De achtste etappe van de Ronde van Frankrijk van 2006, op 9 juli gereden tussen Saint-Méen-le-Grand en Lorient, was een vlakke rit van 181 kilometer door Bretagne, met als enige hindernis een kleine molshoop van 294 meter hoog. De gele trui van T-Mobilerenner Sergej Grontchar kwam niet in gevaar. Zijn teamarts Lothar Heinrich was er die dag niet bij in de rit. In plaats daarvan nam hij 's namiddags in de luchthaven van Rennes het vliegtuig naar Bazel. Daar landde hij om 17 uur. Na zijn aankomst in Bazel reed hij naar het universitair ziekenhuis van Freiburg. Heinrich had zeven bloedtests bij zich, afkomstig van profrenners van het T-Mobileteam. Renners uit het team hadden zich bij het begin van de Tour kennelijk bloeddoping toegediend en nu moest na één week hun bloedspiegel worden gecontroleerd. Een helper van Heinrich, die zich de toegang tot het centrale labo van de Uniklinik had verschaft, voerde de bloedanalyses nog dezelfde avond uit, terwijl Heinrich alweer op het vliegtuig zat.
...

De achtste etappe van de Ronde van Frankrijk van 2006, op 9 juli gereden tussen Saint-Méen-le-Grand en Lorient, was een vlakke rit van 181 kilometer door Bretagne, met als enige hindernis een kleine molshoop van 294 meter hoog. De gele trui van T-Mobilerenner Sergej Grontchar kwam niet in gevaar. Zijn teamarts Lothar Heinrich was er die dag niet bij in de rit. In plaats daarvan nam hij 's namiddags in de luchthaven van Rennes het vliegtuig naar Bazel. Daar landde hij om 17 uur. Na zijn aankomst in Bazel reed hij naar het universitair ziekenhuis van Freiburg. Heinrich had zeven bloedtests bij zich, afkomstig van profrenners van het T-Mobileteam. Renners uit het team hadden zich bij het begin van de Tour kennelijk bloeddoping toegediend en nu moest na één week hun bloedspiegel worden gecontroleerd. Een helper van Heinrich, die zich de toegang tot het centrale labo van de Uniklinik had verschaft, voerde de bloedanalyses nog dezelfde avond uit, terwijl Heinrich alweer op het vliegtuig zat. De wielersport lag in die dagen van 2006 eigenlijk op apegapen. Kort voor de Tour hadden berichten over het labo van de Spaanse dokter Eufemanio Fuentes geleid tot de schorsing van onder anderen Jan Ullrich. In totaal 56 wielerprofs uit Italië, Duitsland en Spanje zouden tot de klanten van Fuentes hebben behoord. Grote consternatie, de schok die de onthulling in het wielermilieu teweegbracht, leek echt te zijn. Maar bij T-Mobile ging het dopingprogramma van sportdokters Andreas Schmid en Lothar Heinrich dus gewoon verder. De weg naar de ondergang van Team Telekom en diens opvolger T-Mobile wordt beschreven door een onafhankelijke commissie van experts. Deze werd opgericht door de universiteit van Freiburg nadat het Duitse weekblad Der Spiegel in april 2007 het dopingnetwerk rond sportdokters Schmid en Heinrich onthulde. De experten, waaronder een befaamd jurist en farmacoloog, volgden honderden sporen. Ze bekeken de geldstromen van de Freibrugse Unikliniek en lazen de aktes uit het gerechtelijk onderzoek dat tegen Heinrich en Schmid liep. Ze lieten 58.000 bloedtests natrekken die tussen 1995 en 2007 in de sportmedische afdeling van het ziekenhuis werden uitgevoerd. En ze hoorden ook 77 getuigen. Het aantal ondervragingen had veel groter kunnen zijn, maar profs en ex-profs zoals Jan Ullrich, Matthias Kessler, Andreas Klöden en Udo Bölts gingen niet op de uitnodiging tot ondervraging in. De doorslaggevende figuren in het hele dopingverhaal zijn volgens de onderzoekscommissie duidelijk de twee sportartsen Heinrich en Schmid. Beiden hadden in mei 2007 al toegegeven dat ze in de jaren negentig prestatiebevorderende middelen toedienden, strafbare feiten die intussen verjaard waren. Uit het rapport blijkt nu echter dat beide artsen de renners nog dopingpreparaten zijn blijven toedienen tot minstens in 2006. Beide artsen vervalsten attesten en gebruikten allerlei duistere kanalen om in het bezit te komen van de verboden medicamenten. Naar buiten toe gaven Heinrich en Schmid zich uit als voorvechters van een zuivere sport. Daarbij maakten ze dankbaar gebruik van de uitstekende reputatie van hun instituut, de universiteit van Freiburg. De hofleverancier van de dopingproducten was niet de apotheek van het universitaire ziekenhuis van Freiburg, maar wel de gemeentelijke apotheek van het kleine stadje Elzach in het Zwarte Woud, op zo'n 25 kilometer ten noordoosten van Freiburg. Alleen al voor het seizoen 2006 bestelden Heinrich en Schmid daar zo'n twee derde van alle medicamenten. De apotheek stelde daarvoor een factuur op van 20.855,51 euro. Schmid en Heinrich hadden werkelijk alles in huis: het epopreparaat Neorecormon, het groeihormoon Genotropin, de testosteronpillen Undestor en Andriol, soms ook als spray met de merknaam Kryptocur, het corticoïde Diprophos en de ijzerpreparaten Kendural en Ferrlecit. Voor hun bevoorrading moesten de profrenners de dokters een sms of e-mail sturen. Bij bestellingen werden altijd slechts de beginletters van de medicamenten vermeld. Het codewoord voor epo was 'lucht'. Om bij het gebruik van de verboden middelen het risico zo klein mogelijk te houden, vervalsten Heinrich en Schmid ook attesten. Zo stelde Schmid in april 2006 de diagnose dat T-Mobileprof Patrick Sinkewitz een ontsteking aan de kniepezen had en daarom vroeg hij bij de UCI een uitzonderingsmaatregel om de renner het corticoïdepreparaat Betamethason te mogen toedienen. De UCI ging op dat verzoek in. Daardoor mocht Sinkewitz, die helemaal niks aan zijn knie had, gedurende zes weken de normaal verboden zalf gebruiken. Een jaar later herhaalde zich dat bedrog en dit keer was het Heinrich die de verklaring ondertekende. Van tijd tot tijd had Schmid gewetensbezwaren. Tegenover de commissie verklaarde een collega dat Schmid wegens zijn activiteiten in het wielrennen "angst en schrik" had, en dat hij er wilde "uitstappen", en zich liever met de gehandicaptensport had willen bezighouden. Toch bleef Schmid doorgaan, ook toen Ullrich in 2006 al geschorst was en de hele wereld zich afvroeg wat er in het Duitse team nóg allemaal mogelijk was. Op 2 juli 2006, de dag van de eerste etappe van de Ronde van Frankrijk met aankomst in Straatsburg, zonderden de T-Mobilerenners Klöden, Kessler en Sinkewitz zich af. Ze stapten in de auto van de vriendin van Sinkewitz, die hen naar het ziekenhuis van Freiburg bracht. Schmid ontving het trio in het labo voor biochemie, verduisterde de ramen en begon het enkele weken daarvoor afgetapte bloed weer in de aders van de renners te injecteren. Een en ander leidde echter tot complicaties. Het bloed uit het eerste zakje van Sinkewitz klonterde. Schmid liet zich daardoor echter niet afschrikken en spoot gewoon het tweede zakje bloed in. Opnieuw liep het bloed niet in het lichaam zoals verwacht. Dat had kennelijk te maken met een "verkeerde aftappingstechniek" of een bacteriële verontreiniging. De handelswijze van Schmid, zo vatten de experts het samen, druiste in tegen alle regels rond bloedtransfusies. Bovendien was het onverantwoord om Sinkewitz gewoon te laten vertrekken, terwijl die een halve liter bloed in zijn lichaam had gekregen dat duidelijk niet in orde was. Schmid stelde de renner bloot aan de zwaarst mogelijke complicaties, zoals septische shock of longembolie, met mogelijk de dood tot gevolg. De commissie gaat ervan uit dat op 2 juli ook Kessler en Klöden bloeddoping kregen. Kessler werd later betrapt op het gebruik van testosteron. Klöden rijdt momenteel voor het Kazachse Astanateam en geldt nog altijd als een van de beste nog actieve Duitse renners. Kessler en Klöden wilden niet reageren op deze beschuldigingen. Een duidelijke indicatie voor de bloeddoping is te vinden in de testresultaten van de bloedstalen die Heinrich een week later bij zijn blitzbezoek aan Freiburg liet onderzoeken. Alle tests wezen op extreem lage waarden reticulocyten of jonge rode bloedcellen, wat "met hoge waarschijnlijkheid wijst op voorafgaandelijke manipulatie". Volgens de commissie verklaren deze tests ook waarom T-Mobile in de Tour van 2006 ondanks de afwezigheid van kopman Jan Ullrich toch nog het ploegenklassement kon winnen en Andreas Klöden derde werd in het eindklassement. De commissie stelde ook vast dat slechts vier van de zeven bloedtests van 9 juli 2006 waren uitgevoerd op naam van de T-Mobileprofs. De drie andere droegen "persoonsidentificatiecijfers" van verzorgers, van wie er twee bijzonder sportieve bloedwaarden bleken te hebben. De commissie gaat er dan ook van uit dat de twee dokters op die manier de identiteit van de rest van de renners wilden verdoezelen. "De manier waarop de artsen het gevaar voor de gezondheid van het dopinggebruik hebben genegeerd en verwaarloosd is ronduit af-schrikwekkend", zo besluit de commissie. Voor de renners was het uiteraard gesneden brood dat ze onder de vleugels zaten van een van de meest gerenommeerde Duitse universiteitsklinieken. Aan de top van de afdeling van het instituut stond jarenlang Joseph Keul, die aan het hoofd stond van de medische staf van Duitse olympische delegatie en bekend werd als de dokter van Boris Becker en Steffi Graf. Bovendien had Keul uitstekende connecties in de politiek. De man was volgens het rapport van de commissie onaantastbaar en hij was er altijd als de kippen bij om het gebruik van medicatie in de topsport goed te praten. Nog tijdens de schandaaltour van 1998 informeerde hij de pr-verantwoordelijke van Telekom, Jürgen Kinderwater, dat hij vijf televisie- en negen radio-interviews had gegeven waarin hij had kunnen melden dat de Telekom-team onder de controle stond van het instituut voor sportgeneeskunde in Freiburg en nooit zijn toevlucht neemt tot doping. De onderzoekers vonden geen bewijzen dat Keul, die in 2000 stierf, actief meewerkte aan het dopingprogramma bij T-Mobile, maar zijn rol is op zijn minst betwistbaar te noemen. Toen Der Spiegel in 1999 voor het eerst over het systematische en omvangrijke dopinggebruik bij Team Telekom berichtte, sprak pr-verantwoordelijke Jürgen Kinderwater van "een perfide roofmoordcampagne" en spande hij een proces aan. Zijn belangrijkste getuige was ... Joseph Keul. De professor verklaarde onder ede dat zijn instituut over een "volledige documentatie beschikte van de onderzoeken die de sportdokters bij de renners hadden uitgevoerd en dat daarbij in geen enkel geval een uitslag zou verwijzen naar het feit dat de renners verboden middelen zouden gebruikt hebben." Om aan te tonen dat het Telekom menens was met zijn antidopingbeleid stichtte en financierde het bedrijf na de schandaaltour van 1998 de werkgroep 'Dopingvrije Sport'. De voorzitter daarvan was ... jawel, Joseph Keul. En wie was stichtend medelid en secretaris? Inderdaad: Lothar Heinrich. Het project gaf daadwerkelijk een aantal opdrachten aan externe wetenschappers, maar over het algemeen profiteerde het toch het instituut voor sportgeneeskunde van Keul in Freiburg het meest van de in totaal 792.500 euro die Telekom voor de werkgroep vrij maakte. Zo bestelde de werkgroep onder meer wetenschappelijke projecten bij Schmid waarvan de uitslagen voor de perfectionering van het dopingnetwerk in Freiburg konden dienen. De schizofrenie van het systeem werd niet mooier geïllustreerd dan in mei 1999, toen Keul en Heinrich in het Zwarte Woud een seminarie organiseerden voor trainers, dokters en journalisten. Binnen discuteerden de experts over een zuivere sport, buiten overhandigde Heinrich aan Jörg Jaksche minstens 20.000 eenheden van het epopreparaat Neorecormon. De commissie vindt het onbegrijpelijk dat deze jarenlange onoorbare praktijken pas na de dood van Keul bekend raakten. Het eindrapport van de onderzoekscommissie blijft uiteindelijk vaag over wie de verantwoordelijkheid draagt voor het dopingsysteem aan de universiteit van Freiburg. Na de dood van Keul werd zijn positie overgenomen door Aloys Berg en sinds 2002 wordt de afdeling geleid door professor Hans-Hermann Dickhuth. Voor geen van beiden zouden er volgens de commissie indicaties zijn dat ze weet hadden van de praktijken van Heinrich en Schmid. Het blijft tevens onduidelijk in hoeverre de sponsor en de ploeg op de hoogte waren van de pillen, spuiten en bloedzakken. De verklaringen van de betrokken personen waren "weinig vruchtbaar", schrijft de commissie. De sponsor zou de afrekeningen van de dokters met de apotheken niet gecontroleerd hebben, ze vertrouwden op "integere personen". Toen de drie Duitse profs niettemin na de eerste Tourrit 2006 voor verschillende uren naar Freiburg verdwenen om daar bloed te krijgen, viel hun afwezigheid tijdens het avondeten wel op, liet Luuc Eisinga, toen technisch directeur bij de ploeg van T-Mobile, aan de commissie weten. In een interne nota van privédetectives, die eveneens in het dopingmilieu op onderzoek trokken, is Eisinga nog explicieter. Hij zegt dat "iedereen op de hoogte was van het werk van de sportdokters uit Freiburg". Hij zou ook met een vertegenwoordiger van de sponsor over dit thema hebben gesproken. Het universitaire ziekenhuis van Freiburg heeft in 2007 Heinrich en Schmid op staande voet ontslagen. Tegen beide dokters is een gerechtelijk onderzoek ingesteld. Ze wilden niet meewerken met de commissie, net zo min als de eigenares van de apotheek uit Elzach en de wielrenners Kessler en Klöden. Omdat de toelating om als arts te werken niet werd ingetrokken, mogen Schmid en Heinrich hun vak verder uitoefenen. Heinrich doet dat intussen in het buitenland. door udo ludwig & michael wulzinger