Het was in de herfst van 1974, kort na het begin van onze journalistieke carrière. Na een wedstrijd tussen Beveren en Club Brugge leek Jean-Marie Pfaff ons in de kleedkamer vriendelijk toe te knikken. Dat was vreemd, want we hadden Pfaff nog nooit ontmoet. Misschien, dachten we, bedoelde hij iemand anders. We keken achter ons, maar daar stond niemand. En toen we Pfaff weer aankeken, knikte hij opnieuw. En sprak ons vervolgens aan: "Nieuw in het vak, jongen?" Later gaf hij ons nog een lift naar het station. Onderweg vertelde hij over zijn ambitie: ooit de absolute top bereiken. In zijn ogen brandde vuur.
...

Het was in de herfst van 1974, kort na het begin van onze journalistieke carrière. Na een wedstrijd tussen Beveren en Club Brugge leek Jean-Marie Pfaff ons in de kleedkamer vriendelijk toe te knikken. Dat was vreemd, want we hadden Pfaff nog nooit ontmoet. Misschien, dachten we, bedoelde hij iemand anders. We keken achter ons, maar daar stond niemand. En toen we Pfaff weer aankeken, knikte hij opnieuw. En sprak ons vervolgens aan: "Nieuw in het vak, jongen?" Later gaf hij ons nog een lift naar het station. Onderweg vertelde hij over zijn ambitie: ooit de absolute top bereiken. In zijn ogen brandde vuur. Twee jaar later maakten we de eerste van vele interviews met Pfaff. In zijn sportwinkel op de Grote Markt in Beveren poseerde hij samen met zijn vrouw Carmen lachend voor de foto. In het midden zat, op een slede, de toen tweejarige Debby. Zij straalde en zwaaide naar de fotograaf. Later vertelde Pfaff met bitterheid over een gemiste transfer naar Feyenoord en over een uitspraak van de toenmalige bondscoach Raymond Goethals die hem toen voor een interland had gepasseerd ten voordele van de niet helemaal fitte Christian Piot. Goethals vond een halve Piot beter dan een hele Pfaff, zo liet hij horen. Die uitspraak traumatiseerde Jean-Marie Pfaff. Hij kreeg de tranen in de ogen. Het was een ontmoeting die ons altijd zou bijblijven. Jean-Marie Pfaff vocht om de erkenning die hij niet kreeg, hij wilde dat anderen hem bejubelden. Hij weet dat dit irriteert en weerstand oproept, maar hij kan het niet laten, het is sterker dan hemzelf. Vooral daarom wordt Pfaff neergezet als iemand die vol is van zichzelf, als een schertsfiguur. Maar alles kadert alleen in een lange, nooit uitstervende schreeuw om aandacht. Jean-Marie Pfaff stelde zich door zijn attitude en vaak onverstandige, soms zelf puberale uitspraken zeer kwetsbaar op en er werd ook daardoor over hem vaak lacherig gedaan. Zelfs als hij naar sportavonden ging en daar geen geld voor vroeg. Pfaff, zo klonk het, is publiciteitsgeil. Zijn vriendelijkheid tegen de supporters, dat kon, zo werd snel geconcludeerd, niet gemeend zijn. En toen ooit het verhaal uitlekte dat Pfaff eens 's nachts om twee uur door een dronken supporter uit zijn bed werd gebeld en de man naar huis voerde omdat hij het moreel niet kon verantwoorden hem dronken achter het stuur te laten kruipen... ach, moesten we dat niet met een korreltje zout nemen? Het is bizar dat dit soort kanttekeningen altijd de bovenhand kreeg op zijn sportieve prestaties. En dat veel te weinig zijn professionele ingesteldheid werd geprezen: een doelman die obsessief met zijn lichaam bezig was, die zich constant verdiepte in zijn spierstelsel en zelfs oefeningen deed om zijn vingertoppen optimaal te gebruiken. Toen Pfaff later naar Bayern München ging, zou hij daar het respect afdwingen van alle vedetten. Natuurlijk zagen ook die snel dat Pfaff wat complex in elkaar zat, maar daarmee konden ze leven. Het ging hen maar om één zaak: de prestatie. En die klopte. Nog altijd wordt er in de Beierse hoofdstad met veel ontzag gepraat over Jean-Marie Pfaff. Zo'n drie en een half jaar geleden liepen we Jean-Marie Pfaff voor het laatst tegen het lijf. Dat was tijdens het WK in Zuid-Afrika. Hij keek naar een jeugdtoernooi dat in de buurt van Johannesburg werd gespeeld. Hij vertelde dat hij nog altijd graag trainer zou worden, hij sakkerde erover dat hij na een wrang avontuur bij KV Oostende geen kans meer kreeg. 's Avonds, tijdens een galadiner dat op de vooravond van het WK werd georganiseerd, zaten we naast hem aan tafel. En weer ontwaarde je de frustratie die knaagde omdat hij zich na zijn schitterende carrière nooit gewaardeerd voelde, het is bij hem een soort eeuwigdurende onrust. Maar, pompte Pfaff zichzelf moed in, er waren nog projecten die liepen, we zouden nog schrikken. En bij het afscheid zei hij: "Weet je nog dat ik je ooit naar het station van Beveren heb gevoerd?" Hij lachte bij de herinnering.