E rik Zabel was niet echt een product van de vroegere DDR. Zijn geluk was dat hij nooit met trainers diende te werken die hem aan een hels oefenregime onderwierpen, maar wel met trainers die hem leerden intelligent mee te denken met de aangereikte trainingsstof. Dat was voor Zabel van essentieel belang in zijn ontwikkelingsfase, omdat hij zo een bepaalde mate van zelfstandigheid en zelfdiscipline verwierf en zich al op prille leeftijd verdiepte in zijn vak. Erik kreeg een bepaalde vrijheid, volgde nooit blindelings wat hem werd voorgekauwd en beschouwde zichzelf nooit als het uithangbord van een propagandistische natie. Ook daardoor kon hij zich na de val van de Muur snel aanpassen in het Westen. Terwijl anderen met die nieuwe si...

E rik Zabel was niet echt een product van de vroegere DDR. Zijn geluk was dat hij nooit met trainers diende te werken die hem aan een hels oefenregime onderwierpen, maar wel met trainers die hem leerden intelligent mee te denken met de aangereikte trainingsstof. Dat was voor Zabel van essentieel belang in zijn ontwikkelingsfase, omdat hij zo een bepaalde mate van zelfstandigheid en zelfdiscipline verwierf en zich al op prille leeftijd verdiepte in zijn vak. Erik kreeg een bepaalde vrijheid, volgde nooit blindelings wat hem werd voorgekauwd en beschouwde zichzelf nooit als het uithangbord van een propagandistische natie. Ook daardoor kon hij zich na de val van de Muur snel aanpassen in het Westen. Terwijl anderen met die nieuwe situatie moeilijker konden omgaan - er was altijd voor hen gedacht. Veel trainen was een absolute prioriteit in het leven van Erik Zabel. Hij vond het schitterend om een bepaalde strijd met zichzelf aan te gaan en kon daar bevlogen over praten. Hij vond hard trainen tot je kapot zit en aan niets meer denkt, de opperste vorm van geluk en ging op een dusdanige manier tot op de bodem dat hij als het ware uit zijn lichaam trad. Dan, vertelde Zabel, kwam hij in een soort trance. De Duitser ontleende zijn zelfvertrouwen aan het gegeven dat hij heel veel voor zijn lichaam deed, dat hij zijn conditie op een dusdanige manier opbouwde dat hij er het hele jaar stond. Daarom ook waren de wintermaanden, waarin hij ook in zesdaagsen startte, voor hem heel belangrijk. Hij mengde zijn eigen ervaringen met die van Walter Godefroot, jarenlang zijn sportdirecteur. Weinig wedstrijden waren zo op de kwaliteiten van een renner toegespitst als Milaan-Sanremo op Erik Zabel. Hij won de Primavera vier keer, de eerste keer 25 jaar geleden, in 1997. Telkens werd hij op sleeptouw genomen door zijn ploeg, die zich voor de beklimming van de Poggio als een perfect geoliede ketting tot vooraan in het peloton werkte en ervoor zorgde dat niemand de in elkaar hakende schakels kon doorbreken. Erik Zabel maakte het dan af. Met snelheid en behendigheid, met kracht en panache. Op één keer na dan, toen hij in 2004 te snel de armen in de lucht gooide en in extremis werd geklopt door Oscar Freire. Hij kreeg na die nederlaag onvoorstelbaar veel publiciteit, meer dan ooit te voren in zijn carrière. Naast zijn immens aantal overwinningen behaalde Erik Zabel een eindeloze reeks tweede plaatsen. Zoals op het WK van 2001 en 2004. Hij beschouwde dat telkens als een zware persoonlijke nederlaag, reageerde zeer emotioneel en werkte zijn teleurstelling op andere mensen uit. Pas veel later in zijn carrière werd hij rustiger. Na die nederlaag in Milaan-Sanremo begon hij zelfs te lachen - hij vindt dat lachen de beste remedie is tegen miserie. Hoe rijker het palmares van Erik Zabel werd, hoe groter de innerlijke rust. Geen wedstrijd waar Erik Zabel zo naartoe leefde als de Ronde van Frankrijk. Tussen 1995 en 2001 won hij zes keer na elkaar de groene trui. Ook daar behaalde hij in massaspurten vaak tweede plaatsen en botste hij geregeld op iemand die net een tikkeltje rapper was. Maar hij ging nooit kapot en mengde zich in iedere sprint, ook al schatte hij het risico altijd goed in en was overmoed niet aan hem besteed. Zabel was een gecontroleerde sprinter. In de Tour was hij doorgaans op zichzelf aangewezen omdat de ploeg van Telekom, en later T-Mobile, nooit echt rond hem was gemetseld en hij tijdens de Tour steeds weer in de schaduw stond van Jan Ullrich. Dat irriteerde hem, al bracht hij die ergernis nooit naar buiten.