D ubito ergo sum, ik twijfel dus ik ben. De methodische twijfel van de zeventiende-eeuwse filosoof René Descartes maakt ook in het wielerpeloton op zijn minst één slachtoffer. Een grotere twijfelaar dan Mario Aerts vind je allicht niet onder de renners. Vorig seizoen behaalde hij met de Waalse Pijl de mooiste overwinning in zijn carrière tot dusver, werd hij twee keer tweede in een bergrit in de Ronde van Frankrijk, waarin hij als tweede eindigde in het bergklassement, was hij verder onder meer ook nog negende in Parijs-Nice, achtste in het Internationaal Wegcriterium en vijfde in de Ronde van het Baskenland. Na de Tour stond hij als beste Belg zelfs zeventiende op de UCI-lijst.
...

D ubito ergo sum, ik twijfel dus ik ben. De methodische twijfel van de zeventiende-eeuwse filosoof René Descartes maakt ook in het wielerpeloton op zijn minst één slachtoffer. Een grotere twijfelaar dan Mario Aerts vind je allicht niet onder de renners. Vorig seizoen behaalde hij met de Waalse Pijl de mooiste overwinning in zijn carrière tot dusver, werd hij twee keer tweede in een bergrit in de Ronde van Frankrijk, waarin hij als tweede eindigde in het bergklassement, was hij verder onder meer ook nog negende in Parijs-Nice, achtste in het Internationaal Wegcriterium en vijfde in de Ronde van het Baskenland. Na de Tour stond hij als beste Belg zelfs zeventiende op de UCI-lijst. Zijn klasse dreef hem naar Telekom, een van de grootste teams ter wereld. Maar nog kan je de nu 28-jarige Mario Aerts er blijkbaar niet van overtuigen dat hij mits wat meer zelfvertrouwen een renner zou zijn die niet alleen ereplaatsen kan verzamelen, maar ook kan wínnen. De hem zo kenmerkende twijfel werd nog gevoed aangezien hij nog niet kon overtuigen in het Telekomshirt, ook al lag een zwaar verstoorde voorbereiding aan de basis van zijn ondermaatse prestaties. De komende weken, met de Bicicleta Vasca en de Ronde van Catalonië, worden voor Aerts dan ook uiterst belangrijk, want daarin zal hij alsnog moeten bewijzen een plaatsje te verdienen in wat wel eens tot het sterkste blok van de Tour zou kunnen uitgroeien, Team Telekom. Mario Aerts : Qua structuur is hier werkelijk alles pico bello in orde. Er staat altijd iemand klaar om een eventueel probleem waar je mee zit op te lossen. Je moet alleen maar aan de koers denken, waar je bij Lotto al eens andere kopzorgen had, zoals met het programma dat je mocht rijden of je uitrusting. De mondiale uitstraling van Telekom ligt bovendien veel hoger, de mensen klampen je vaker aan. Je zit ook in een ploeg met allemaal buitenlandse renners, die met andere woorden een andere taal spreken. Dat maakte het aanvankelijk wel wat moeilijker. Duits verstaan lukte nog wel, maar zelf iets zeggen ging aanvankelijk minder goed. De vier Italianen zaten in een groepje bij elkaar en de Engelstaligen, Cadel Evans en Bobby Julich, zaten respectievelijk in Australië en Amerika tijdens het zogenaamde Mannschaftstreffen eind november. Nog een verschil met Lotto : zo'n kennismakingsweekend, met de vrouwen erbij, bestond er niet, bij heel weinig ploegen trouwens, denk ik. Tja, het ging om een pure beginnerscursus, terwijl ik in de middelbare school twee jaar Duits volgde. Tot tien tellen, en de laatste les tot honderd, kon ik al. Maar ik lag ondertussen een paar keer met een Duitse ploegmaat op de kamer, het begint nu dus wel te vlotten. Dat kwam door de mindere resultaten vorig seizoen, wat bij de grote bazen van Telekom tot misnoegheid leidde. Daarom moest er serieus gewerkt worden, een tweede tegenvaller op rij, gepaard gaand met het vertrek van Jan Ullrich, zou niet door de beugel kunnen. Dankzij de goede prestaties in het voorjaar zette de ploeg al een eerste stap in de goede richting. We staan nu opnieuw in de topvier van de UCI-ploegenrangschikking, waar Telekom thuishoort. De druk blijft natuurlijk op zijn minst tot na de belangrijkste afspraak, de Tour. Drie jaar geleden had ik na een voorstel van Walter Godefroot voor mezelf al uitgemaakt naar Telekom te gaan. Maar toen de directie van Nationale Loterij me nog een keer wou spreken en liet blijken dat ze me écht wilden houden, heb ik er toch nog een keer over nagedacht. Uiteindelijk besloot ik te blijven omdat ik me toen nog wat jong voelde om de stap naar een absolute topploeg te zetten. Vóór het vorige seizoen vond ik het wel stilaan tijd om andere lucht op te snuiven, maar contacten met Rabobank en Telekom draaiden uiteindelijk op niets uit. Walter zei me wel dat hij een jaar later meer budgettaire ruimte zou krijgen. Ik bleef nog een jaar bij Lotto, met het geloof dat het mijn laatste zou worden. Christophe Sercu gaf overigens niet de indruk mij per se te willen behouden. Hij wilde Axel Merckx en met daarnaast nog Rik Verbrugghe en mezelf zou je dan met iets te veel hetzelfde type renner in de ploeg gezeten hebben. Klopt, we verdeelden de druk, trokken elkaar op aan de prestaties van de andere. Ik heb nu wel een slecht voorseizoen achter de rug, maar daar had een tandem met Verbrugghe weinig aan kunnen veranderen. Als ik naar de Tour mag, zal ik in elk geval fris zijn en heel sterk rijden. Maar door de omstandigheden kon ik vooralsnog niet ten volle profiteren van de trainingen. Vlak voor nieuwjaar lag ik een week in bed met ziekte en na twee weken hard trainen in Mallorca kwam ik met koorts terug en moest ik er opnieuw een tijdje de riem afleggen. De ploegvoorstelling in Berlijn betekende weer een drie dagen durende onderbreking en op de stage in Tenerife werd ik samen met Paolo Savoldelli in een afdaling aangereden door een motor. Er zat geen lijn in mijn voorbereiding en zo kan je niet opbouwen, waardoor ik alleen in de Amstel Gold Race en in Frankfurt goed reed. In de winter maak je je seizoen, luidt het gezegde. Het is gebleken. De vorige jaren reed ik inderdaad meer wedstrijden en dat bekwam me zelden slecht. Nu zaten we in februari, wanneer de meeste renners al koersen, voor drie weken op hoogtestage, waar je door het vele klimwerk met een gemiddelde snelheid van een kleine dertig kilometer per uur rijdt. Daarna kom je in de koers en gaat je teller ineens naar ruim vijftig. Met die omschakeling ondervond ik problemen. Een hoogtestage lijkt me heel goed, maar ik denk dat je best éérst wat wedstrijdritme opdoet. Volgend seizoen zou ik graag iets vroeger beginnen en iets meer koersen. Nee, want ze kennen de situatie. Maar het zal moeten beteren, anders steekt die kritiek allicht wél de kop op. Vooral voor mezelf vond ik het vervelend, omdat ik me in een nieuwe ploeg onmiddellijk wilde bewijzen. Nu hoop ik dat te kunnen doen in de Tour. Had ik me daar in positieve zin laten opvallen, dan was ik nu vrijwel zeker van een Tourselectie. Nu zal veel zo niet alles afhangen van mijn prestatie in de Bicicleta Vasca en de Ronde van Catalonië. Ik merk duidelijk beterschap. Toen we vlak voor de Ronde van België opnieuw in Tenerife op stage zaten, reed ik elke berg twintig tot dertig minuten sneller op dan de eerste keer. Ook in vergelijking met toch niet de minste ploegmaats als Alexander Vinokoerov en Cadel Evans reed ik goed bergop. Normaal behoren ook Savoldelli, Santiago Botero, Erik Zabel en allicht Matthias Kessler zeker tot de Tourploeg. Als Andreas Klöden ietwat niveau haalt, mag hij waarschijnlijk ook op zijn twee oren slapen. Dan blijven er niet zoveel plaatsjes meer open, waarvoor Bobby Julich, Giuseppe Guerini, Danielo Nardello, Gian Matteo Fagnini, Rolf Aldag en ikzelf in aanmerking komen. Mooi volk dat staat te drummen, maar als ik mijn progressie voldoende in de verf kan zetten, schat ik mijn kansen toch redelijk hoog in. Dat zal vooral afhangen van de vorm van de kopmannen, Savoldelli en Botero. Ik zal waarschijnlijk veel moeten werken, maar ik kan net als vorig jaar ook meespringen in een ontsnapping. Nu kan ik dan zelfs het ploegenspel spelen door mij te verschuilen achter degenen die nog volgen om me zo te sparen en misschien een ritzege te pakken. Goh, die bekroning zegt me wel iets, maar het is toch allemaal ondergeschikt aan de rol als helper die ik meekrijg. Maak je daar echt een doel op zich van, dan moet je in de eerste bergrit mee in de aanval gaan. Zo heeft Laurent Jalabert het ook gedaan. Ik zou het me fel aantrekken, maar dan rest er niets dan mij te richten op de klassiekers na de Tour en het WK. Tja, fijn is dat niet. Vorig jaar hield ik de ranglijst geregeld in het oog om te kijken hoe hoog ik stond. Maar als je een jaar veel punten haalt, dan bestaat het risico nu eenmaal dat je er het jaar nadien veel verliest. Maar in de Tour kan je er mits goede resultaten sowieso veel op je conto schrijven. Mag ik niet meedoen, dan kan ik in september en oktober, wanneer veel renners al naar het einde snakken, nog een en ander rechtzetten. Ik heb het geërfd, denk ik. Het zit in de familie en het raakt er blijkbaar maar niet uit. Of ik het geprobeerd heb ? Twee jaar geleden heb ik gedurende twee, drie maanden een psycholoog geraadpleegd. Ik vind dat op zich zeker geen slechte zaak : die mensen doen je anders nadenken over bepaalde dingen en over jezelf, ze openen je ogen. AC Milan heeft zo'n man in dienst, in Amerika is het de normaalste zaak van de wereld. Als je Lance Armstrong hoort praten, dan lijkt het wel of je naar een psycholoog luistert. Ik zeg niet dat hij naar een psycholoog gaat, maar Armstrong beschikt wel over een enorm zelfvertrouwen. Ik ben ermee gestopt omdat ik in de gaten kreeg dat die man geld uit mijn zakken haalde. Ik kende nog een renner die dezelfde psycholoog opzocht - een renner die minder verdiende dan ik - en die betaalde voor net hetzelfde de helft van wat ik moest ophoesten. Toch wel, omdat ik het gevoel krijg precies opnieuw in de oude gewoontes te vervallen. Vooral als je slecht rijdt, begin je aan alles te twijfelen. Loopt alles op wieltjes dan heeft niemand een psycholoog nodig. In zijn topperiode, voor zijn geval, dopte Frank Vandenbroucke ook zijn eigen boontjes. Op dit moment train ik gretig, ik wíl presteren. Ik wacht dus zeker de Tour af, maar als ik blijf slabakken, overweeg ik om opnieuw naar een sportpsycholoog te gaan. In de jeugdcategorieën en in mijn eerste profjaren bij Vlaanderen was ik heel aanvalslustig. Maar toen ik bij Lotto kwam, kreeg ik orders van Andrei Tchmil : "Je mag zelf niet aanvallen, alleen maar meespringen." Zo kweek je een gewoonte en begin je te denken : ik mag mijn kruit niet te vroeg verschieten. Maar als ik me echt goed voel, gebeurt het geregeld dat ik de juiste ontsnapping op gang breng. Alleen maar aanvallen om in beeld te komen, zo zit ik niet in elkaar. Vorig jaar heb ik in de Ronde van België eens een tv-aanval ingezet. De benen waren slecht... Maar ja... Op het einde van de rit verloor ik nog twintig seconden en een aantal plaatsen in het klassement ( lacht). Zelf heb ik een aantal jaren geleden het woord 'gemakzuchtig' in de mond genomen. Maar ik bedoelde die specifieke winter, waarin ik wel behoorlijk trainde, maar niet nauwgezet volgens de schema's die mijn begeleider had opgesteld. Bepaalde media maakten ervan dat ik karakter tekortkwam, maar degenen die mij kennen, weten dat ik eerder een trainingsbeest ben. De reactie van Criquielion kwam er allicht ook omdat ik zelden de indruk geef à bloc te rijden, omdat ik nooit schokschouderend op mijn fiets hang. Zie ik beelden van mezelf, dan denk ik soms ook dat ik nog beter moet kunnen, maar de lactaat- en cardiologische tests wijzen erop dat ik wel degelijk diep ga. ( Grijnst.) Die vraag kreeg ik inderdaad toen ik stikkapot de aankomst bereikte na een bergrit in de Tour twee jaar geleden. Ik vond ze ongepast - trouwens zo riant kon je mijn salaris niet noemen - en ben zonder te antwoorden weggefietst. De interviewer ( Renaat Schotte, nvdr) heeft zich ervoor geëxcuseerd. Zand erover, want ik begrijp dat die mannen ook onder druk staan en moeten meedraaien in de mallemolen van het Tourcircus. ( Lacht.) Ja, dat is nog zoiets. Drie jaar geleden beloofde Stefano Garzelli zijn vriendin dat ze zouden trouwen als hij de Giro won, wat ook gebeurde. Toen Annelies me vroeg wanneer wij in het huwelijksbootje zouden stappen, zei ik : als ik de Tour win. Aangezien me dat nooit zal lukken, werd het een etáppe winnen in de Tour. Vorig jaar lukte het me net niet, ik hoop dit jaar wel. En Annelies hoopt dat zeker ( lacht). door Roel Van den broeck