarden: georganiseerd, amper een kans weggevend en de match controlerend. Waarnemers blijven het allemaal op conto van Simeone schrijven. Voor een nieuwe titel zijn er nu misschien iets te weinig individuele kwaliteiten, maar in een bekertoernooi kunnen ze doorstoten. De beste keeper van Spanje (Thibaut Courtois was twee keer de minst gepasseerde doelman, vorig jaar was dat Jan Oblak en dit jaar kan dat weer), de beste verdedigers, een stevig middenveld. Allemaal centrale spelers, die het spel naar zich toezuigen en de tegenstand verlammen. Bovendien mentaal sterk. Twee finales verloren ze van de stadsgenoot, maar nu mikken ze weer gewoon op winst. Het begin van het seizoen liep stroef. Wat meer dan anders ging Simeone roteren, om iedereen nu fit te hebben. De ster is er het collectief, de Argentijn maakt slechts zelden een uitzondering. Eentje per seizoen. Vroeger Diego Costa, nu Antoine Griezmann. Het is misschien de reden voor de ruis die er even zat op de relatie met Carrasco. Na zijn goal in de finale vorig jaar iets te veel ster in wording. Bij Simeone pakt dat niet, de voeten moesten terug op de grond. De nacht is alweer kort, de voetbaltrein dendert op woensdag verder, richting Barcelona. Aan hoge snelheid, letterlijk. In de ave, de Spaanse hogesnelheidstrein, kan je op elk moment aflezen tegen welk tempo we de kilometers vermalen: we flirten met de 300 kilometer per uur. In net geen drie uur is de afstand tussen de twee grote rivalen van het Spaanse voetbal overbrugd. Naast ons zit een Chinese, bezig aan haar tweede lentevakantie in Spanje. Ze overwoog Parijs en Amsterdam, maar wilde zon en dus werd het Barcelona en Madrid. Zonder voetbal. Het Spaanse voetbal wordt druk gevolgd in haar land, zegt ze, maar zelf wilde ze alleen naar Europese wedstrijden tegen Juventus of Bayern. De nationale matchen interesseren haar niet en vermits alleen die samenvielen met haar verblijf, gaat ze vanavond kijken op tv. De vrouw doet het in onberispelijk Engels. Sjanghai is haar basis, haar baas de Franse Danonegroep. Een vrouw met duidelijke ideeën. Geen kinderen voor haar, ze moet in China te lange uren maken om ook daar nog voor te zorgen. Benvinguts lees je overal, steeds meer, in een regio die bij elk bezoek harder lijkt te schreeuwen om een grotere eigen stem in het debat en waar de prijzen algemeen gezien al gevoelig hoger liggen dan in de rest van het land. Economische rijkdom komt ergens vandaan. Hier is er duidelijk wél sprake van een drang naar autonomie. Het Catalaans is de eerste taal in het station, op reclameborden, in de winkels. Als de speaker 's avonds in Camp Nou in het Catalaans de opstelling van de ploeg meedeelt, wordt Piqué luidt toegejuicht, vanuit de kop achter doel. Messi ook, maar hij vooral door het internationale deel van het publiek. Onder hen opvallend veel Belgen. Op de weg terug botsen we bij toeval op een Limburgs gezin met vier kinderen. Ze kochten hun tickets ruim op voorhand, tegen een forse prijs: officieel waren ze 60 euro waard, in de praktijk draaide de prijs met commissielonen en extra's uit op 100 euro. Rond het stadion proberen veel verkopers nog tickets aan de man te krijgen. Net als Chinezen maken ook Spanjaarden late werkuren en een aftrap op half acht is naar hun normen vroeg. Voor de rust krijgen de toeschouwers waar voor hun geld. Messi heeft, na een schorsing in La Liga én een internationale met Argentinië, honger. Hij schittert in een eerste helft waarin Barça prachtige dingen laat zien. Maar bij 3-0 gaat de rem erop en kan wat op het veld te zien is, het leed om de match in de regen te volgen (een groot deel van Camp Nou is niet overdekt) niet meer compenseren. Barcelona staat op een interessant kruispunt, zeggen waarnemers. Luis Enrique is hier bezig aan zijn laatste maanden. Daarna? 'Naar La Escalonera!' Een strand in zijn geboorteplaats Gijón. Elders trainen wil hij niet direct, Enrique wil wat uitrusten. Maar eerst gaat hij dezer dagen met Barça op zoek naar zijn derde titel op rij. Daarmee zou hij even goed doen als Pep Guardiola, kampioen van 2009 tot 2011. Het liep een tijdje minder vlot, de 4-0 in Parijs kwam als een slag in zijn gezicht, maar sindsdien draait de ploeg weer volop. Anders dan bij ploegen van Bielsa-adepten hebben teams van Enrique de neiging om sterk te eindigen. Afspraak op 23 april, in Bernabéu. DOOR PETER T'KINT IN SPANJE - FOTO'S GFSpaans voetbal behoort in Madrid stilaan tot een toeristische must, net zoals de Plaza Mayor, het Prado en de bars in de kleine straatjes rond Santa Ana. Zidane roteert meer dan zijn voorgangers en heeft als voetballer zo'n aura opgebouwd dat hij ook met minder spel wegkomt. De Argentijnse coaches eisen zo veel fysieke inzet en loopwerk van hun kern dat die in de maanden dat de prijzen verdeeld worden soms zonder benzine vallen.