De veertienjarige Aisvana zit kaarsrecht aan tafel ten huize Vargas. Ze draagt haar lange zwarte haar in vlechten en glimlacht verlegen haar beugel bloot, terwijl ze haar tekeningen van Ronald toont. De airco ronkt op de achtergrond. In een land als Venezuela, waar de temperatuur zelden onder de twintig graden zakt, is dat geen overbodige luxe. Die zwoele maandagavond in december hebben Marbelis en Pedro, de ouders van Ronald, zowat de hele familie en een pak vrienden opgetrommeld om de Belgische reporter te woord te staan. In het niet erg grote huis - waarvan de met kerstversiering opgesmukte benedenverdieping opgedeeld is in een living, een salonnetje, een keuken en een ontspanningsruimte - is het dan ook een af en aan gaan van grootmoeders, nonkels, tantes, neven, nichten, vrienden en vriendinnen. Voor velen van hen is het een gelegenheid om eens bij te kletsen. In die roezemoezende drukte praat Aisvana een beetje onwennig maar met vaste stem over haar tien jaar oudere neef: "Ronald is een groot iemand. Omdat hij weet dat ik van tekenen houd, heeft hij me een tekenschriftje uit België cadeau gedaan. In het schriftje maak ik nu portretten van hem. Ik heb een foto van Ronald en die probeer ik over te tekenen. Soms is dat niet makkelijk. Bij elk portret zet ik de datum, mijn handtekening en af en toe een woordje. Voor hem. Als hij terugkomt naar Venezuela, ga ik hem het schriftje cadeau geven."
...

De veertienjarige Aisvana zit kaarsrecht aan tafel ten huize Vargas. Ze draagt haar lange zwarte haar in vlechten en glimlacht verlegen haar beugel bloot, terwijl ze haar tekeningen van Ronald toont. De airco ronkt op de achtergrond. In een land als Venezuela, waar de temperatuur zelden onder de twintig graden zakt, is dat geen overbodige luxe. Die zwoele maandagavond in december hebben Marbelis en Pedro, de ouders van Ronald, zowat de hele familie en een pak vrienden opgetrommeld om de Belgische reporter te woord te staan. In het niet erg grote huis - waarvan de met kerstversiering opgesmukte benedenverdieping opgedeeld is in een living, een salonnetje, een keuken en een ontspanningsruimte - is het dan ook een af en aan gaan van grootmoeders, nonkels, tantes, neven, nichten, vrienden en vriendinnen. Voor velen van hen is het een gelegenheid om eens bij te kletsen. In die roezemoezende drukte praat Aisvana een beetje onwennig maar met vaste stem over haar tien jaar oudere neef: "Ronald is een groot iemand. Omdat hij weet dat ik van tekenen houd, heeft hij me een tekenschriftje uit België cadeau gedaan. In het schriftje maak ik nu portretten van hem. Ik heb een foto van Ronald en die probeer ik over te tekenen. Soms is dat niet makkelijk. Bij elk portret zet ik de datum, mijn handtekening en af en toe een woordje. Voor hem. Als hij terugkomt naar Venezuela, ga ik hem het schriftje cadeau geven." Vanuit de ontspanningsruimte kijkt mama Vargas geamuseerd toe in een zwartleren poef. Ze kan niet horen wat er over haar zoon verteld wordt, maar ze weet het vermoedelijk wel. Iedereen is het er namelijk over eens: Ronald was een hyperactief, supersportief, grappig mannetje dat is uitgegroeid tot een uitstekende voetballer met een gouden hart. Grootmoeder Tula Machado herinnert zich nog wel dat de kleine Ronald geen grote eter was. "Er was haast niets dat hij lustte. Snoepjes gingen er wel in, maar aan tafel was het een ramp. Ik vroeg hem vaak of hij iets speciaals wilde, maar hij had nooit ergens trek in. Nu is dat gelukkig veranderd." Marbelis en Pedro wonen in een rijhuis in een van de betere wijken van Guatire, een stad op zo'n veertig kilometer van de hoofdstad Caracas. Om de afgezette wijk binnen te geraken, moet je eerst voorbij een cabine met wachters die je identiteit nagaan. Het is niet hier dat Ronald Vargas opgegroeid is, maar in een andere wijk in Guatire, waar iets minder bemiddelde, maar nog altijd vrij welgestelde Venezolanen wonen. De middenklasse, zeg maar. En daartoe behoorden vader Pedro, vroeger boekhouder, en moeder Marbelis, administratief bediende bij de stad, zeer zeker. Marbelis doet haar job nog steeds, hoewel ze ook zo vaak mogelijk naar België komt, want "mijn zoon en mijn man hebben me daar nodig". Pedro gaf ondertussen zijn werk op om zijn enige zoon bij te staan in Europa. Hij herinnert zich nog hoe de kleine Ronald eens met een gezicht zo wit als Brugs kantwerk thuis binnenkwam omdat hij per ongeluk een van de ruiten van papa's nieuwe auto aan gruzelementen gevoetbald had. Pedro grinnikt: "Ronald dacht dat ik in woede zou uitbarsten, maar ik zei hem gewoon: 'Ach jongen, niets aan te doen, let de volgende keer wat meer op'." Ook buurman Jorge Avila, die zo goed bevriend raakte met de familie dat hij padrino (peter) werd van Ronald, kan zich het voorval nog voor de geest halen. "Zoiets gebeurde wel vaker. De jongens van de wijk waren buiten constant aan het spelen: voetbal, baseball, volleybal, basketbal, alles wat je je maar kon indenken." Op een kast in zijn living staan drie foto's: een van zijn zoon, een van zijn dochter, en een van zijn petekind Ronald. Hij mijmert: "Het enige spijtige is dat Ronalds grootvader - de vader van zijn moeder - dit allemaal niet meer kan meemaken. Hij stierf aan parkinson. Een pracht van een kerel, heel sportief ook. Ronald heeft veel weg van hem." Ciro Medina, een Colombiaan die in dezelfde straat iets verderop woont en wiens zoon Juan getrouwd is met Ronalds zus Patricia, wil het volgende kwijt: "Als Colombiaan had ik een grotere affiniteit met voetbal dan de meeste Venezolanen, die vooral geïnteresseerd zijn in baseball. Mijn zoontje voetbalde toendertijd en ik was de eerste die Ronald eens meenam naar een voetbalclub." Niet zonder trots benadrukt hij: "En zó is het allemaal begonnen." Volgens jeugdvriend Roberto Ortiz, door zijn indrukwekkende postuur ook wel 'de lijfwacht' genoemd, had Ronald een ongewone aanleg voor voetbal, maar ook voor andere sporten. "Hij was overal de beste in. Hij troefde oudere jongetjes met gemak af. Vechten? Nee, dat deed hij nooit." Ook van vrouwelijke aandacht had el negro (de zwarte), zoals Ronald genoemd werd, niet te klagen, aldus Roberto. "Hij is iemand die zijn genegenheid graag toont. Ten opzichte van iedereen, hoor. Hij was heel lief met de meisjes. ( grijnst) Als we vroeger hier in de wijk naar een feestje gingen, was er ook altijd wel een meisje waar hij op viel." De volgende dag gaat het van het ouderlijke huis in Guatire naar Ronalds vroegere school: el colegio San José. Moeder Marbelis zit aan het stuur van haar lichtgrijze Chevrolet Aveo met geblindeerde ruiten - geen uitzondering, haast iedereen rijdt in Venezuela zo rond - vader Pedro naast haar. Het is even aanpassen aan de Venezolaanse rijstijl. Voorrang van rechts is onbestaande, voor voetgangers wordt niet gestopt - integendeel - en sturen met één hand om te bellen met de andere is de normaalste zaak van de wereld. Diepe putten in de wegen stellen het chassis van Marbelis' auto regelmatig op de proef. Het vlaggetje van Club Brugge dat aan de achteruitkijkspiegel hangt, bengelt voortdurend onrustig heen en weer. Pedro ergert zich openlijk aan de verkeerschaos en aan de staat van het wegennet. "Hoe is het mogelijk dat de straten er zo bij liggen in een land met een van de grootste oliereserves ter wereld?" Bovendien zijn de wegen er nog erbarmelijker aan toe door recente zware overstromingen, de ergste in veertig jaar. Op achtergelaten auto's en muren van huizen zie je nog precies hoe hoog het water amper een paar dagen ervoor stond. Marbelis legt uit wat er gebeurd is: om huizen te kunnen bouwen werd de rivier Santa Cruz verlegd en sindsdien treedt die regelmatig buiten zijn oevers, met de nodige schade en familiedrama's tot gevolg. En dat is koren op de molen van de steeds groter wordende groep Venezolanen die vinden dat ze in het rijkste, maar slechtst bestuurde land ter wereld wonen... De populariteit van president Hugo Chavez is tanende, zoveel is duidelijk. Marbelis stuurt haar wagen behendig een steil oplopend wegeltje op dat naar el colegio leidt. Doordat het schooltje op een cerro (heuvel) ligt, heb je van op de speelplaats een behoorlijk mooi zicht. De klaslokaaltjes zien er kraaknet uit en de gebouwen bevinden zich in goede staat. Pedro: "San José is een van de betere scholen van de streek. We hebben geluk gehad dat we onze dochter Patricia er konden inschrijven. Doordat zij zo'n voorbeeldige leerlinge was, ontving de school Ronald met open armen. ( grinnikt) Maar hij heeft hier heel wat mensen grijze haren bezorgd." In een van de lokaaltjes gaat Pedro grappend op het bankje zitten waar Ronald bij voorkeur zat: zo ver mogelijk naar achter. Marta, de al wat oudere vrouw van het schoolhoofd die instaat voor de administratie, herinnert zich Ronald nog goed. "Hij kon niet stilzitten. Altijd was hij bezig met een bal of met een spelletje. Hij moest een beetje gepusht worden om te leren, want dat was niet zijn favoriete bezigheid. Doordat hij zo'n bezig baasje was, kende iedereen Ronald. Ik moest me vaak kwaad maken op hem, bijvoorbeeld omdat hij tegen de schoolregels in zijn kousen had uitgedaan. Hij ging vaak tegen de stroom in, ja, tot het rebelse toe. Een leerling straffen of in de hoek zetten, dat doen we hier niet. Onze filosofie is er niet een van angst maar van dialoog. Als je hier naar de directeur - mijn man - gestuurd wordt, is dat voor de kinderen geen straf, maar aanleiding voor een goed gesprek. Bij problemen laten we in de eerste plaats de ouders naar hier komen. Patricia, die helemaal het tegenovergestelde was van haar broer, was vaak de wanhoop nabij: 'O nee Ronald, nu moet mama wéér komen.' Ronald studeerde wel, maar net genoeg om erdoor te zijn. Aangezien zijn ouders allebei werkten, was hij hier de hele dag - een semi interno noemen we dat. Om 7 uur 's morgens kwam hij aan met de bus. De lessen duurden tot 's middags. Na het middageten werd er een halfuurtje gerust en daarna begon hij samen met andere kindjes onder begeleiding aan zijn huiswerk. Om 15 uur mocht hij gaan sporten: basketbal, baseball, voetbal of zwemmen. Om 18 uur 's avonds bracht een bus hem naar huis. Na drie uur intense fysieke activiteit was hij uiteraard heel moe, maar dat was ook niet erg: zijn huiswerk was immers al gemaakt." Na het bezoek aan het colegio gaat het snel naar el estadio Guido Blanco, waar verschillende jeugdtrainers die met Ronald gewerkt hebben, samengekomen zijn. Stel u van dat stadion niet te veel voor: een honderdtal overdekte staanplaatsen, een wankele kantine en een veld dat geleden heeft onder de overstromingen. Het eerste ontvangstcomité bestaat uit een paar uitgemergelde straathonden, maar al snel daarna tekenen present: Edgard Charris, Nestor Ramirez, Rafael Neihme, Pedro Cañas en Guido Blancohimself, een grijsaard die het voetbal in Guatire zowat eigenhandig uit de grond heeft gestampt en die, zoals hij het zelf zegt "trainer was van de trainers van Ronald". Gekleed in een grijze joggingbroek en een blauwe polo ontvangt hij ons luidruchtig en hartelijk. Als het over Ronald Vargas gaat, glinsteren zijn oude ogen onder de klep van zijn witte pet. Zijn stem is nasaal en schrapend, als die van Louis Armstrong in What a wonderful world. "Heb je zijn doelpunt tegen Brazilië gezien? Wel, dat was voor mij geen verrassing. Die goal heb ik hem hier op dit veld verschillende keren zien maken. Verschillende keren! ( herhaalt het drie keer) Hij was een diamant, een genie! Ik herinner me vooral zijn stijl van voetballen. Een speler met zo'n talent kom je een, twee, misschien drie keer tegen in je leven. Toen hij in mijn club Real Guatire terechtkwam, had hij er al een aantal ploegen op zitten. Maar voor mij was het duidelijk: als je ese flaco (die dunne) op het veld zette, veranderde alles. Hij kon het spel doen kantelen. Hij deed dat hier, maar hij deed dat ook bij de nationale ploeg van Venezuela. Zelfs bij Club Brugge demonstreerde hij het in de wedstrijd tegen die Franse ploeg ( Toulouse, nvdr), toen hij de vrije trap nam die Perisic binnenkopte en die in de laatste minuut de 2-2 opleverde ( wedstrijd in de poulefase van de Europa League van vorig seizoen, nvdr). Net voor hij naar België afreisde, zei ik hem: 'Pas op, jongen, het klimaat is daar helemaal anders. Verzorg je goed. Als je geblesseerd bent, neem dan de tijd om te recupereren. Denk niet aan het geld, maar aan je gezondheid. En wees niet bang: je zal ook daar je creativiteit kunnen laten zien'." De naam Ronald Vargas tovert ook meteen een glimlach op het gezicht van Pedro Cañas, ex-international en jeugdtrainer van Vargas bij Vasco da Gama. Ook hij had een déjà vu bij het doelpunt van het toen 21-jarige talent tegen Brazilië: "Ik was erg emotioneel toen ik hem zag scoren, maar langs de andere kant dacht ik: nóg eentje. Ik heb het hem vaak op die manier zien doen. Met links of met rechts, het maakte hem niet uit. Een ongelooflijke speler." De nog jonge Edgard Charris had Ronald onder zijn hoede tijdens de sportnamiddagen op school: "Hij stak erbovenuit in gelijk welke sport, of het nu zaalvoetbal, basketbal, baseball of volleybal was. Zijn ongelooflijke kwaliteiten zijn gewoon aangeboren. Ondanks het feit dat hij klein en mager was, werd hij bewonderd door zijn ploegmaatjes. Hij was tien jaar, maar had toen al die snelheid, die quasi perfecte techniek, die behendigheid." Nestor Ramirez pikt in: "Dankzij Ronald Vargas heb ik in Casarapa ( dorpje niet ver van Guatire, nvdr) een zaalvoetbalploegje kunnen oprichten. Je moet weten: hij is niet als veldvoetballer begonnen, maar als zaalvoetballer. En je zou het misschien niet zeggen als je hem ziet, maar de kleine Ronald was een leider. Waar hij ging, daar gingen ook zijn vriendjes. Iedereen wilde bij hem in de ploeg voetballen, zelfs de oudere jongens. Van dat gegeven heb ik handig gebruik gemaakt om in samenspraak met Ronald een clubje te beginnen. En het werkte, want zelfs op die leeftijd - hij was toen twaalf jaar - was Ronald geëngageerd en plichtsbewust. Als hij ergens aan begon, dan wilde hij het ook tot een goed einde brengen. Dat is een aspect van hem waar ik nog nergens iets over gelezen heb. Mijn bedoeling was vooral om die gasten bezig te houden in hun vrije tijd, zodat ze niet het verkeerde pad op gingen. Een jongen als Ronald was voor mij dus een godsgeschenk... En nu nog: hij is de persoon aan wie de jongetjes die wij trainen, zich spiegelen." Het belang van Ronald Vargas voor de Venezolaanse jeugd is niet te onderschatten. Dat vindt ook Richard Machado, coördinator van voetbalschool Virgen de Fatima, waar Ronald vaak kwam voetballen. Machado benadrukt: "Ronald Vargas vertegenwoordigt de droom van veel Venezolaanse jongetjes. Hij is niet alleen het symbool van Guatire, maar van heel Venezuela." Gezeten op een betonnen tribune kijkt de imposante Noel 'Chita' Sanvincente meewarig naar voetballertjes die een wedstrijdje spelen op een zandveld van het oefencomplex van Real Esppor, een van de drie eersteklasseclubs uit de hoofdstad. Hij zucht: "Het probleem van het Venezolaanse voetbal is de gebrekkige infrastructuur, zoals je hier ziet. Stadions zijn er wel, maar oefencomplexen en opleidingscentra ontbreken. FC Caracas is op dat vlak de beste club van het land. Daar heb je wél infrastructuur, organisatie, visie. Bij de andere eersteklasseclubs staat dat allemaal nog in de kinderschoenen." Het is 8 uur 's morgens en de veertig kilometer lange autorit van Guatire naar het centrum van Caracas heeft door ellenlange files maar liefst twee uur in beslag genomen. Manuel Toro, neef van Ronald en onze chauffeur van dienst, heeft er goed aan gedaan om zijn tank vol te gooien. Een volle tank is overigens niet erg duur als je weet dat één liter benzine zo'n 2 à 3... eurocent kost. "Benzine is hier goedkoper dan water", lacht Manuel. Sanvincente: "Ronald deed er vanuit Guatire elke dag twee à drie uur over om bij FC Caracas te komen trainen. Dat is een inspanning die niet veel jongeren kunnen opbrengen." Op zijn 46e is 'Chita' nu al de meest gelauwerde trainer uit de geschiedenis van het Venezolaanse voetbal. Spreken over Ronald Vargas vervult hem met trots. "Hij was erg mager toen hij bij FC Caracas kwam meetrainen met de U15 - en ik vind hem nog altijd flaquito (dunnetjes) - maar ik zei meteen tegen de voorzitter: 'Die jongen is anders. Die jongen is geld waard. Die jongen moet naar het buitenland.' Het zijn niet zozeer de doelpunten die hij maakt, maar de manier waarop hij voetbalt. Met elegantie, met stijl. Ook toen al had hij last van blessures. Zo heeft hij een tijd gesukkeld met een scheurtje in een van zijn tenen. Je moet weten: Ronald komt uit de barrios, wat betekent dat hij niet de vorming kreeg van de jeugdspelertjes van FC Caracas. Dat speelt hem nu nog parten. Dat hij hier pas op zijn vijftiende toekwam, was eigenlijk al te laat. Aan de andere kant ben ik er ook van overtuigd dat hij zijn limiet nog niet bereikt heeft. Zijn toekomst ligt in de Spaanse, Italiaanse of Engelse competitie. Kijk, ik heb het geluk gehad om bij FC Caracas met veel jonge talenten te werken, maar Ronald Vargas was diegene die er het meest bovenuit stak. Het doet me overigens plezier dat de jongens die ik getraind heb - onder wie ook Roberto Rosales - het nu maken in het buitenland. Nochtans vinden veel spelers dat ik een harde trainer, zelfs een dictator, ben. Ik zeg altijd: vandaag haten ze me, morgen zullen ze van me houden. Ook Ronald had veel problemen met mij. Ik was erg streng en veeleisend met hem. Ik zei hem: 'Voetballen doe je niet op twee vierkante meter of alleen als je de bal hebt. Je moet je verantwoordelijkheid nemen: de bal veroveren, de ruimtes induiken,... De dag dat je dát kan, heb ik je niets meer te leren.' Hij luisterde en zie waar hij nu staat... Wat hij kan betekenen voor de nationale ploeg? Veel. Niet veel voetballers hebben de fantasie en het lef van Ronald Vargas. Hij kan voor ons een belangrijke rol spelen op de Copa América." Over de rol van Vargas bij de nationale ploeg kan de 56-jarige Nelson Carrero nog meer vertellen. Hij was coach van de U20 van la vinotinto, zoals de Venezolaanse nationale ploeg genoemd wordt. We ontmoeten Carrero, die nu een advocatenpraktijk heeft maar achter de schermen lobbyt om voorzitter van de Venezolaanse voetbalbond te worden - "als het zover is, krijgt Sport/Voetbalmagazine het eerste interview", grapt hij - in een van de betere restaurants in het centrum van Caracas. De ex-international, die nog uitkwam voor de Venezolaanse voetbalploeg op de Olympische Spelen van 1980 in Moskou, staat erom bekend geen blad voor de mond te nemen. Zijn vetes met de voetbalbond zijn legendarisch, maar hij heeft de hoop niet opgegeven om er iets te veranderen. Bij een fris glas jugo de piña (ananassap) - het is buiten dertig graden - is er niet veel nodig om hem aan de praat te krijgen. "In een van mijn eerste wedstrijden als trainer van de U20 speelden we met Venezuela een tornooi in Argentinië tegen het gastland. Het was een erg lastige wedstrijd, we stonden 1-0 achter. Ronald, de jongste van onze ploeg op dat moment, zat op de bank. Plots liet de coach van Argentinië Lionel Messi opdraven. Ik reageerde meteen en bracht Ronald. Het enige wat ik hem zei, was: 'Ga dat veld op en amuseer je. Ik ben verantwoordelijk voor alles wat jij daar doet. En elke keer als je een Argentijn tegenkomt, ga je het duel aan.' Hij speelde een geweldige wedstrijd. We drukten Argentinië meteen weg. Pablo Zabaleta gaf hem een doodschop, maar kreeg geen rood. Toch wonnen zij met 2-0, maar vanaf die wedstrijd zette ik Ronald nooit meer op de bank. En geloof me: bakken kritiek kreeg ik daarvoor over me heen. Venezuela had op dat moment op de positie van Ronald namelijk Ruben Arroyo, die bij de jeugd van Real Madrid voetbalde. Velen begrepen niet dat ik Ronald verkoos boven hem. De tijd heeft me gelijk gegeven, want over Arroyo spreekt nu niemand meer..." Ondertussen brengt een ober het door Nelson Carrero bestelde slaatje, maar die weet van geen ophouden: "Ronald is een speler die je niet te veel tactische opdrachten moet geven. Laat hem zijn vrijheid en hij zal ontploffen. Ik denk dat hij bij een grotere Europese ploeg nog meer zal renderen. Bij Barcelona zou hij niet uit de toon vallen, daar ben ik van overtuigd. Omdat hij klein en mager was, geloofde niet iedereen in Venezuela in hem. Zelfs bij FC Caracas was hij geen vaste waarde: ze vonden ook dat hij niet genoeg opgeleid was. Maar volgens mij kreeg hij gewoon te weinig vertrouwen van de trainer. Dat is een algemeen gegeven in Venezuela: trainers hebben hier schrik om jonge spelers op te stellen. Ze spelen liever met oude rotten van 38, 39 à 40 jaar." Terwijl hij smakelijk begint te eten, gaat Carrero onverstoord verder: "Weet je, Ronald doet me denken aan een van de beste spelers die Venezuela ooit gekend heeft: Stalin Rivas ( die begin jaren 90 bij Standard en FC Boom speelde, nvdr). Met dit verschil: Rivas hield van het nachtleven, Vargas niet. Op dit moment zit Ronald voor mij al in de top drie van beste Venezolaanse voetballers aller tijden. Bij de nationale ploeg moet hij het vaste nummer tien worden. De aanwezigheid van Ronald in la vinotinto is een must. Als ik bondscoach zou zijn, zou Ronald als eerste op mijn blad staan: Ronald y diez más - Ronald en tien anderen. In wedstrijden die op slot zitten heb je zulke spelers nodig, voetballers zoals een Zidane bij Frankrijk, een Maradona bij Argentinië of een Iniesta bij Spanje. Son jugadores diferentes. Als je zo'n speler hebt, moet je er gebruik van maken. "Was Ronald in België geboren, dan zou hij nu al veel verder staan als voetballer. In een land als Venezuela waar baseball de nationale sport nummer één is en waar de voetbalinfrastructuur en de trainersopleidingen te wensen overlaten, is het niet evident om als voetballer door te breken. Een voetballer zal het hier alleen maken omdat hij talent heeft, níét omdat er goed met hem gewerkt wordt. Hoe vaak hebben we hier niet op zandvelden moeten trainen? En zelfs dáár maakte Ronald het verschil! Daarom moet je met een Latijns-Amerikaanse voetballer altijd geduld hebben. Als ze naar Europa komen, hebben ze een achterstand. Kijk naar Diego Forlán. Manchester United liet hem op zijn 25e vertrekken, maar op zijn 31e was hij een van de sterren van het WK in Zuid-Afrika." Voor hij weer aan de slag gaat in zijn advocatenpraktijk - zijn gsm rinkelt regelmatig - wil Carrero bij een kop marrón (koffie verkeerd) nog wel even doorgaan: "Ronald kan niet tegen zijn verlies. Hij is een winnaar. Bovendien heeft hij een heel nobel karakter. Ik heb hem veel geleerd, maar op dat vlak heb ik ook van hem geleerd. Weet je, met de U20 kwamen we ooit twee punten te kort om ons te plaatsen voor het WK. Ronald kwam toen naar me toe. De verslagenheid droop van zijn gezicht. ( krijgt tranen in de ogen) Hij legde zijn hand op mijn schouder en zei: 'Coach, we hebben gefaald.' Op dat moment besefte ik dat hij het erger vond voor míj dan voor de ploeg dat we niet geplaatst waren. Dat zal ik nooit vergeten." door steve van herpe - beelden: gf"Een speler met zo'n talent kom je een, twee, misschien drie keer tegen in je leven." Guido Blanco"Op dit moment zit Ronald voor mij al in de top drie van beste Venezolaanse voetballers aller tijden." Nelson Carrero"Hij was een leider. Waar Ronald ging, daar gingen ook zijn vriendjes." Nestor Ramirez"Hij is een uitstekende sportman omdat hij een uitstekend mens is." Patricia Vargas