Zaterdag 30 april 2011. Novak Djokovic stapt door de grote toegangspoort van Teniski Klub Partizan, waar hij in 2003 als zestienjarige met zijn team de Servische titel won. Het is bijna zeven jaar geleden dat hij hier was. De hele week al, op weg naar de zege op de Serbia Open, zocht hij een geschikt moment om zijn oude club in hartje Belgrado te bezoeken. "Hier ben ik opgegroeid", vertelt hij in de smalle gang, op weg naar de krappe kleedkamers waar vergeelde teamfoto's herinneringen oproepen. Nole lacht, maar tijdens de wandeling flitst zijn leven voorbij. Elk plekje roept een andere herinnering op: de bijensteek op zijn hiel, de winst tegen zijn aartsrivaal Viktor Troicki, het clubhuis waar hij zijn verjaardagen vierde. Daar, het plekje waar vader naar hem keek, het net waar zijn coach Jelena Gencic stond te lachen, de hard courts van waarop hij in 1999 naar de NAVO-bommenwerpers keek. "We waren niet meer bang", zegt hij aan een journalist. "We wilden alleen maar tennissen." Het gemoed van Djokovic verandert met elke voetstap: luidop lachen, een lange stilte, dan weer tranen in de ogen.

De dag erna wint hij tegen Feliciano Lopez de Serbia Open, zijn 27e opeenvolgende overwinning. Maar dat was máár tennis. Zijn bezoek aan Partizan raakt hem op een manier zoals geen enkele tegenstander dat dit seizoen al deed. Een tv-ploeg arriveert met een veertienjarig jongetje, wiens grootste wens het is om zijn idool te ontmoeten. Djokovic knuffelt hem, zegt dat hij begrijpt hoe moeilijk het is om jong te zijn in zijn land. Tranen rollen over de wangen van de moeder. Het lijkt overdreven, tot je de uitspraak van Vlade Divac, ex-NBA-vedette bij de LA Lakers en sinds 2009 voorzitter van het Servisch Olympisch Comité, analyseert: "Járen, zeker toen het oorlog was, waren wij de bad guys. Het was moeilijk om kinderen op te voeden tot trotse Serviërs. Maar Novak heeft het Servische volk een nieuw gevoel gegeven: trots."

Ook al resideert Djokovic (24) in Monaco, hij heeft nauwe banden met Servië, dat hij in december 2010 naar de eerste zege ooit in de Davis Cup stuwde. Op de beslissende derde dag, ondanks een 1-2-achterstand tegen Frankrijk, zat meer dan de helft van de 8,5 miljoen Serviërs aan een tv-toestel gekluisterd. "Novak is de beste pr die Servië ooit kreeg. Hij is het positieve gezicht van ons land", vertelde Vladimir Petrovic, de Servische ambassadeur in de VS aan Sports Illustrated. In maart geeft Djokovic via zijn stichting NOVAK een donatie van 100.000 dollar aan het klooster van Gracanica, hartje Kosovo. Wanneer hij daarvoor opgenomen wordt in de Orde van Sint-Sava, de hoogste onderscheiding in de Servisch-orthodoxe Kerk, noemt hij het "de belangrijkste onderscheiding die hij ooit zal krijgen".

Djokovic is de zeldzame atleet die zijn politieke mening niet verbergt. Zoals op 21 februari 2008, kort na zijn eerste zege op de Australian Open, wanneer hij zich per videolink richt tot de meer dan 150.000 betogers die in Belgrado op straat komen tegen de eenzijdige en door de VS gesteunde onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo: "We zijn verenigd en klaar om onszelf te verdedigen." Want, klinkt het: "Kosovo is Servië!" Woorden die kunnen inspireren of de boel laten ontvlammen. Die nacht worden de Kroatische en Bosnische ambassades in Belgrado geplunderd, de Amerikaanse ambassade in brand gestoken. Djokovic, maanden later: "Ik was niet geïnteresseerd in politiek, maar dit is niet alleen maar politiek, dit is iets heel ernstigs. Mijn vader, mijn oom, mijn tante, ze zijn allemaal in Kosovo geboren. Mijn grootvader heeft er dertig jaar gewoond. Maar nog meer: het is de bakermat van de Servische identiteit en het is verschrikkelijk als ze dat van je afnemen."

Bommen op Belgrado

Waar hij gaat of staat, telkens weer wordt Djokovic geconfronteerd met zijn roots. Zoals op 25 april 2011, wanneer een Nederlandse journalist hem zegt dat het "toch veel gemakkelijker is om, bijvoorbeeld, Zwitserland te vertegenwoordigen dan Servië. Hoe ziet u dat, mister Djokovic?" De tennisser staart voor zich uit. "Kun je de vraag herhalen?" Het was duidelijk wat de reporter bedoelde: in tegenstelling tot Zwitserland - het saaie bastion van klokken en discrete bankverrichtingen - werd Servië in de jaren negentig geportretteerd als een land van gangsters en oorlogsmisdadigers, die aanvallen op Slovenië, Bosnië en Kroatië orkestreerden. "Hoe ziet u dat?", dringt de journalist aan.

Djokovic zegt niet wat hij in feite mág zeggen: dat Servië al drie democratische verkiezingen achter de rug heeft, dat president Boris Tadic de beloning voor het vangen van oorlogsmisdadiger Ratko Mladic vertienvoudigde tot tien miljoen euro en dat het Servische parlement onlangs besloot om zich officieel te verontschuldigen voor de massamoord in 1995 op 8000 mensen in Srebre- nica. Djokovic neemt de microfoon: "Wel," begint hij, "ik denk niet dat..." Hij aarzelt. Hoe moet hij de angst beschrijven die hij als twaalfjarige voelde, toen sirenes loeiden en explosies elkaar opvolgden? Hoe kan hij uitleggen dat tennis en de Amerikaanse bommen met elkaar verbonden waren? Kan hij zeggen dat zijn ouders toen focusten op zijn leven, op zijn toekomstige carrière, en dat zijn huidig succes de redding van zijn familie betekende? Neen. "Dat is een moeilijke vraag. Een simpel antwoord is niet mogelijk." De Serviër zegt ook niet dat die gebeurtenissen zijn jonge leven gemarkeerd hebben. Natuurlijk herinnert hij zich het feestje voor zijn twaalfde verjaardag, toen bommenwerpers hun lading uitspuwden boven de krachtcentrale van Veliki Crljeni en het appartement in duisternis gehuld werd.

Eind maart 1999, de eerste week van de NAVO-bombardementen, wanneer de sirenes waarschuwen voor nog maar eens een aanval, rennen de Djokovics in paniek door grootvaders appartementsgebouw in Banjica. Wat moeten we met de kinderen doen? Zijn we hier veilig? Of zullen we sterven? De bommen blijven vallen, maar álles went. "Na een week namen we ons gewone leven weer op, denkend: als het komt, dan komt het", herinnert zijn oom Goran zich. "Het had geen zin om thuis te blijven en te wenen", vertelt zijn moeder Dijana. "We vertrokken 's morgens om tien uur naar Partizan en keerden vaak pas om zeven, acht uur 's avonds terug naar huis." Dag na dag vliegen vijfhonderd missies het Servische grondgebied binnen, maar de familie Djokovic blijft onverstoord tegen de ballen meppen. Op 10 juni 1999, wanneer de bombardementen na 78 dagen opgeschort worden, klaart de hemel letterlijk op. De drie broers - Novak, Marco en Djordje - rennen naar het terras, lachend en schreeuwend. "Nu zijn we veilig!" Of die herinneringen van Djokovic een betere tennisser maakten, werd hem na zijn zege op de Australian Open van 2008 gevraagd. "Ik kan bepaalde zaken meer appreciëren, maar een betere tennisser? Neen, dat heb ik te danken aan het werk op de courts."

Tennis, een spelletje?

Kopaonik, een skigebied in centraal Servië op de grens met Noord-Kosovo, voorjaar 1995. Novak Djokovic, vier jaar, stapt vastberaden naar Jelena Gencic, tennistas netjes gepakt, als was hij een professioneel tennisser. Gencic, die onder andere Monica Seles en Goran Ivanisevic coachte, herinnert zich het tafereel levendig. "Hij was een halfuur te vroeg. In zijn tennistas zaten een racket, een handdoek, een fles water, een banaan en polsbandjes. Toen ik hem vroeg wie zijn tas gepakt had, zei hij: 'Ik.' En hoe hij wist wat hij precies moest meebrengen? 'Op tv gezien.'"

Dat de jonge Novak voor de tennissport kiest, is verrassend. Zijn ouders, Srdjan en Dijana, twee ex-competitieskiërs van het Joegoslavische sportsysteem, zijn tennisleken en Novak zou, beïnvloed door hun genen, een skiër worden. Tot er recht tegenover hun huis in het skioord waar ze het pizza- en pannenkoekenrestaurant Red Bull uitbaten, drie tennisterreinen aangelegd worden en Jelena Gencic zomerstages organiseert. A natural, het grootste talent sinds Monica Seles, klinkt het al snel bij Gencic, volgens Djokovic de coach die hem het meest beïnvloedde. "Zij organiseerde mijn hele leven: wanneer ik naar school moest, wat ik moest eten en drinken, hoe ik mij op en naast het terrein moest gedragen. Jelena las gedichten voor, we luisterden samen naar klassieke muziek. Eigenlijk was ze mijn tweede moeder." Srdjan: "Zij heeft Novak gemaakt."

Amper zes jaar oud, in 1993, ziet Djokovic hoe Pete Sampras zijn eerste Wimbledon- titel pakt. De winst van zijn grote idool wakkert zijn passie nog meer aan. Wanneer hij een jaar later te gast is in een kinderprogramma en een leeftijdsgenootje hem vraagt wat hij zo leuk vindt aan het spelletje, antwoordt hij zonder verpinken: "Spelletje? Tennis is mijn beroep en ik heb maar één doel: nummer één van de wereld worden." Werken, werken, werken. En soms zijn wil doordrijven. Zoals op zijn zevende, wanneer hij tegen de zin van zijn coach zijn eenhandige backhand afzweert omdat hij te weinig kracht heeft om hoge topspinballen onder controle te krijgen. Een beslissing die de tennisgeschiedenis meer dan vijftien jaar later zal veranderen. Die backhand, die defensieve ballen transformeert in harde en voor de tegenstanders onhoudbare winners, geeft hem vooral in wedstrijden tegen Rafael Nadal een ontegensprekelijk voordeel. Van de laatste tien confrontaties met de Spaanse krachtpatser wint Nole er acht: hoge ballen van Rafa, die de eenhandige backhand van Roger Federer versplinteren, zijn voor de Servische tennismachine wél een lekkernij.

Dertien en bijna volwassen

Nóg meer dan Novak gelooft zijn vader, een tennisleek, dat zijn zoon ooit het tennis zal domineren. "Srdjan dacht dat Novak een ongelofelijke speler was, zelfs toen hij verre van ongelofelijk was", getuigt de Kroaat Niki Pilic, begin jaren zeventig de nummer twaalf van de wereld. Dijana, Novaks moeder, verklaart: "Novaks doel, ooit Wimbledon winnen, gaf onze familie iets om samen voor te vechten." Want ook wanneer de sirenes niet meer loeien, blijft het leven in Servië - economisch afgesloten van de rest van de wereld en wanhopig op zoek naar stabiliteit - bijzonder zwaar. Toch gaat Srdjan op zoek naar de beste begeleiders. "Het hele gezin, ook zijn twee jongere broers Marko ( 20, nvdr) en Djordje ( 16, nvdr), heeft geleden", klinkt het bij oom Goran. Want, zegt hij: "Novak moest het beste eten en het beste materiaal krijgen. Hij was de prioriteit onder de prioriteiten."

Wanneer Djokovic op zijn limieten dreigt te botsen, vraagt Jelena Gencic eind 1999 aan Niki Pilic of Novak naar diens tennisacademie in München mag komen. Pilic weigert. Een jongen van amper dertien jaar kan zijn slopende trainingsregime nooit verteren, argumenteert de Kroaat. Maar de familie, die nog maar eens geld bij elkaar schraapt, dringt aan en Pilic bindt gedeeltelijk in. "Een auditie kan wel." Putje winter arriveert Novak, vergezeld door oom Goran en met amper geld op zak, in de Beierse hoofdstad. Pilics echtgenote noemt hem Jacket... Omdat hij er geen heeft. Wanneer Goran na vijf dagen naar Belgrado terugkeert, barst Nole in tranen uit. Maar hij mag blijven.

"Wat me vooral opviel," herinnert Pilic zich, "is dat Novak over tennis praatte als een volwassen man. Mentaal heel sterk - als hij al heimwee had, dan toonde hij het zeker niet. En Novak kon al heel vroeg zelf uitdokteren waarom hij een wedstrijd verloor en aan welke slagen hij moest werken. Op een dag, twintig minuten voor zijn training, liep hij mij in het restaurant voorbij. Ik zei hem dat hij te vroeg was. 'Coach, ik wil mijn carrière niet vergooien.' Hij was nog geen veertien jaar!" Competitiegeest, ingegeven door oorlogstrauma's, klinkt het nu nog altijd, maar de werkelijkheid is zo mogelijk nog bitterder. Hij had geen keuze: de familie had alles op de oudste zoon ingezet.

En die inzet is hoog. Novak maakt een enorme progressie, maar het familierestaurant is afhankelijk van het skiseizoen - soms goed, soms slecht. De tennisacademie kost 3000 dollar per maand en zelfs wanneer Pilic een korting geeft, raakt het geld van Srdjan op. Oom Goran: "Hij heeft veel geld geleend, vaak tegen woekerintresten van tien of vijftien procent. Hoeveel? Wie zal het zeggen. Hij durfde het wellicht zelf niet te tellen." Daarom dus focust Novak zich op zijn tennis.

Bijna Engelsman

Na een Europese jeugdtitel (U14) en een tweede plaats op het WK voor landenteams in 2001 stuurt Pilic Djokovic vervroegd naar het profcircuit, waar hij in de zomer van 2003 - een maand na zijn zestiende verjaardag - in 'zijn' Belgrado zijn eerste ATP-punten pakt. "Een mijlpaal, ja, maar tot mijn grote verbazing won ik ook de volgende vier wedstrijden én het toernooi." Maar wanneer hij in oktober 2005 de balans van zijn eerste drie seizoenen in het profcircuit opmaakt, kleurt die negatief. Een 85e plaats op de wereldranglijst is mooi, maar het prijzengeld - amper 200.000 dollar - is amper voldoende om van te leven, te reizen en de coaches te betalen. De familie moet, nóg maar eens, op zoek naar investeerders. Niemand bijt. Ook de arme Servische tennisfederatie laat hem aan zijn lot over. Oom Goran: "Zijn vader Srdjan probeerde mensen te overtuigen: 'Investeer, alstublieft.' Op een manier waarop je fruit of graan probeert te verkopen. Nobody cared."

In het voorjaar van 2006, wanneer Djkokovic de jongste speler (18) in de top honderd is, is vader Srdjan zo ontmoedigd dat hij zijn echtgenote Dijana contact laat opnemen met de Lawn Tennis Association. De Britse tennisbond is rijk, maar kampt al jaren met een gebrek aan talent. Zou de 18-jarige Novak tot Engelsman genaturaliseerd kunnen worden? Geef toe: een Daviscupploeg met Djokovic en zijn goede vriend Andy Murray, met wie hij op het juniorencircuit heroïsche wedstrijden uitvocht, zou Groot-Brittannië opnieuw tennisroem kunnen bezorgen. Djokovic, een jaar later: "Uiteindelijk was het mijn beslissing. Ik heb nooit van land willen veranderen, daarvoor ben ik te trots op mijn afkomst. Servië is een deel van mezelf. We hebben het moeilijk gehad, zeker, maar het heeft ons ook sterker gemaakt."

Een maand later, mei 2006, verandert alles. In Parijs ontmoet Djokovic de Slovaakse coach Marian Vajda en bereikt hij voor het eerst de kwartfinales van een grand slam, goed voor 149.590 dollar. Kassa! Onder de vleugels van Vajda wint hij de toernooien van Amersfoort en Metz en sluit hij het jaar af op een zestiende plaats en met meer dan 600.000 dollar aan prijzengeld. Vader haalt opgelucht adem - de financiële zorgen zijn eindelijk achter de rug - en wil zijn zoon feliciteren. Djokovic onderbreekt hem. "Als ik nummer één ben," zegt hij, "dán mag je mij feliciteren." En Nole, hij werkt voort...

Na zeges in Adelaide, Miami, Estoril, Montréal en Wenen, halve finales op Roland Garros en Wimbledon en een eerste grandslamfinale op de US Open, nestelt Djokovic zich eind augustus 2007 in de top drie, na de ongenaakbare Federer en Nadal, die maandenlang voortdurend haasje-over spelen. Wanneer de Serviër in januari 2008 in Melbourne de Australian Open wint, lijkt hij klaar om zich tussen Nadal en Federer te wringen. En toch niet: de nummer drie van de wereld maakt vooral indruk náást de courts, tot hilariteit van fans en journalisten, die hem omdopen tot The Djoker. Zijn karaokeversie in ontbloot bovenlijf van Gloria Gaynors 'I Will Survive' op France 3 wordt een hit op YouTube, net zoals zijn parodie - inclusief blonde pruik, aan de zijde van zijn landgenoot Viktor Troicki - op 'Gipsy' van Shakira. Ook zijn haarfijne imitaties van Nadal, Federer, John McEnroe, Maria Sjarapova of Andy Roddick zijn legendarisch, ook al vinden sommige collega's ze beledigend. En op het veld is The Djoker vaak een choker, die stikt onder de verlammende druk van het circuit. Goed, maar net niet goed genoeg, tot hij in juli 2010 in contact komt met Igor Cetojevic, een holistische therapeut-acupuncturist, die ontdekt dat de Serviër een glutenallergie heeft. "We groeiden op met gluten - brood, pasta, granen - en ik at het in grote hoeveelheden", zegt Djokovic in mei van dit jaar. "Door mijn voeding aan te passen, heb ik minder ademhalingsproblemen en ben ik minder snel vermoeid." Hij vertelt het rustig en sereen, kort na zijn 33e overwinning van het seizoen en zijn vierde opeenvolgende zege tegen Rafael Nadal, op het gravel van Madrid. "Mijn eerste plaats is niet in gevaar," ontleedt de Spanjaard, "ze is voorbij..."

Australian Open, Dubai, Indian Wells, Miami, Belgrado, Madrid, Rome: overal waar Djokovic komt, neemt hij de grootste cheque mee. Alleen Roger Federer - de oude meester, die op Roland Garros nog eens zijn beste tennis bovenhaalt - onderbreekt Djokovics winning streak van 37-0. Hij verliest in 2011 nog twee keer, telkens na opgave, maar de balans is in het moderne tennis ongezien: 64 wedstrijden gewonnen, amper 3 keer verloren. En Djokovic staat er, steevast geflankeerd door zijn vriendin Jelena Ristic, nu ook op de grote momenten. Op de US Open knokt hij zich in de halve finale vanuit een uitzichtloze positie (verlies in de eerst twee sets) alsnog voorbij Roger Federer, twee dagen later veegt hij Nadal voor de zesde opeenvolgende keer van het veld. Maar zijn grootste moment de gloire kwam er in Wimbledon, waar hij voor het eerst nummer één van de wereld wordt. "Mijn grootste droom is uitgekomen."

Trotse Serviër

4 juli 2011, in het centrum van Belgrado stromen 100.000 mensen samen. Op de tonen van het bombastische 'Fortuna Imperatrix Mundi' uit de Carmina Burana, draagt de nieuwe nummer één van het herentennis zijn Wimbledontitel op aan Servië en zijn volk. Niemand wil die avond herinnerd worden aan het verhaal dat het land in 2006 zijn kostbaarste bezit, Novak Djokovic, bijna aan Groot-Brittannië verloor. In december 2010 leidt hij Servië naar een eerste zege in de Davis Cup, in de kleedkamer viert hij begin 2011 met Servische muzikanten zijn tweede titel op de Australian Open en wanneer hij een paar maanden later in Madrid wint van Rafael Nadal trekt hij een T-shirt aan waarop de Servische vlag prominent aanwezig is. En drie jaar geleden kon hij veel aantrekkelijkere, minder door de oorlog geteisterde steden kiezen om een eigen tenniscentrum - Teniski Centar Novak - uit de grond te stampen, maar Belgrado was zijn enige keuze.

"Overal in Belgrado zie ik kinderen met een tennisracket rondlopen en een balletje slaan", zegt Slobodan Zivojinovic, in 1986 halve finalist op Wimbledon en nu voorzitter van de Servische tennisfederatie. Hij beseft dat het succes van Novak Djokovic, Jelena Jankovic en Ana Ivanovic, met wie Djokovic geregeld oefende in ... een leeg zwembad, zijn oorsprong vindt in de donkerste dagen van zijn land, toen dromen en levens van tienduizenden verwoest werden. "Jelena en Ana zijn parels van het vrouwentennis", zegt Djokovic. "Wanneer mensen mij vragen hoe het mogelijk was om zowel bij de mannen als de vrouwen de top te bereiken, moet ik hen zeggen dat het wellicht toeval was. Hard werken, dat natuurlijk, maar voor de rest? Geen systeem, geen geld." Daar wil Zivojinovic iets aan doen, ook al omdat zijn jongste zoon in de nadagen van de Balkanoorlog door gangsters ontvoerd werd en pas na zes dagen - na betaling van een miljoen dollar - vrijgelaten werd. "Godzijdank is dat nu definitief voorbij. Ons land heeft een nieuw en mooi imago, gecreëerd door de tennissport."

DOOR CHRIS TETAERT

"Jarenlang waren wij de bad guys, maar Novak heeft het Servische volk nieuwe trots gegeven." Vlade Divac

"Spelletje? Tennis is mijn beroep en ik heb maar één doel: nummer één van de wereld worden."

"Novaks doel, ooit Wimbledon winnen, gaf onze familie iets om samen voor te vechten." Moeder Darija

Zaterdag 30 april 2011. Novak Djokovic stapt door de grote toegangspoort van Teniski Klub Partizan, waar hij in 2003 als zestienjarige met zijn team de Servische titel won. Het is bijna zeven jaar geleden dat hij hier was. De hele week al, op weg naar de zege op de Serbia Open, zocht hij een geschikt moment om zijn oude club in hartje Belgrado te bezoeken. "Hier ben ik opgegroeid", vertelt hij in de smalle gang, op weg naar de krappe kleedkamers waar vergeelde teamfoto's herinneringen oproepen. Nole lacht, maar tijdens de wandeling flitst zijn leven voorbij. Elk plekje roept een andere herinnering op: de bijensteek op zijn hiel, de winst tegen zijn aartsrivaal Viktor Troicki, het clubhuis waar hij zijn verjaardagen vierde. Daar, het plekje waar vader naar hem keek, het net waar zijn coach Jelena Gencic stond te lachen, de hard courts van waarop hij in 1999 naar de NAVO-bommenwerpers keek. "We waren niet meer bang", zegt hij aan een journalist. "We wilden alleen maar tennissen." Het gemoed van Djokovic verandert met elke voetstap: luidop lachen, een lange stilte, dan weer tranen in de ogen. De dag erna wint hij tegen Feliciano Lopez de Serbia Open, zijn 27e opeenvolgende overwinning. Maar dat was máár tennis. Zijn bezoek aan Partizan raakt hem op een manier zoals geen enkele tegenstander dat dit seizoen al deed. Een tv-ploeg arriveert met een veertienjarig jongetje, wiens grootste wens het is om zijn idool te ontmoeten. Djokovic knuffelt hem, zegt dat hij begrijpt hoe moeilijk het is om jong te zijn in zijn land. Tranen rollen over de wangen van de moeder. Het lijkt overdreven, tot je de uitspraak van Vlade Divac, ex-NBA-vedette bij de LA Lakers en sinds 2009 voorzitter van het Servisch Olympisch Comité, analyseert: "Járen, zeker toen het oorlog was, waren wij de bad guys. Het was moeilijk om kinderen op te voeden tot trotse Serviërs. Maar Novak heeft het Servische volk een nieuw gevoel gegeven: trots." Ook al resideert Djokovic (24) in Monaco, hij heeft nauwe banden met Servië, dat hij in december 2010 naar de eerste zege ooit in de Davis Cup stuwde. Op de beslissende derde dag, ondanks een 1-2-achterstand tegen Frankrijk, zat meer dan de helft van de 8,5 miljoen Serviërs aan een tv-toestel gekluisterd. "Novak is de beste pr die Servië ooit kreeg. Hij is het positieve gezicht van ons land", vertelde Vladimir Petrovic, de Servische ambassadeur in de VS aan Sports Illustrated. In maart geeft Djokovic via zijn stichting NOVAK een donatie van 100.000 dollar aan het klooster van Gracanica, hartje Kosovo. Wanneer hij daarvoor opgenomen wordt in de Orde van Sint-Sava, de hoogste onderscheiding in de Servisch-orthodoxe Kerk, noemt hij het "de belangrijkste onderscheiding die hij ooit zal krijgen". Djokovic is de zeldzame atleet die zijn politieke mening niet verbergt. Zoals op 21 februari 2008, kort na zijn eerste zege op de Australian Open, wanneer hij zich per videolink richt tot de meer dan 150.000 betogers die in Belgrado op straat komen tegen de eenzijdige en door de VS gesteunde onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo: "We zijn verenigd en klaar om onszelf te verdedigen." Want, klinkt het: "Kosovo is Servië!" Woorden die kunnen inspireren of de boel laten ontvlammen. Die nacht worden de Kroatische en Bosnische ambassades in Belgrado geplunderd, de Amerikaanse ambassade in brand gestoken. Djokovic, maanden later: "Ik was niet geïnteresseerd in politiek, maar dit is niet alleen maar politiek, dit is iets heel ernstigs. Mijn vader, mijn oom, mijn tante, ze zijn allemaal in Kosovo geboren. Mijn grootvader heeft er dertig jaar gewoond. Maar nog meer: het is de bakermat van de Servische identiteit en het is verschrikkelijk als ze dat van je afnemen." Waar hij gaat of staat, telkens weer wordt Djokovic geconfronteerd met zijn roots. Zoals op 25 april 2011, wanneer een Nederlandse journalist hem zegt dat het "toch veel gemakkelijker is om, bijvoorbeeld, Zwitserland te vertegenwoordigen dan Servië. Hoe ziet u dat, mister Djokovic?" De tennisser staart voor zich uit. "Kun je de vraag herhalen?" Het was duidelijk wat de reporter bedoelde: in tegenstelling tot Zwitserland - het saaie bastion van klokken en discrete bankverrichtingen - werd Servië in de jaren negentig geportretteerd als een land van gangsters en oorlogsmisdadigers, die aanvallen op Slovenië, Bosnië en Kroatië orkestreerden. "Hoe ziet u dat?", dringt de journalist aan. Djokovic zegt niet wat hij in feite mág zeggen: dat Servië al drie democratische verkiezingen achter de rug heeft, dat president Boris Tadic de beloning voor het vangen van oorlogsmisdadiger Ratko Mladic vertienvoudigde tot tien miljoen euro en dat het Servische parlement onlangs besloot om zich officieel te verontschuldigen voor de massamoord in 1995 op 8000 mensen in Srebre- nica. Djokovic neemt de microfoon: "Wel," begint hij, "ik denk niet dat..." Hij aarzelt. Hoe moet hij de angst beschrijven die hij als twaalfjarige voelde, toen sirenes loeiden en explosies elkaar opvolgden? Hoe kan hij uitleggen dat tennis en de Amerikaanse bommen met elkaar verbonden waren? Kan hij zeggen dat zijn ouders toen focusten op zijn leven, op zijn toekomstige carrière, en dat zijn huidig succes de redding van zijn familie betekende? Neen. "Dat is een moeilijke vraag. Een simpel antwoord is niet mogelijk." De Serviër zegt ook niet dat die gebeurtenissen zijn jonge leven gemarkeerd hebben. Natuurlijk herinnert hij zich het feestje voor zijn twaalfde verjaardag, toen bommenwerpers hun lading uitspuwden boven de krachtcentrale van Veliki Crljeni en het appartement in duisternis gehuld werd. Eind maart 1999, de eerste week van de NAVO-bombardementen, wanneer de sirenes waarschuwen voor nog maar eens een aanval, rennen de Djokovics in paniek door grootvaders appartementsgebouw in Banjica. Wat moeten we met de kinderen doen? Zijn we hier veilig? Of zullen we sterven? De bommen blijven vallen, maar álles went. "Na een week namen we ons gewone leven weer op, denkend: als het komt, dan komt het", herinnert zijn oom Goran zich. "Het had geen zin om thuis te blijven en te wenen", vertelt zijn moeder Dijana. "We vertrokken 's morgens om tien uur naar Partizan en keerden vaak pas om zeven, acht uur 's avonds terug naar huis." Dag na dag vliegen vijfhonderd missies het Servische grondgebied binnen, maar de familie Djokovic blijft onverstoord tegen de ballen meppen. Op 10 juni 1999, wanneer de bombardementen na 78 dagen opgeschort worden, klaart de hemel letterlijk op. De drie broers - Novak, Marco en Djordje - rennen naar het terras, lachend en schreeuwend. "Nu zijn we veilig!" Of die herinneringen van Djokovic een betere tennisser maakten, werd hem na zijn zege op de Australian Open van 2008 gevraagd. "Ik kan bepaalde zaken meer appreciëren, maar een betere tennisser? Neen, dat heb ik te danken aan het werk op de courts." Kopaonik, een skigebied in centraal Servië op de grens met Noord-Kosovo, voorjaar 1995. Novak Djokovic, vier jaar, stapt vastberaden naar Jelena Gencic, tennistas netjes gepakt, als was hij een professioneel tennisser. Gencic, die onder andere Monica Seles en Goran Ivanisevic coachte, herinnert zich het tafereel levendig. "Hij was een halfuur te vroeg. In zijn tennistas zaten een racket, een handdoek, een fles water, een banaan en polsbandjes. Toen ik hem vroeg wie zijn tas gepakt had, zei hij: 'Ik.' En hoe hij wist wat hij precies moest meebrengen? 'Op tv gezien.'" Dat de jonge Novak voor de tennissport kiest, is verrassend. Zijn ouders, Srdjan en Dijana, twee ex-competitieskiërs van het Joegoslavische sportsysteem, zijn tennisleken en Novak zou, beïnvloed door hun genen, een skiër worden. Tot er recht tegenover hun huis in het skioord waar ze het pizza- en pannenkoekenrestaurant Red Bull uitbaten, drie tennisterreinen aangelegd worden en Jelena Gencic zomerstages organiseert. A natural, het grootste talent sinds Monica Seles, klinkt het al snel bij Gencic, volgens Djokovic de coach die hem het meest beïnvloedde. "Zij organiseerde mijn hele leven: wanneer ik naar school moest, wat ik moest eten en drinken, hoe ik mij op en naast het terrein moest gedragen. Jelena las gedichten voor, we luisterden samen naar klassieke muziek. Eigenlijk was ze mijn tweede moeder." Srdjan: "Zij heeft Novak gemaakt." Amper zes jaar oud, in 1993, ziet Djokovic hoe Pete Sampras zijn eerste Wimbledon- titel pakt. De winst van zijn grote idool wakkert zijn passie nog meer aan. Wanneer hij een jaar later te gast is in een kinderprogramma en een leeftijdsgenootje hem vraagt wat hij zo leuk vindt aan het spelletje, antwoordt hij zonder verpinken: "Spelletje? Tennis is mijn beroep en ik heb maar één doel: nummer één van de wereld worden." Werken, werken, werken. En soms zijn wil doordrijven. Zoals op zijn zevende, wanneer hij tegen de zin van zijn coach zijn eenhandige backhand afzweert omdat hij te weinig kracht heeft om hoge topspinballen onder controle te krijgen. Een beslissing die de tennisgeschiedenis meer dan vijftien jaar later zal veranderen. Die backhand, die defensieve ballen transformeert in harde en voor de tegenstanders onhoudbare winners, geeft hem vooral in wedstrijden tegen Rafael Nadal een ontegensprekelijk voordeel. Van de laatste tien confrontaties met de Spaanse krachtpatser wint Nole er acht: hoge ballen van Rafa, die de eenhandige backhand van Roger Federer versplinteren, zijn voor de Servische tennismachine wél een lekkernij. Nóg meer dan Novak gelooft zijn vader, een tennisleek, dat zijn zoon ooit het tennis zal domineren. "Srdjan dacht dat Novak een ongelofelijke speler was, zelfs toen hij verre van ongelofelijk was", getuigt de Kroaat Niki Pilic, begin jaren zeventig de nummer twaalf van de wereld. Dijana, Novaks moeder, verklaart: "Novaks doel, ooit Wimbledon winnen, gaf onze familie iets om samen voor te vechten." Want ook wanneer de sirenes niet meer loeien, blijft het leven in Servië - economisch afgesloten van de rest van de wereld en wanhopig op zoek naar stabiliteit - bijzonder zwaar. Toch gaat Srdjan op zoek naar de beste begeleiders. "Het hele gezin, ook zijn twee jongere broers Marko ( 20, nvdr) en Djordje ( 16, nvdr), heeft geleden", klinkt het bij oom Goran. Want, zegt hij: "Novak moest het beste eten en het beste materiaal krijgen. Hij was de prioriteit onder de prioriteiten." Wanneer Djokovic op zijn limieten dreigt te botsen, vraagt Jelena Gencic eind 1999 aan Niki Pilic of Novak naar diens tennisacademie in München mag komen. Pilic weigert. Een jongen van amper dertien jaar kan zijn slopende trainingsregime nooit verteren, argumenteert de Kroaat. Maar de familie, die nog maar eens geld bij elkaar schraapt, dringt aan en Pilic bindt gedeeltelijk in. "Een auditie kan wel." Putje winter arriveert Novak, vergezeld door oom Goran en met amper geld op zak, in de Beierse hoofdstad. Pilics echtgenote noemt hem Jacket... Omdat hij er geen heeft. Wanneer Goran na vijf dagen naar Belgrado terugkeert, barst Nole in tranen uit. Maar hij mag blijven. "Wat me vooral opviel," herinnert Pilic zich, "is dat Novak over tennis praatte als een volwassen man. Mentaal heel sterk - als hij al heimwee had, dan toonde hij het zeker niet. En Novak kon al heel vroeg zelf uitdokteren waarom hij een wedstrijd verloor en aan welke slagen hij moest werken. Op een dag, twintig minuten voor zijn training, liep hij mij in het restaurant voorbij. Ik zei hem dat hij te vroeg was. 'Coach, ik wil mijn carrière niet vergooien.' Hij was nog geen veertien jaar!" Competitiegeest, ingegeven door oorlogstrauma's, klinkt het nu nog altijd, maar de werkelijkheid is zo mogelijk nog bitterder. Hij had geen keuze: de familie had alles op de oudste zoon ingezet. En die inzet is hoog. Novak maakt een enorme progressie, maar het familierestaurant is afhankelijk van het skiseizoen - soms goed, soms slecht. De tennisacademie kost 3000 dollar per maand en zelfs wanneer Pilic een korting geeft, raakt het geld van Srdjan op. Oom Goran: "Hij heeft veel geld geleend, vaak tegen woekerintresten van tien of vijftien procent. Hoeveel? Wie zal het zeggen. Hij durfde het wellicht zelf niet te tellen." Daarom dus focust Novak zich op zijn tennis. Na een Europese jeugdtitel (U14) en een tweede plaats op het WK voor landenteams in 2001 stuurt Pilic Djokovic vervroegd naar het profcircuit, waar hij in de zomer van 2003 - een maand na zijn zestiende verjaardag - in 'zijn' Belgrado zijn eerste ATP-punten pakt. "Een mijlpaal, ja, maar tot mijn grote verbazing won ik ook de volgende vier wedstrijden én het toernooi." Maar wanneer hij in oktober 2005 de balans van zijn eerste drie seizoenen in het profcircuit opmaakt, kleurt die negatief. Een 85e plaats op de wereldranglijst is mooi, maar het prijzengeld - amper 200.000 dollar - is amper voldoende om van te leven, te reizen en de coaches te betalen. De familie moet, nóg maar eens, op zoek naar investeerders. Niemand bijt. Ook de arme Servische tennisfederatie laat hem aan zijn lot over. Oom Goran: "Zijn vader Srdjan probeerde mensen te overtuigen: 'Investeer, alstublieft.' Op een manier waarop je fruit of graan probeert te verkopen. Nobody cared." In het voorjaar van 2006, wanneer Djkokovic de jongste speler (18) in de top honderd is, is vader Srdjan zo ontmoedigd dat hij zijn echtgenote Dijana contact laat opnemen met de Lawn Tennis Association. De Britse tennisbond is rijk, maar kampt al jaren met een gebrek aan talent. Zou de 18-jarige Novak tot Engelsman genaturaliseerd kunnen worden? Geef toe: een Daviscupploeg met Djokovic en zijn goede vriend Andy Murray, met wie hij op het juniorencircuit heroïsche wedstrijden uitvocht, zou Groot-Brittannië opnieuw tennisroem kunnen bezorgen. Djokovic, een jaar later: "Uiteindelijk was het mijn beslissing. Ik heb nooit van land willen veranderen, daarvoor ben ik te trots op mijn afkomst. Servië is een deel van mezelf. We hebben het moeilijk gehad, zeker, maar het heeft ons ook sterker gemaakt." Een maand later, mei 2006, verandert alles. In Parijs ontmoet Djokovic de Slovaakse coach Marian Vajda en bereikt hij voor het eerst de kwartfinales van een grand slam, goed voor 149.590 dollar. Kassa! Onder de vleugels van Vajda wint hij de toernooien van Amersfoort en Metz en sluit hij het jaar af op een zestiende plaats en met meer dan 600.000 dollar aan prijzengeld. Vader haalt opgelucht adem - de financiële zorgen zijn eindelijk achter de rug - en wil zijn zoon feliciteren. Djokovic onderbreekt hem. "Als ik nummer één ben," zegt hij, "dán mag je mij feliciteren." En Nole, hij werkt voort... Na zeges in Adelaide, Miami, Estoril, Montréal en Wenen, halve finales op Roland Garros en Wimbledon en een eerste grandslamfinale op de US Open, nestelt Djokovic zich eind augustus 2007 in de top drie, na de ongenaakbare Federer en Nadal, die maandenlang voortdurend haasje-over spelen. Wanneer de Serviër in januari 2008 in Melbourne de Australian Open wint, lijkt hij klaar om zich tussen Nadal en Federer te wringen. En toch niet: de nummer drie van de wereld maakt vooral indruk náást de courts, tot hilariteit van fans en journalisten, die hem omdopen tot The Djoker. Zijn karaokeversie in ontbloot bovenlijf van Gloria Gaynors 'I Will Survive' op France 3 wordt een hit op YouTube, net zoals zijn parodie - inclusief blonde pruik, aan de zijde van zijn landgenoot Viktor Troicki - op 'Gipsy' van Shakira. Ook zijn haarfijne imitaties van Nadal, Federer, John McEnroe, Maria Sjarapova of Andy Roddick zijn legendarisch, ook al vinden sommige collega's ze beledigend. En op het veld is The Djoker vaak een choker, die stikt onder de verlammende druk van het circuit. Goed, maar net niet goed genoeg, tot hij in juli 2010 in contact komt met Igor Cetojevic, een holistische therapeut-acupuncturist, die ontdekt dat de Serviër een glutenallergie heeft. "We groeiden op met gluten - brood, pasta, granen - en ik at het in grote hoeveelheden", zegt Djokovic in mei van dit jaar. "Door mijn voeding aan te passen, heb ik minder ademhalingsproblemen en ben ik minder snel vermoeid." Hij vertelt het rustig en sereen, kort na zijn 33e overwinning van het seizoen en zijn vierde opeenvolgende zege tegen Rafael Nadal, op het gravel van Madrid. "Mijn eerste plaats is niet in gevaar," ontleedt de Spanjaard, "ze is voorbij..." Australian Open, Dubai, Indian Wells, Miami, Belgrado, Madrid, Rome: overal waar Djokovic komt, neemt hij de grootste cheque mee. Alleen Roger Federer - de oude meester, die op Roland Garros nog eens zijn beste tennis bovenhaalt - onderbreekt Djokovics winning streak van 37-0. Hij verliest in 2011 nog twee keer, telkens na opgave, maar de balans is in het moderne tennis ongezien: 64 wedstrijden gewonnen, amper 3 keer verloren. En Djokovic staat er, steevast geflankeerd door zijn vriendin Jelena Ristic, nu ook op de grote momenten. Op de US Open knokt hij zich in de halve finale vanuit een uitzichtloze positie (verlies in de eerst twee sets) alsnog voorbij Roger Federer, twee dagen later veegt hij Nadal voor de zesde opeenvolgende keer van het veld. Maar zijn grootste moment de gloire kwam er in Wimbledon, waar hij voor het eerst nummer één van de wereld wordt. "Mijn grootste droom is uitgekomen." 4 juli 2011, in het centrum van Belgrado stromen 100.000 mensen samen. Op de tonen van het bombastische 'Fortuna Imperatrix Mundi' uit de Carmina Burana, draagt de nieuwe nummer één van het herentennis zijn Wimbledontitel op aan Servië en zijn volk. Niemand wil die avond herinnerd worden aan het verhaal dat het land in 2006 zijn kostbaarste bezit, Novak Djokovic, bijna aan Groot-Brittannië verloor. In december 2010 leidt hij Servië naar een eerste zege in de Davis Cup, in de kleedkamer viert hij begin 2011 met Servische muzikanten zijn tweede titel op de Australian Open en wanneer hij een paar maanden later in Madrid wint van Rafael Nadal trekt hij een T-shirt aan waarop de Servische vlag prominent aanwezig is. En drie jaar geleden kon hij veel aantrekkelijkere, minder door de oorlog geteisterde steden kiezen om een eigen tenniscentrum - Teniski Centar Novak - uit de grond te stampen, maar Belgrado was zijn enige keuze. "Overal in Belgrado zie ik kinderen met een tennisracket rondlopen en een balletje slaan", zegt Slobodan Zivojinovic, in 1986 halve finalist op Wimbledon en nu voorzitter van de Servische tennisfederatie. Hij beseft dat het succes van Novak Djokovic, Jelena Jankovic en Ana Ivanovic, met wie Djokovic geregeld oefende in ... een leeg zwembad, zijn oorsprong vindt in de donkerste dagen van zijn land, toen dromen en levens van tienduizenden verwoest werden. "Jelena en Ana zijn parels van het vrouwentennis", zegt Djokovic. "Wanneer mensen mij vragen hoe het mogelijk was om zowel bij de mannen als de vrouwen de top te bereiken, moet ik hen zeggen dat het wellicht toeval was. Hard werken, dat natuurlijk, maar voor de rest? Geen systeem, geen geld." Daar wil Zivojinovic iets aan doen, ook al omdat zijn jongste zoon in de nadagen van de Balkanoorlog door gangsters ontvoerd werd en pas na zes dagen - na betaling van een miljoen dollar - vrijgelaten werd. "Godzijdank is dat nu definitief voorbij. Ons land heeft een nieuw en mooi imago, gecreëerd door de tennissport." DOOR CHRIS TETAERT"Jarenlang waren wij de bad guys, maar Novak heeft het Servische volk nieuwe trots gegeven." Vlade Divac"Spelletje? Tennis is mijn beroep en ik heb maar één doel: nummer één van de wereld worden.""Novaks doel, ooit Wimbledon winnen, gaf onze familie iets om samen voor te vechten." Moeder Darija