Er zijn op een mistroostige zaterdagavond een paar honderd toeschouwers samengekomen in het Stade Charles Tondreau, het half afgewerkte stadion met zijn 12.662 plaatsen in de Henegouwse provinciehoofdstad Bergen. Ze zullen de plaatselijke club gelijk zien spelen tegen Léopold Club, een van de oudste Belgische clubs (met stamnummer 5) in wat in de nieuwe voetbalhiërarchie de derde amateurklasse bij de Franstalige federatie is. Omgerekend naar de oude waarden is dat eerste provinciale.
...

Er zijn op een mistroostige zaterdagavond een paar honderd toeschouwers samengekomen in het Stade Charles Tondreau, het half afgewerkte stadion met zijn 12.662 plaatsen in de Henegouwse provinciehoofdstad Bergen. Ze zullen de plaatselijke club gelijk zien spelen tegen Léopold Club, een van de oudste Belgische clubs (met stamnummer 5) in wat in de nieuwe voetbalhiërarchie de derde amateurklasse bij de Franstalige federatie is. Omgerekend naar de oude waarden is dat eerste provinciale. De thuisploeg die avond is niet langer RAEC Mons, met stamnummer 44, maar Royal Albert Quévy Mons. De club die bij zijn oprichting in 1910 genoemd werd naar het toenmalige koningspaar Albert I en Elizabeth I en voluit Royal Albert Elizabeth Club de Mons heette, speelde tussen 2002 en 2014 negen jaar in eerste klasse en zou in 2012/13 zelfs zevende eindigen, één plaats onder PO1. Een jaar later zakte het voor de derde en laatste keer uit de hoogste afdeling, nog een jaar later was de club failliet, op 31 maart 2015. Kort daarvoor, op 16 februari 2015 had voorzitter Domenico Leone een noodkreet geslagen door aan te kondigen dat hij niet langer in staat was om de club in leven te houden en verder geld te pompen in RAEC Mons. 'Ik hoop dat na het failliet iemand opstaat om de club over te nemen en een profclub te behouden in tweede klasse, met de bedoeling om op een dag weer naar eerste te stijgen.' Maar die overnemer kwam er niet, in wat op dat moment toch de Culturele Hoofdstad van Europa was, en met zijn 95.000 inwoners de twaalfde stad van België is, iets kleiner dan Leuven, net iets groter dan Mechelen. Gevolg was wel dat de stad achterbleef met een leeg en onbespeeld half afgewerkt nieuw stadion, herinnert schepen van Sport Pascal Lafosse zich. 'De stad had veel geïnvesteerd in het onderhoud en de uitbouw van het stadion, dat mocht niet leeg blijven.' Waarop Lafosse de plaatselijke kleine clubs in de wijde omgeving contacteerde, op zoek naar een club die het Stade Charles Tondreau wilde bespelen en ook nog eens de plaatselijke jeugdvoetbalschool wilde overnemen. 'Allemaal, behalve één, haakten ze af.' Die ene club vond het stadsbestuur tien kilometer ten zuiden van Bergen, bij de oranje-blauwe eersteprovincialer Genly-Quévy, een gemeente met 8000 inwoners, waar men wel oren had naar een langetermijnvisie. Zo komt het dat op 1 juli 2015 RUSG Quévy 89 met als clubkleuren oranje-blauw omgedoopt werd in RA Quévy Mons, dat het stamnummer 4194 van de eersteprovincialer hanteert en als clubkleuren kan kiezen uit rood, wit, oranje en blauw, maar niet allemaal tegelijk. Het eerste elftal bespeelt het Stade Charles Tondreau, doorgaans voor een paar honderd kijkers, een aantal dat bij topmatchen oploopt tot een paar duizend. Omdat de club naast de gewone (bescheiden) matchopbrengsten nood heeft aan extra inkomsten, stelt het doordeweeks ook de businessruimtes in de hoofdtribune open voor scholen, seminaries en andere sportclubs, terwijl de fitnessruimte wordt gebruikt door revaliderende patiënten van het naburige Ambroise Paré-ziekenhuis. De sportieve leiding is in handen van Christ Bruno, die tien jaar prof was bij FC Brussels en Union. Toen hij Quévy in handen nam, speelde RAEC Mons nog in eerste klasse. 'De bedoeling was om de beste jonge talenten uit de regio die opgeleid waren bij Mons en Francs Borains maar daar niet aan spelen toekwamen een kans te geven.' Hij leidt een jong team met een paar ouderen, onder wie de 40-jarige Hocine Chebaïki die nog met het voormalige Mons de opgang van derde naar eerste klasse meemaakte, en er later nog eens een seizoen neerstreek (2004/05). Veel blijft van de oude club niet over, zegt die: 'Alleen het stadion. Maar laten we eerlijk zijn: ook de laatste jaren had de club niet veel meer te maken met wat ik in de begindagen meemaakte, toen we met een goeie groepsgeest en een aantal vaste waarden uit de streek promoveerden van derde naar eerste klasse. Daar werd Mons geleidelijk een voetbalfabriek, waar jong talent geen kans meer kreeg en waar uiteindelijk niemand bereid was de zaak over te nemen omdat de schulden te hoog waren opgelopen.' Chebaïki hoopt dat de oud-supporters van Mons, die al bijna twee jaar geen voet meer in hun favoriete stadion gezet hebben, terugkeren om te zien hoe een nieuwe, gezonde club met jongens uit eigen streek weer de mouwen opstroopt. Hij is wat teleurgesteld over de geringe respons op het nieuwe project, terwijl in de eigen reeks pakweg RWDM ook een nieuw opgericht project is in een oud eersteklassestadion dat wel massaal gevolgd wordt door de vroegere Molenbeekfans. 'Van onze wekelijkse basiself komen negen tot tien spelers uit de directe omgeving van Mons.' Het is verrassend hoe het parcours nog andere betrokkenen na een omweg terugbracht naar het oude nest. Dat is onder meer het geval voor de hulptrainer van Bruno, Jonathan Walasiak. Die kwam een paar jaar voor RAEC Mons uit voor hij international werd bij Standard. Met zijn 34 jaar kan hij zijn ervaring overzetten op jongeren zoals de 24-jarige kapitein Danny Bastaens.Die kreeg zijn opleiding bij... RAEC Mons waar hij een paar jaar geleden opstapte toen hij bij de beloften kapitein was. Hij koos voor... Quévy. 'Omdat ik mij bij Mons geblokkeerd voelde en merkte dat ik geen kans zou krijgen.' Verbaasd stelt hij een paar jaar later vast dat hij nu toch in het stadion speelt waar hij ooit van droomde, maar dan niet als prof. Wel tegen een geringe vergoeding en met vier trainingen per week, wat nog net te combineren valt met zijn job als vloerlegger. Op termijn hoopt de club te promoveren naar de eerste amateurliga, twee reeksen hoger dus. 'Maar we mogen daarbij geen stappen overslaan, en geen fouten maken', beseft Christ Bruno, die zich bewust is van de beperkte financiële middelen. Heimelijk hoopt men bij het stadsbestuur, dat in totaal zo'n 22 miljoen geïnvesteerd zou hebben in de verbouwing en het onderhoud van het stadion, op nog hoger, maar niets moet. Want het laatste wat men wil meemaken, is een nieuw faillissement en een nieuwe zoektocht naar een andere bespeler van het stadion en een overnemer van de jeugdschool. In afwachting blijft het eersteklassestadion akelig leeg, ook al draait de nieuwe bespeler mee in de subtop. Voorlopig blijft Bergen in sportmiddens nog steeds een basketstad, met tweevoudig bekerwinnaar en drievoudig vicekampioen Belfius Mons-Hainaut dat ook dit seizoen naar jaarlijkse gewoonte meestrijdt voor de prijzen. Iets waar de plaatselijke voetbalclub nog nooit in slaagde. DOOR DAVID DUPONT EN GEERT FOUTRÉ - FOTO BELGAIMAGEGemiddeld zakken een paar honderd toeschouwers af naar het stadion met zijn 12.662 plaatsen.