Eeuwenlang al overschouwt Neptunus van bijna zes meter hoog de sfeervolle Piazza della Signoria, het kloppende hart van Firenze. De jongste tijd echter biedt de uit marmer gehouwen zeegod een minder strenge aanblik dan gewoonlijk. Het is het verzachtende effect van het gelegenheidslicht op de fontein, die samen met 24 andere landmarks, verspreid over heel Italië, voor de honderdste Giro al van honderd dagen voor de Grande Partenza letterlijk in de roze schijnwerpers is geplaatst. De Ronde van Italië is niet alleen een sportief spektakel, maar ook een cultureel evenement, nauw verstrengeld met de rijke geschiedenis van la bella Italia.
...

Eeuwenlang al overschouwt Neptunus van bijna zes meter hoog de sfeervolle Piazza della Signoria, het kloppende hart van Firenze. De jongste tijd echter biedt de uit marmer gehouwen zeegod een minder strenge aanblik dan gewoonlijk. Het is het verzachtende effect van het gelegenheidslicht op de fontein, die samen met 24 andere landmarks, verspreid over heel Italië, voor de honderdste Giro al van honderd dagen voor de Grande Partenza letterlijk in de roze schijnwerpers is geplaatst. De Ronde van Italië is niet alleen een sportief spektakel, maar ook een cultureel evenement, nauw verstrengeld met de rijke geschiedenis van la bella Italia. Het is een Girotraditie om historische monumenten een bevoorrechte plaats op het traject toe te kennen. Tijdens zijn 44 jaar lange bewind (tot 1992) speelt de chauvinistische Girodirecteur Vincenzo Torriani het klaar om tijdritten te organiseren op iconische plaatsen als het San Marcoplein in Venetië of de Ponte Vecchio in hartje Firenze. Patriottisme is daarbij nooit ver weg. Ophefmakend is de slottijdrit in de Giro 1984 met aankomst in het amfitheater in Verona, waar de Fransman Laurent Fignon de roze trui kwijtspeelt aan Francesco Moser, die kan profiteren van een door een helikopter veroorzaakte rugwind. Via de levendige Giroreportages leren verschillende generaties Italianen de kunststeden en toeristische trekpleisters van hun land kennen. De wedstrijd zal op die manier de trans-Alpijnse trots op het nationale erfgoedpatrimonium aanwakkeren. Onzichtbaar in het straatbeeld, maar wel hoorbaar is dat de Giro ook heeft bijgedragen tot de Italiaanse eenmaking op taalgebied. Vandaag klinkt het haast ongeloofwaardig, maar bij de geboorte van de Ronde van Italië, in 1909, is nagenoeg veertig procent van de Italiaanse bevolking analfabeet. Begin jaren vijftig is voor nog bijna twee op de drie Italianen het dialect de meest voorkomende taal in het dagelijkse bestaan. De wielerverslaggeving in de Italiaanse kranten zal als een van de hefbomen voor de alfabetisering fungeren. De radioreportages en later de tv-uitzendingen van de RAI helpen op hun beurt de standaardtaal verspreiden. Een stem die op het schiereiland uitgroeit tot een van de populairste aller tijden is die van Mario Ferretti. Hij is het die tijdens de epische Girorit in 1949 van Cuneo naar Pinerolo bij het begin van de radioverbinding de in Italië historische woorden declareert: 'Un uomo solo al comando (Eén man alleen op kop), zijn trui is wit-hemelsblauw, zijn naam is Fausto Coppi.' Coppi zet in die rit over vijf Alpencols een solo op van 192 kilometer en rijdt de tweede, uittredend Tourwinnaar Gino Bartali, op bijna twaalf minuten. Een verbindende kracht heeft de Giro in de loop van de geschiedenis ook altijd uitgeoefend door de uitbouw van het parcours. Al bij de eerste editie is het de bedoeling van de organiserende Gazzetta dello Sport om met de wedstrijd zoveel mogelijk regio's te bereizen. Wanneer de organisatoren in de huiskrant van 24 augustus 1908 hun plannen ontvouwen, constateren ze 'met de grootste spijt' dat hun wedstrijd de zuidelijke regio's links moet laten liggen. De wegen zijn er te erbarmelijk, Sardinië is logistiek niet haalbaar en Sicilië heeft in die tijd al een eigen rittenwedstrijd. Toch trekt de eerste wielerronde van Italië al tot in Napels, zuidelijker dus dan de Ronde van Italië voor sportwagens uit 1901, toen de organiserende Corriere della Sera het gebied ten zuiden van Rome volledig genegeerd had en een storm van kritiek had geoogst. Het motief van de Gazzetta is in oorsprong niet politiek maar commercieel. Via de nationale wielerronde wil de roze krant, geïnspireerd door het succes van de Tour voor het dagblad L'Auto in Frankrijk, de verkoop doen swingen. Hoe uitgestrekter het parcours, hoe groter de potentiële lezers- en advertentiemarkt. Een investering die goed uitpakt. Bij het ontstaan van de Giro verschijnt de Gazzetta drie keer per week in een oplage van 100.000 exemplaren, in de jaren twintig is haar oplage al vervijfvoudigd en rolt ze dagelijks van de persen. In 1911, bij de derde editie, waagt de Giro zich al een eerste keer tot in de hiel van de Laars, in 1929 tot in de teen en het jaar daarna tot in Sicilië. In de hoofden van de Italiaanse bevolking zal de Giro op die manier de geografische eenheid van het land versterken. Alleen Sardinië zal geduld moeten oefenen tot in 1961 - symbolisch voor de honderdste verjaardag van Italië. Datzelfde jaar doopt de organisatie het officiële routeboek van de Giro om tot Il Garibaldi, de vandaag nog steeds gehanteerde benaming. Het is een verwijzing naar Giuseppe Garibaldi, de historische figuur die een centrale rol speelde tijdens het Italiaanse eenmakingsproces: 'De Giro doorkruist, net als de held van het Risorgimento, het land om verlichting te geven en heeft een genezende kracht die sterk bijdraagt tot de Italiaanse eenheid.' In 2007, tweehonderd jaar na Garibaldi's geboorte, organiseerde de Giro de Grande Partenza op Caprera, het eilandje voor de kust van Sardinië waar de vader des vaderlands begraven ligt. Via zijn parcours bakent de Giro in de loop der jaren haast letterlijk het territorium van de Italiaanse staat af. Wanneer na de twee wereldoorlogen telkens discussies oplaaien over de landsgrenzen, schept de landkaart van de wielerwedstrijd klaarheid. In 1919 trekt de Giro in de eerste twee etappes meteen naar de nieuw verworven steden Trente en Triëst, waar Costante Girardengo, nota bene in de Italiaanse tricolore trui, met dubbele ritwinst het annexatiefeest compleet maakt. Begin jaren twintig is het ook de beurt aan het Sloveense schiereiland Istrië, na WO I eveneens aan Italië toegewezen. In 1946 neemt de organisatie Triëst weerom op als aankomstplaats, op een moment dat communistisch Joegoslavië nog volop aanspraak denkt te maken op de havenstad die pas acht jaar later opnieuw officieel tot het Italiaanse grondgebied zal behoren. De rit mondt uit in de grootste chaos. De renners botsen op een hinderlaag van prikkeldraad en spijkers en worden door de pro-Joegoslavische beweging met stenen bekogeld. Het peloton moet dekking zoeken, Bartali verschuilt zich onder een Fiat, Coppi achter een groot blik teer. Na lange discussies beslist de Girodirectie om de etappe stop te zetten en de karavaan te slapen te leggen in Udine. De communistische rebellie boekt uiteindelijk een averechts resultaat. In Triëst breken anti-Joegoslavische protesten uit. De rest van Italië ziet er het bewijs in van de italianità van de stad. Episodes als deze helpen de Giro uitgroeien tot een symbool van de Italiaanse identiteit. Dries Vanysacker, professor geschiedenis aan de KU Leuven en auteur van verschillende erg lezenswaardige wielerboeken, vat het treffend samen: 'De Giro is een soort maïzena voor de Italianen, die voor de rest net als de Belgen weinig natiegevoel kennen. Het is een natievormend instituut.' Hij wijst erop dat bij de geboorte van de Giro de eenheidsstaat nog geen halve eeuw jong is. De in 1861 bijeengevoegde staten hebben elk eeuwenlang hun eigen uiteenlopende geschiedenis doorgemaakt, vaak als onderlinge rivalen. Dat historische lappendeken bemoeilijkt op veel plaatsen tot op vandaag de vorming van een gemeenschapsgevoel onder de Italiaanse bevolking. De meest flagrante tegenstelling die door de aderen van de Italiaanse samenleving stroomt, is die tussen noord en zuid: tussen het geïndustrialiseerde Italia settentrionale en het armere, agrarische Italia meridionale. Een breuklijn met massale emigratiestromen tot gevolg (onder anderen Pino Cerami). Zo situeert ook de kern van de Italiaanse fietsindustrie zich tegenwoordig nog steeds in Noord-Italië. Het leidinggevende centrum is Lombardije. Deze dichtstbevolkte en rijkste regio van Italië, met als hoofdplaats Milaan, vormt de thuishaven van beroemde merken als Bianchi, Colnago en Cinelli (fietsen), Columbus (frames), Vittoria (banden), Santini (kledij, onder andere de leiderstruien in de Giro), Kask en MET (helmen). De Veneto, de streek rond Venetië, is het andere bloeiende hart van de Italiaanse wielerindustrie, met fietsenleverancier Pinarello, fietsonderdelenfabrikant Campagnolo, textielbedrijven Castelli, Nalini en Giordana, de grootste zadelproducent ter wereld Selle Royal en de schoenenfabrieken Gaerne en Sidi. Vanuit die traditionele aanwezigheid van sponsorkapitaal valt te verklaren hoe de noordelijke wielerclubs van oudsher de hofleveranciers werden van het gros van de campionissimi. Zo bracht Lombardije tot dusver de meeste Girowinnaars voort: 17, samen goed voor 28 van de 69 Italiaanse eindzeges. Onder hen Luigi Ganna (de eerste Girowinnaar), Alfredo Binda (5x winnaar), Felice Gimondi (3x), Ivan Basso, Ivan Gotti en Paolo Savoldelli (elk 2x). Het heeft geduurd tot de negentigste editie, in 2007, voor de Giro een eerste terrone (Zuid-Italiaan) als eindlaureaat kreeg: Danilo Di Luca, De Killer van Spoltore, een heuvelplaatsje in de Abruzzen. Opvallend genoeg zijn de enige Italianen die in de jongste vijf jaar nog het podium haalden, beiden afkomstig van een van de twee grote eilanden. Maar zowel de Siciliaan Vincenzo Nibali - met Di Luca de enige Zuid-Italiaanse winnaar - als de Sardijn Fabio Aru verhuisde in zijn tienerjaren noordwaarts, respectievelijk naar Toscane en Lombardije. De Giro is uitgegroeid tot een jaarlijks weerkerend ritueel dat de dagelijkse tegenstellingen tussen noord en zuid overstijgt, een basisingrediënt in het cement dat de Italiaanse samenleving bijeenhoudt. Al in 1949 stelt de Italiaanse schrijver Dino Buzzati in zijn dagelijkse Girokroniek in opdracht van de Corriere della Sera vast hoe de wielerronde de sociale cohesie versterkt: 'Daar stonden ze dan, het volk van heel Italië, boeren, arbeiders, zeerotten, moeders, afgeleefde oudjes, lammen, priesters, bedelaars en dieven, en ze waren niet meer dezelfden als de dag ervoor, een nieuw en krachtig gevoel had bezit van ze genomen, ze lachten en schreeuwden, vergaten even hun dagelijkse zorgen: ze waren gelukkig, beslist.' In de honderdste editie trekt de Giro door zestien Italiaanse regio's. Oorspronkelijk was het de bedoeling om ze alle twintig aan te doen, maar ondanks de vervroegde Grande Partenza van zaterdag naar vrijdag en de vele verplaatsingen bleek dat logistiek onhaalbaar en werden de westelijke regio's Valle d'Aosta, Ligurië, Lazio en Campania geofferd. Dat de eerste Girohelft integraal over Zuid-Italiaanse wegen werd uitgetekend, is echter een niet mis te verstaan statement. Goed halverwege heeft de karavaan inmiddels Centraal-Italië bereikt. Onderweg zag ze een land waar de afgebladderde verf van de gevels steeds meer de vergane glorie erachter weerspiegelt. De bakermat van het ooit zo machtige Romeinse Rijk is sinds december al aan zijn 64e naoorlogse regering toe. Economisch is Italië een van de slechtst presterende geïndustrialiseerde landen: de werkloosheid blijft er pieken, de staatsschuld is torenhoog, het banksysteem wankelt en de corruptie mag er nog steeds welig tieren. De bevolking kan wel wat vertroosting gebruiken. Etalages kleuren roze, nieuwe generaties supporters wisselen Paninistickers uit van het gelegenheidsalbum over de Giro100 en langs de wegen wemelt het naar aloude traditie van de opgebeurde gezichten, naar verwachting twaalf tot dertien miljoen, uit alle lagen van de bevolking. De honderdste Giro is meer dan ooit een vlucht uit de werkelijkheid. door Benedict Vanclooster - foto's BelgaimageHet peloton moet dekking zoeken, Bartali verschuilt zich onder een Fiat, Coppi achter een groot blik teer.