Een uur na de nipte thuiszege tegen AA Gent is het plots drummen aan de toog van de persbar op Sclessin. Na de persconferentie van de trainers is Standardcoach Dominique D'Onofrio niet zoals na andere wedstrijden de deur uit gestapt, maar hij heeft aan de hoek van de toog postgevat en vraagt een extra pintje. Dat is lang geleden, en een uitnodiging aan de nog aanwezige journalisten om aan te schuiven. Er wordt gebabbeld en gelachen, de trainer is ontspannen.
...

Een uur na de nipte thuiszege tegen AA Gent is het plots drummen aan de toog van de persbar op Sclessin. Na de persconferentie van de trainers is Standardcoach Dominique D'Onofrio niet zoals na andere wedstrijden de deur uit gestapt, maar hij heeft aan de hoek van de toog postgevat en vraagt een extra pintje. Dat is lang geleden, en een uitnodiging aan de nog aanwezige journalisten om aan te schuiven. Er wordt gebabbeld en gelachen, de trainer is ontspannen. Momenten als dit waren een tweewekelijks ritueel na thuiswedstrijden op Sclessin toen Dominique D'Onofrio er de vorige keer hoofdtrainer was, van 2002 tot medio 2006. Toen werd er op Sclessin nog wijn geserveerd ook, roder dan de kleur van de truitjes van de Rouches, en ging de trainer zelf mee achter de bar staan om de journalisten te bedienen. Het bevorderde de menselijke contacten en het was voor de aanwezige perslui niet alleen een nuttig moment - je hoorde weleens wat achtergrondinformatie - maar ook een aangename afsluiter van een avondje Sclessin. Dominique D'Onofrio is namelijk een aangename mens, iemand die er in een gezelschap zonder moeite de sfeer in houdt. De trainers die met hem de Pro Licence volgden, denken nog altijd met veel plezier terug aan de avonden die ze doorbrachten in het gezelschap van D'Onofrio. Dat laten ze ook spontaan blijken. Na de meeste persconferenties buigen ze zich, ongeacht het eindresultaat, naar de Standardcoach om hem een stevige knuffel of op zijn minst een warme handdruk te geven. Sinds hij vorig seizoen in februari Laszlo Bölöni opvolgde als hoofdtrainer, houdt Dominique D'Onofrio meer afstand. Gemoedelijke babbels met journalisten, samen een glas drinken: het komt er nog zelden van. De gebeurtenissen van die avond van half mei 2006 hebben de hoofdtrainer van Standard getekend en een beetje bitter gemaakt. Toen werd na de afsluitende thuiswedstrijd tegen AA Gent, die Standard met 0-2 verloor, toch besloten om trainers en spelers op het podium te roepen. Standard had de titelstrijd al de weken voordien verloren, maar maakte tot de laatste speeldag een kans om kampioen te worden als het zelf won van Gent en Anderlecht thuis niet won van Zulte Waregem. Maar Anderlecht won wel en een tweede plaats (op dat moment het beste resultaat in meer dan tien jaar) werd voldoende goed bevonden om de betrokken acteurs te laten toejuichen door het publiek. Toen D'Onofrio als eerste het podium besteeg, werd hij door een paar kluiten modder vanuit het publiek geraakt, waarop hij terug naar binnen stapte. Het missen van de titel werd D'Onofrio door een deel van de harde kern zeer kwalijk genomen, ook al kon die een geldig excuus inroepen: het wegvallen van zijn topspeler Sérgio Conceição wegens schorsing gedurende het beslissende deel van de competitie. Toen kort voor deze competitiestart bekend werd gemaakt dat Dominique D'Onofrio hoofdtrainer bleef, steeg bij een deel van de aanhang opnieuw gemor op. "Hij is een goed mens, maar een slechte trainer", zuchtte een fan bitter. Om de rust rond het team te behouden werden de open trainingen afgeschaft. Zelden kregen de fans op Sart-Tilman meer van de spelers te zien dan de buitenkant van hun bolides bij het binnen en buiten rijden van de hermetisch afgesloten poort van de Académie Robert-Louis Dreyfus. Ook de perscontacten werden beperkt tot voor en na de wedstrijden, en de een-op-eeninterviews die D'Onofrio sinds zijn aantreden gaf, zijn op de vingers van één hand te tellen. Opvallend voor een man die nog niet zo lang geleden placht terug te bellen indien hij een gemiste oproep op zijn gsm zag. Niet alleen de trainer, ook de spelers werden flink aangepakt door een deel van de aanhang. Na de wanprestatie op STVV wachtten woedende fans de spelers op bij hun terugkeer op Sart-Tilman. Het maakte dat zijn antwoorden op vragen korter werden. Wat dat met hem deed, zo uitgefloten worden, daar haalde hij de schouders bij op. " Je m'en fous! Het is maar een kleine minderheid, een harde kern van twintig man die iedereen beginnen te manipuleren is. Maar ik heb liever dat ze naar mij roepen dan naar mijn spelers. Ik kan daartegen." Het moeilijkste moment kende hij toen hij in de slotfase van de met 7-0 gewonnen wedstrijd tegen Lierse zijn zoon Francesco - genoemd naar Dominiques overleden vader, die destijds als mijnwerker uit Latium naar Luik was gekomen - liet invallen. De jonge belofte kreeg de volle lading. Dat deed pijn. "Die jongen verdient dat niet. Ik heb hem niet laten invallen omdat het mijn zoon is, maar omdat hij die kans verdiende", gaf hij aan. Om even te zwijgen en er dan grimmig aan toe te voegen: "De mensen vergeten weleens dat, toen mijn broer het hier overnam, er maar 8000 man op de tribune zat en de club 800 miljoen frank schuld had. Nu is die schuld weg en zit het stadion vol." Dertien jaar geleden werd Dominiques jongere broer Licio D'Onofrio - in Luik Lucien genoemd, in Portugal Luciano - door de toenmalige eigenaars van Standard ( André Duchêne, de man die het stadion verbouwde met het oog op Euro 2000, en de Belgisch-Joodse zakenman Robert Lesman) gevraagd om nieuwe investeerders te zoeken toen de club op de rand van het faillissement stond. Vier jaar eerder was hij weer in zijn adoptiestad neergestreken, nadat hij als manager met FC Porto in 1987 de Europabeker voor Landskampioenen won (met het hakje van Madjer tegen Jean-Marie Pfaff) en vervolgens een loopbaan uitbouwde als spelersagent van absolute toppers als Alen Boksic, Christophe Dugarry, Zinédine Zidane en ... Sergio Conceição. Na een rondje bellen - zijn sociaal netwerk is indrukwekkend - was Robert-Louis Dreyfus bereid om te participeren. Op één voorwaarde: dat D'Onofrio mee aan boord stapte, financieel participeerde en de lijnen uitzette. Voor een bedrag van om en bij de 20 miljoen euro kochten Dreyfus en D'Onofrio zich in bij Standard via twee vennootschappen (één gezamenlijke, en één voor de investeringen van D'Onofrio zelf). Tot 2002 hebben ze naar schatting 35 miljoen euro in de club gepompt. Aanvankelijk schrok de jongste broer D'Onofrio van wat hij bij Standard aantrof. Hij had zich niet voorgesteld dat de toestand zo erg was, gaf hij later toe. Op operationeel vlak werd oud-scheidsrechter Alphonse Costantin aangeduid als crisismanager. Costantin, een man die niet bang was om heilige huisjes te slopen, ruimde een aantal scheefgegroeide situaties op en deed dat niet altijd op de meest diplomatische manier. Een aantal jaren leek Sclessin op een duiventil, met een komen en gaan van spelers en trainers. Maar als Luciano en Dominique D'Onofrio morgen vertrekken - naar Benfica of een andere bestemming - mogen ze trots zeggen dat ze een gestructureerde, gezonde club achterlaten, met een verrijkt palmares. Toen Luciano D'Onofrio aan zijn taak begon (eerst op de achtergrond omdat hij als spelersmakelaar geen officiële functie kon hebben, sinds 1 september 2004 als ondervoorzitter) had Standard een budget van 10,5 miljoen euro dat het niet rond kreeg op basis van de inkomsten. Vandaag heeft het er een van 25 miljoen euro (na Anderlecht het hoogste). Sinds 2002 zijn de aandeelhouders gestopt met extra geld in de club te pompen, sinds een jaar of vijf maakt Standard geen verlies meer. Het afgelopen boekjaar maakte Standard, mede dankzij de inkomsten uit de Champions Leaguecampagne van vorig seizoen, 10 miljoen euro winst. Financieel heeft D'Onofrio goed gewerkt, sportief heeft hij iets neergezet (twee titels in vier jaar, straks misschien nog een beker, om nog te zwijgen van de individuele prijzen). Ook de communicatie op en rond Sclessin heeft hij in de hand. Om alles te kanaliseren haalde hij bij de RTBf tv-journalist Sacha Daout, in Franstalig België bekend als moderator van politieke debatten, weg. Zelf praat hij liever niet. Hooguit een tot twee keer per jaar laat hij zich overhalen om een interview te geven, bij voorkeur in elk van de twee landsgedeeltes, omdat Standard nu eenmaal nog een echt Belgisch publiek heeft. Volgens de directie is een abonnee op de drie op Sclessin Nederlandstalig. Anders had de huidige hoofdsponsor, de Nationale Loterij, nooit aanvaard om met Standard in zee te gaan, benadrukte hun woordvoerder op de persvoorstelling van de nieuwe sponsor voor het seizoen. Zaterdag stond Luciano, in gezelschap van de Zwitserse voorzitter van Standard, Reto Stiffler, te glunderen toen hij na de match zag hoe de spelers zijn miskende broer kwamen halen en op de schouders tilden, richting spionkop. Het was Axel Witsel die de microfoon nam om een applaus te vragen voor de coach en spontaan begon te zingen: 'Dominique D'Onofrio, Dominique D'Onofrio'. Het applaus was beleefd, maar je zag hoe het de trainer diep raakte, en het was alvast een blijk van erkenning vanwege de spelers, al zal het nooit bij de betrokkene zelf het gevoel wegnemen dat hij niet voor vol wordt aangezien, bij gebrek aan een verleden als profvoetballer. "In Italië hebben trainers als Sacchi en Zaccheroni respect gekregen, ondanks het feit dat ze uit derde klasse kwamen", haalde Dominique D'Onofrio al in 2003 aan. "In België aanvaardt men dat moeilijker. Hier willen de mensen een grote naam. Zodra er iets fout loopt, komt het gebrek aan naam meteen op tafel. "Het feit dat ik de broer van ben, stoort enorm. Daardoor is het veel moeilijker om gerespecteerd te worden. Maar noem mij eens een trainer die even lang bij Standard heeft gezeten als ik. Het zijn er niet veel, hé. Ik vraag niet meer dan erkenning voor mijn werk. Omdat ik een harde werker ben, niets aan het toeval overlaat en anticipeer op wat gaat komen." Als trainer heeft hij zich langs het hele parcours van onderaf naar boven gewerkt, sinds hij in 1982 zijn trainersdiploma haalde. Eerst was hij trainer in eerste provinciale, later in derde klasse, vervolgens jeugdtrainer bij Seraing en Club Luik, toen hij in 1998 als zesde trainer (revalidatiecoach) aan de slag kon bij de Rouches. Tussendoor werkte hij 20 jaar als garagist in Ans. "Ik heb er nooit van gedroomd om trainer te worden van Standard. Mijn droom was trainer worden in eerste provinciale, later droomde ik van bevordering en derde klasse." Vandaag heeft hij met Standard in drie maanden een onwaarschijnlijk parcours afgelegd. Nog geen twee maanden geleden had het allemaal anders kunnen lopen. Voor de eerste wedstrijd van de play-offs op Anderlecht besliste hij met de technische staf om een halve basisploeg te laten rusten, met het oog op de belangrijke terugwedstrijd in de halve finale van de beker van België tegen Gent, drie dagen later. "Als het dan was misgegaan, was het hek van de dam geweest", gaf hij een paar weken later toe. "Daarom lieten we voor de aftrap iedereen tegelijk opwarmen, om de gemoederen niet van tevoren op te hitsen. Toen men de namen afriep, waren er veel in de tribune kwaad, achteraf niet meer. Als je niet wint, heb je altijd discussies." Dinsdag won hij niet, maar wat hij de afgelopen drie maanden realiseerde, een comeback vanuit het niets, was een overwinning waard. De vraag of hij ontgoocheld zou zijn als Standard dinsdag nog naast de titel zou pakken, vond hij zaterdagavond vreemd: "Hoe kan je ontgoocheld zijn als je in de play-offs 25 op 27 hebt gepakt?" DOOR GEERT FOUTRÉWat dat met hem deed, zo uitgefloten worden? "Je m'en fous!"