Voetbal is emotie. Geen club in dit land die dat beter belichaamt dan Standard. Supporters die zich volop identificeren met de club, een kolkende sfeer op Sclessin, Standard ademt pure passie uit, het is een vereniging ook die leeft op een vulkaan die ieder moment kan exploderen.

Verontrustender is het als die emotie ook in de bestuurskamer regeert en een rationale manier van denken in de weg staat. Dit blad heeft dat al herhaaldelijk ondervonden. Kritische verhalen worden gesanctioneerd met een boycot, journalisten moeten gestraft worden alsof het schooljongens zijn.

Een boycot is altijd een teken van zwakte.

Sinds maart van dit jaar krijgt Sport/Voetbalmagazine geen interviews meer met spelers van Standard. Het belette ons niet om via andere invalshoeken verhalen over de Rouches te blijven brengen. Over de reden van de boycot is er nooit een glasheldere uitleg geweest. Verhalen over de problemen rond het functioneren van Olivier Renard en Emilio Ferrera werden niet in dank afgenomen, ook al werden beiden later ontslagen. Een stuk over Mogi Bayat, die na zijn vrijlating weer de touwtjes in handen nam, werd al evenmin gesmaakt. Standard is niet de enige club die weer in zee ging met de gecontesteerde makelaar, al lijkt de invloed van Bayat daar groter dan elders. Het hoort bij onze journalistieke taak om dat te signaleren. Ook als het niet graag gelezen wordt.

Als een club naar het wapen van de boycot grijpt, is dat een teken van zwakte. Gelukkig gaan andere clubs uit 1A op een meer volwassen manier met kritische kanttekeningen om. In het slechtste geval zoeken ze de dialoog.

Natuurlijk heeft een club in wezen het recht om spelers een spreekverbod op te leggen, maar Standard gaat wat dat betreft nog een stap verder: het gaf ook mensen uit de entourage van de spelers de opdracht niet meer met ons blad te praten. Dat moet nog maar zelden zijn vertoond. Het is echt een onaanvaardbare vorm van censuur.

Het onvermogen om met kritische verhalen om te gaan zit verankerd in de ziel van de club. Of het nu in de tijd was van Luciano D'Onofrio, in de periode van Roland Duchâtelet, het komt op geregelde tijdstippen steeds terug.

Sommige clubs geven de indruk de media te willen controleren. Ook Standard. Toen voorzitter Bruno Venanzi een paar weken geleden een interview gaf aan enkele kranten waren de thema's vooraf afgebakend. De tijd is niet meer veraf dat journalisten voor een interview de vragen voorgeschoteld krijgen.

Sport/Voetbalmagazine bericht wekelijks met een grote liefde over het voetbal en de sport. In een vaak verwilderd medialandschap proberen we te allen tijde te nuanceren en te relativeren. Kwaliteit is in alle opzichten de norm. Maar dat betekent niet dat we de uitwassen onder de mat vegen. Dat zou ten aanzien van onze lezers niet correct zijn. Dus blijven we kijken naar wat er zich achter de façade afspeelt.

Topprestaties worden altijd in de verf gezet. Ook bij Standard. Eén jaar geleden brachten we naar aanleiding van 120 jaar Rouches een speciaal magazine uit over de club. Passie en vuur, luidde de titel. Het was een naslagwerk over een leven in rood en wit, met hier en daar zelfs een triomfalistische toon. De club was er heel blij mee.

Nu de eindejaarperiode nadert is ook de tijd voor bezinning aangebroken. En misschien ook van verzoening. Want het bizarre, bijna contradictorische is dat je in de buik van Standard in wezen een warme sfeer aantreft. Je wordt er doorgaans ook hartelijk ontvangen. Dat staat allemaal haaks op de extreme prikkelbaarheid. Die zal Sport/Voetbalmagazine niet beletten zijn werk te blijven doen. In goede en slechte dagen. Maar vooral: in alle objectiviteit.