Kijk daar, Jean Janssens ! De held van het grote Beveren van een kwarteeuw geleden laat iets wat op een oude postbodefiets lijkt, tegen de stoeprand tot stilstand komen. Hij ziet er niet gehaast uit. In de achteruitkijkspiegel groet hij het mannetje met pet voor de deur van het kleine rijtjeshuis. Twee oudere mannen, niks om handen, niks te doen. Ze raken in gesprek, maar het stilleven wordt gauw kleiner en daar is al de Freethiel, het ook al niet meer zo moderne stadionnetje van SK Beveren. In de zon op het A-terrein werkt de profkern de ochtendtraining af. Alleen de doelmannen houden zi...

Kijk daar, Jean Janssens ! De held van het grote Beveren van een kwarteeuw geleden laat iets wat op een oude postbodefiets lijkt, tegen de stoeprand tot stilstand komen. Hij ziet er niet gehaast uit. In de achteruitkijkspiegel groet hij het mannetje met pet voor de deur van het kleine rijtjeshuis. Twee oudere mannen, niks om handen, niks te doen. Ze raken in gesprek, maar het stilleven wordt gauw kleiner en daar is al de Freethiel, het ook al niet meer zo moderne stadionnetje van SK Beveren. In de zon op het A-terrein werkt de profkern de ochtendtraining af. Alleen de doelmannen houden zich apart bezig. Op een bankje bij de cornervlag geeft Jean-Marc Guillou een interview aan een Franse journalist. "Dáár", zegt de man en hij wijst naar de overkant, naar de plek waar hij als kleine jongen met zijn vader naar Jean Janssens en co stond te kijken. Om zijn hals is een geel-blauwe sjaal geknoopt. De kleuren zijn verschoten. Weelderige bakkebaarden doen denken aan de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Met "Gij zijt van Voetbal Magazine ?", maar dan in verzorgd Waaslands, en een uitgestoken hand had hij zich voorgesteld. Geboren in 1970, van kleinsaf supporter van SK Beveren, maar nu al tien jaar zijn kost verdienend als metser nabij Béziers, in het zuiden van Frankrijk. Door de knipsels die zijn vader hem opstuurt, bleef hij op de hoogte van het wel en wee van zijn club. Nu heeft hij twee weken vakantie, gekregen van zijn baas, ook een voetballiefhebber, om de bekerfinale bij te wonen in België. Hij heeft maar één wens : of we niet voor één keer iets positiefs over Beveren willen schrijven. Want, zegt hij, er is wat afgelachen met zijn club. "Met ons ook, die paar duizend echte supporters die daar ( wijst naar de staanplaatsen achter het doel) altijd trouw hun ploeg zijn blijven aanmoedigen." Het heeft pijn gedaan, dat lachen, verzekert hij en brengt een hand naar de hartstreek. Hij zou wel kunnen wenen, lijkt het. Beneden tekenen Afrikaanse voetballers driehoekjes, maar ze echt zien doet hij niet. Maar hoe diep de liefde ook gaat, vijf, zes, misschien wel zeven jaar is het toch al geleden dat hij nog een wedstrijd zag van Beveren. Béziers is niet bij de deur. Deze training is de eerste keer dat hij de spelers uit Ivoorkust aan het werk ziet. De Afrikaanse import stoort hem niet. Want, en nu maakt hij met de wijsvinger een beweging langs zijn keel, Beveren was dood. Dat weten we toch ? "Zolang ze onze liefde voor die kleuren, dat geel en dat blauw, maar begrijpen. En dat dóen ze. Die jongens hebben een goed contact met de mensen hier. Ik zeg altijd : un pour tous, tous pour un ! Ik heb dat niet uitgevonden, het komt van de drie musketiers, maar uiteindelijk is het wel waar het om gaat." Hij glimlacht. Volgt een warme handdruk. Een last lijkt van hem te zijn afgevallen wanneer hij terugkeert naar het groepje supporters dat zittend in de hoofdtribune commentaar levert bij de training. Dan daalt hij af tot bij de balustrade, overschouwt de training en roept, de opgestoken vuist gebald : " Un pour tous, tous pour un !"