1957 - VOOR DE GROENE TAFEL

'Over Luik-Bastenaken-Luik 1957 zal nog een aardig mondje gepraat worden. Zowel vandaag en morgen als tijdens de dagen en weken die zullen volgen. En dan, wanneer er niet meer over gesproken zal worden, wanneer men niet meer zal nabomen, zal men er toch nog aan denken, blijven aan denken.'
...

'Over Luik-Bastenaken-Luik 1957 zal nog een aardig mondje gepraat worden. Zowel vandaag en morgen als tijdens de dagen en weken die zullen volgen. En dan, wanneer er niet meer over gesproken zal worden, wanneer men niet meer zal nabomen, zal men er toch nog aan denken, blijven aan denken.' De krantenverslagen zestig jaar geleden lieten geen ruimte voor twijfel: de 43e editie van La Doyenne is er een voor de geschiedenisboeken. In de hoofdrol die 5 mei 1957: Germain Derycke, die van op de Rosier een solo van 55 kilometer uit zijn benen schudt, de danteske weersomstandigheden - hevige regen- en sneeuwvlagen en een ijzige wind - én een onvoorziene scheidsrechter: een goederentrein. Door die trein staat Derycke in de buurt van Vielsalm voor een gesloten spoorwegovergang. De West-Vlaming is in een tegenaanval op pad met de Fransman Louison Bobet en twee Italianen. Omdat zijn medevluchters de slagbomen negeren - niet strafbaar in Frankrijk en Italië - klautert ook Derycke over de bareel heen, een overtreding van het Belgische bondsreglement. Frans Schoubben, die 2'46' na Derycke de finish als tweede bereikt en twee minuten voor de gesloten overweg heeft staan wachten, krijgt na afloop het verhaal te horen en dient klacht in. Drie dagen later, wanneer de zaak voorkomt op de bondszetel, zijn de heftigste emoties echter al doorgespoeld en toont de Limburger zich van zijn grootmoedigste kant. Hij trekt zijn klacht in; de uitslag lijkt ongewijzigd te zullen blijven. Toch volgt nog een onverwachte wending. In een brief aan de wielerbond vraagt de op zijn beurt genereuze Derycke om Schoubben ex aequo als winnaar te klasseren. Onder het motto 'uitzonderlijke omstandigheden vereisen uitzonderlijke beslissingen' stemt de jury daar, tien dagen na de wedstrijd, mee in. Vijfvoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil krijgt op de favorietenlijstjes voor Luik-Bastenaken-Luik 1966 niet één ster achter zijn naam. Iedereen weet dat de 32-jarige rekenmeester zijn neus ophaalt voor de klassiekers, die hij steevast bestempelt als 'niet meer dan een loterij'. Aanvankelijk staat Liège niet eens op zijn programma. Maar omdat Anquetil van plan is om tussen de Waalse Pijl en Luik twee criteriums in Nederland te rijden, suggereert zijn sportdirecteur hem om de Ardennenklassiekers erbij te nemen. Pas wanneer Maître Jacques te horen krijgt dat zijn eeuwige rivaal Raymond Poulidor ook van de partij zal zijn, stemt hij in. Anquetil verschijnt geprikkeld aan de start. Zijn rijk is volgens de pers tanende, nu een nieuwe campionissimo is opgestaan met Felice Gimondi, het jaar voordien als neoprof winnaar van de Tour. De jonge Italiaan heeft bovendien de twee zondagen voor La Doyenne zowel Parijs-Roubaix als Parijs-Brussel gewonnen en wordt ook in Luik bij de grote kanshebbers gerekend. Maar die zonovergoten 2 mei 1966 heeft ook Gimondi geen antwoord in huis als Anquetil op de Bouquette de sloophamer bovenhaalt. In geen tijd gaat de Normandiër op en over de drie vluchters, onder wie de vader van Andy en Fränk Schleck. Met nog zowat 35 kilometer voor de boeg kan Monsieur Chrono uitpakken met zijn specialiteit: een solotocht tegen de klok. Anquetil zal de wielerpiste van Rocourt bereiken met bijna vijf minuten voorsprong op de tweede, Vic Van Schil. Een paar dagen later echter schrapt de Belgische bond de naam van de winnaar. Na de wedstrijd had Anquetil de dopingcontroleurs geweigerd een urinestaal af te leveren. 'Te laat. Als je het nog uit het sopwater kunt halen, ga je gang. Ik ben een mens, geen fontein', sprak hij. Uiteindelijk zal de internationale wielerunie hem een reddende hand reiken. Omdat er in die tijd nog geen duidelijk internationaal dopingreglement bestaat, beslist de federatie om de uitslag te handhaven. Met een derde Milaan-Sanremo en een eerste Ronde van Vlaanderen (na een solo van zeventig kilometer) heeft Eddy Merckx voor de start van Luik-Bastenaken-Luik in 1969 al twee monumenten op zak. Wanneer in Bastenaken twee renners het ruime sop kiezen, haken Merckx' Faemaploegmaats Vic Van Schil en Roger Swerts hun wagonnetje aan. 'Eddy kon op die manier de kat uit de boom kijken, maar ik had al snel door dat hij die dag niet in te tomen zou zijn', zal sportdirecteur Lomme Driessens verklaren. 'Hij wachtte gewoon op de eerste de beste tegenaanval om erin te vliegen. Aan de voet van de Wanne was het prijs. Er was nog honderd kilometer te rijden.' De verrassingsaanval van de Kannibaal zaait chaos. Op de Wanne rolt Merckx de vluchters op om ze meteen achter te laten, alleen zijn twee ploegmaats kunnen volgen. Drie Faema's voorop dus, maar niet voor lang, want in de achtergrond beseft Roger De Vlaeminck het gevaar. Merckx voelt zijn rivaal naderen, trekt het tempo de hoogte in, Swerts moet loslaten, Van Schil kan nog net aanpikken. Achter de tandem Merckx - Van Schil verzamelt zich een elitegroepje rond De Vlaeminck en Gimondi, dat algauw uitblinkt in passiviteit. 'Ze zullen wel even teruggedacht hebben aan de Ronde van Vlaanderen', schrijven de kranten daags nadien. 'Ze zullen het Merckx-complex als een verstikkend net over zich heen hebben voelen vallen.' Na hun Von Rundstedt-offensief (naar een Duitse veldmaarschalk in WO II) van negentig kilometer bereiken Merckx en Van Schil met ruim acht minuten voorsprong de wielerbaan van Rocourt. 'Toen we bijna in Luik waren, vroeg Eddy mij al lachend wie van ons beiden er nu moest winnen', vertelt Van Schil later. 'Daar hoefde ik niet eens over na te denken. Ik zei: 'Eddy toch, wat een stomme vraag. Zelfs al mocht je nu nog vallen, ik dráág je over de streep.' Dat hij als eerste over de streep reed, was de logica zelve. Als Eddy me niet gespaard had, dan werd ik ingelopen door het peloton. Die tweede plaats was voor mij een zege waard.' Twee jaar later heeft het er alle schijn van dat Eddy Merckx zijn kunststukje nog eens zal overdoen. Deze keer is zijn Molteniploegmaat Jos Spruyt de trouwe soldaat van dienst die in Bastenaken met de vroege ontsnapping meespringt. Op de steile Stockeu, waar later een monument te zijner ere zal verrijzen, lanceert de Kannibaal in de mist en de motregen en met nog ruim negentig kilometer voor de boeg zijn offensief. In geen tijd raapt hij alle vluchters op en ruim veertig kilometer voor de finish ontdoet hij zich van zijn laatste gezellen, onder wie Spruyt. De tegenstoot van Georges Pintens op de Bouquette lijkt van geen belang, tenzij in de strijd om de tweede plaats. Op 25 kilometer van de aankomst ligt Jerommeke bijna vijf minuten achter op Merckx. Maar wanneer kort daarna de nieuwe tijdsverschillen via de wedstrijdradio worden doorgegeven, maakt ongeloof zich van de volgerskaravaan meester. De volgwagens worden vooruit gejaagd, Merckx verliest spectaculair voorsprong en moet, zoals de kranten daags nadien melden, 'voor de eerste keer niet alleen zijn tegenstanders overwinnen, maar ook zichzelf en zijn menselijke tekortkomingen die men bij een machine van vlees en bloed als onbestaande had beschouwd.' De laatste klim diep in de finale, in Thier-à-Liège, draait uit op een calvarie voor de verkrampte Merckx. Pintens duikt naast hem op, probeert hem af te schudden, Merckx plooit, maar breekt niet en bijt zich vast in het wiel. 'Eén helling meer, en ik zou hem alleen hebben achtergelaten', verklaart Pintens achteraf. Merckx hangt nog steeds in Pintens' wiel wanneer ze de wielerbaan van Rocourt komen opgedraaid. Pintens is de stuntman van de dag, maar tegen de intrinsiek snellere Merckx kan hij het orgelpunt niet plaatsen. De Kannibaal wint zijn tweede van vijf Doyennes - een record - maar wat een groots nummer had moeten worden, eindigt met een overwinning op de valreep. In 1980 geselt een heuse sneeuwstorm de rennerslijven. In Bastenaken is meer dan de helft van het peloton al afgestapt. De verkleumde renners smeken de dappere supporters, onder wie de vader van Philippe Gilbert, om een lift terug naar Luik of zoeken hun toevlucht in huizen en boerderijen. Ook de winnaar van 1977, Bernard Hinault, denkt meermaals aan opgeven. 'Zonder mij zou hij dat ook gedaan hebben', zal zijn ploegmaat Maurice Le Guilloux verklaren. 'Maar ik denk dat hij pas als laatste van de ploeg het zinkende schip wilde verlaten.' Wanneer ter hoogte van Vielsalm heel even de hemel opklaart, krijgt Hinault de wagen van zijn sportdirecteur Cyrille Guimard naast zich. Er ontspint zich een pittige discussie. 'Cyrille droeg me op: 'Trek je regenjas uit.' Maar ik had koud: 'T'es fou? Il fait froid!' Cyrille herhaalde zijn bevel: 'La course commence!' Woedend heb ik mijn jasje uitgetrokken en het in zijn gezicht gegooid. Er zat maar één ding op om me op te warmen: ten aanval trekken!' Op de Wanne laat de Bretoen zijn motor aanslaan en boven op de Haute-Levée heeft hij de laatste overgebleven vluchter, Rudy Pevenage, al te pakken. Hinault verdappert nog en voor hij het goed en wel beseft, is hij alleen. Het is nog 77 kilometer tot de aankomst. Over de Rosier, de Redoute en de Forges bouwt de ontketende Das zijn voorsprong verder uit. Aan de aankomst telt hij bijna negenenhalve minuut voorsprong op de nummers twee en drie, Hennie Kuiper en Ronny Claes. Het grootste naoorlogse verschil. Slechts 21 van de 174 vertrekkers halen de finish, procentueel het laagste aantal in de geschiedenis van La Doyenne. Aan de aankomst steekt Hinault niet eens zijn armen in de lucht. 'Ik was gewoon helemaal kapot. Als ik mijn armen had opgestoken, was ik plat op mijn gezicht gegaan.' Tot op vandaag wordt de Bretoen nog dagelijks aan Liège 1980 herinnerd, al was het maar doordat hij sindsdien in twee middelvingers alle gevoel kwijt is. 'De risico's van het vak', zoals hij dat zelf even onversaagd als vroeger omschrijft. Na vier topzevenplaatsen in vijf jaar krijgt Claude Criquielion in 1987 de kans van zijn leven om in zijn geliefkoosde Doyenne eindelijk de hoofdvogel af te schieten. Na winst in de Ronde van Vlaanderen dwingt Criq ook in de oudste van alle klassiekers de gedroomde omstandigheden af. Bij zijn demarrage gebeurt het ondenkbare: Ardennenspecialist en titelverdediger Moreno Argentin parkeert. Alleen de Ier Stephen Roche is bij machte de ontketende Waal te volgen. Het duo zingt het uit tot op de Boulevard de la Sauvenière. Rest hen alleen nog uit te maken wie één en twee wordt. Geen van beiden heeft een deftige spurt in huis. In de laatste hectometers proberen de twee leiders elkaar de kop op te dringen. De Waalse Pijl van enkele dagen eerder zit hen nog vers in het geheugen. Ze hadden die, zo vonden ze allebei, door de schuld van de ander door de vingers laten glippen. Een obsessieve gedachte met een tunnelvisie tot gevolg: op de boulevard zijn ze alleen gefocust op elkaar. Zozeer dat ze het tempo laten zakken tot hooguit 25 km/u, bijna vallen ze van hun fiets. Nog tweehonderd meter. Roche trekt de sprint op gang. Maar dan plots: een schicht vliegt hem voorbij. Een renner in de regenboogtrui. Het is Argentin, die zijn derde van vier zeges in La Liegi op een presenteerblaadje krijgt aangeboden. Roche eindigt op een halve fietslengte, Criquielion is derde. Op het podium gunnen de twee geklopten elkaar geen blik. Sterker nog, zeven jaar lang zullen ze elkaar geen woord meer zeggen. Tot ze voor de afscheidskoers van Sean Kelly in de ontbijtzaal van een Iers hotel bij gebrek aan andere vrije stoelen willens nillens tegenover elkaar aan tafel belanden. Daar maakt Roche duidelijk dat hij in die fameuze editie van 1987 echt niet in de slag zat met Argentin, zoals Criquielion altijd had gedacht, en praten ze de vete uit. Maar winst in La Doyenne zat er voor beiden nooit in. De Brabantse Pijl, de Amstel Gold Race en de Waalse Pijl in tien dagen tijd: in de lente van 2011 stapelt Philippe Gilbert de overwinningen op. 'Maar ik zou die drie zonder probleem willen inruilen voor Luik', verkondigt de dan 28-jarige man uit Remouchamps aan de vooravond van zijn negende deelname. Aan de eerste passage door het dorp van zijn jeugd zal Gilbert echter slechte herinneringen bewaren. 'We hadden niemand mee in de vroege ontsnapping, wat me stoorde', vertelt hij in Mijn droomjaar. 'Er werd in de oortjes gebruld, ik had dus nauwelijks tijd om te genieten van de aanmoedigingen in mijn dorp. Eén man heeft die dag fenomenaal werk verzet: Jurgen Van De Walle. Hij was verbazingwekkend op kop van het peloton. Zonder hem hadden we de koers dan misschien al verloren.' Helemaal anders is het gevoel bij de tweede doortocht, deze keer met de Redoute. 'Zonder twijfel het meest pakkende moment was de passage in de buurt van het kerkhof, waar mijn grootouders begraven liggen. Ik wist dat ik op dat moment de enige was in het peloton die emoties voelde die ik met niemand kon delen. Op La Redoute was de gekte totaal. Op dat moment was ik zelf uiterst kalm, ik durf zelfs te zeggen dat ik zeker was dat ik zou winnen.' Op de Roche aux Faucons is het Andy Schleck die de debatten leidt. Slechts twee renners volgen in zijn zog: broer Fränk en Gilbert. Eén voor één worden de vroege vluchters ingerekend en achtergelaten, Greg Van Avermaet op de Saint-Nicolas als laatste. Op die door Frank Vandenbroucke beroemd geworden helling versnelt Gilbert van op kop, Andy Schleck komt in verlegenheid, maar boven dicht hij opnieuw de kloof. Ondanks het numerieke overwicht van de broers is de Waal de regisseur van de finale. De drie tenoren gaan samen de laatste rechte lijn in. 'Ik heb de sprint van ver ingezet', zal Gilbert verklaren. 'Niet omdat ik op mijn hoede was voor de Schlecks, maar omdat ik wou genieten van de laatste 30, 40 meter. Toen ik ophield met trappen voelde ik alleen maar geluk.' DOOR BENEDICT VANCLOOSTER - FOTO'S BELGAIMAGE