De woorden verbaasden zelfs niet meer, want al zo vaak werden ze op zo'n moment uitgesproken. Toen hij voor het eerst de - door de acht miljoen euro die Anderlecht voor hem betaald had - talrijk opgekomen pers te woord stond, klonk het ook bij Bubacarr Sanneh: 'Dit is maar een volgende tussenstap in mijn carrière.'
...

De woorden verbaasden zelfs niet meer, want al zo vaak werden ze op zo'n moment uitgesproken. Toen hij voor het eerst de - door de acht miljoen euro die Anderlecht voor hem betaald had - talrijk opgekomen pers te woord stond, klonk het ook bij Bubacarr Sanneh: 'Dit is maar een volgende tussenstap in mijn carrière.' Het Bosmanarrest maakte een brutaal einde aan de droom van Belgische clubs in de jaren negentig om Europese triomfen na te streven. Sindsdien heeft de nationale competitie geleidelijk aan een nieuw doel gekregen: de Jupiler Pro League is een springplank geworden. Een tussenstapje alvorens de sprong te maken, die de grootste talenten op onze velden naar de chicste en hipste Europese competities moet brengen. Die situatie komt alle partijen ten goede, want de voetbalsterren van de toekomst krijgen de kans om zich te tonen in een competitie waarin ze voldoende speelgelegenheid krijgen en waarin ze kunnen groeien naar een hoger niveau. 'Onze jongeren begaan schoonheidsfoutjes en die kosten ons punten, maar het zijn ook onze troeven', verkondigde Christoph Henkel bij de terugkeer van Eupen in de hoogste voetbalafdeling. De algemeen directeur van de Panda's gaf als voorbeeld Henry Onyekuru, het talent van het Qatarese Aspire-project dat het meest in het oog sprong, en dat uiteindelijk al na één seizoen zou verkocht worden. Everton legde met de glimlach acht miljoen euro op tafel voor het Nigeriaanse goudhaantje. Anderhalf jaar later heeft Onyekuru het shirt van de Toffees nog in geen enkele officiële wedstrijd gedragen. Uitgeleend aan Anderlecht en nadien aan Galatasaray is hij een typisch voorbeeld geworden van hoe moeilijk jonge voetballers het hebben om in topcompetities speelgelegenheid te krijgen. In de Premier League is slechts 10,9 procent van de toegekende speelminuten voorzien voor spelers geboren na 1 januari 1996. Dat staat ongeveer gelijk met één speler in het basiselftal (9,1 procent). In Spanje en Italië is de situatie nauwelijks meer bemoedigend voor jonge voetballers. Het is met andere woorden bijna de taak geworden van 'minder belangrijke' competities om jongeren op te stellen en hen zo de kans te geven zich te ontwikkelen. Bondscoach Roberto Martínez leerde de Jupiler Pro League sinds zijn aanstelling iets meer dan twee jaar geleden steeds beter kennen en noemde de competitie niet voor niets 'fantastisch voor de persoonlijke ontwikkeling van voetballers en een buitenkans voor jonge spelers'. De Jupiler Pro League heeft zijn bestemming gevonden, een bestemming die ervoor zorgt dat de beste clubs niet langer over een kern kunnen beschikken die lange tijd samen blijft. 'Twee of drie jaar in een club staat niet meer gelijk met een korte termijn', bevestigt Dimitri de Condé, technisch directeur bij KRC Genk. Zijn ploeg brengt een aantal grote talenten op het veld, zoals Sander Berge, Roeslan Malinovski en Leandro Trossard, maar het zijn spelers die allicht niet lang in de Belgische stadions te bewonderen vallen. Het profiel van de speler in kwestie speelt uiteraard een rol, maar over de stelling wanneer 'het juiste moment' is aangebroken om een stap hogerop te zetten, heeft ook Roberto Martínez een mening. 'Het is belangrijk om niet te vroeg te vertrekken, maar ook niet te lang te blijven. Volgens mij moet je minstens honderd wedstrijden in de Jupiler Pro League gespeeld hebben om als jonge speler je talent te bevestigen en de sprong te wagen naar een hoger aangeschreven competitie.' Het equivalent van twee seizoenen en een half, waarmee de bondscoach de theorie van Dimitri de Condé onderschrijft. Werken met jonge talenten is dus hét thema geworden voor Belgische clubs. Allemaal willen ze er expertise in uitbouwen en allemaal doen ze het op hun eigen manier. Bij Cercle Brugge, bijvoorbeeld, koos de Monegaskische eigenaar ervoor om jonge talenten als Guévin Tormin, Arnaud Lusamba en Irvin Cardona te laten ontbolsteren onder de deskundige leiding van Laurent Guyot, oud-bondscoach bij de Franse jeugd en ook lange tijd hoofd van de jeugdopleiding bij FC Nantes. 'In het voetbal werk je altijd veel met de jeugd, zeker als je zelf ouder wordt', lacht Guyot, wanneer we zijn rol als opleider opwerpen. Hij mag het dan relativeren, maar zijn cv was maar al te goed gekend toen hij werd aangesteld als trainer van Cercle, net als dat van zijn Belgische assistent José Jeunechamps, die gedurende heel wat jaren op de Académie Robert-Louis Dreyfus, de jeugdacademie van Standard, werkte. Cercle Brugge is zeker geen geïsoleerd geval. Albert Stuivenberg werd bij KRC Genk ook in de eerste plaats gekozen vanwege zijn werk bij de jeugdploegen van Oranje. Op de dag van zijn aanstelling stond op de clubwebsite te lezen: 'KRC Genk haalt met Stuivenberg een doorwinterd voetbalprofessional in huis die gewend is op hoog niveau te presteren met jonge en getalenteerde spelers.' De Nederlander was voordien assistent van Louis van Gaal bij Manchester United, ronkende namen dus, die in hetzelfde bericht te lezen stonden waarin verwezen werd naar zijn uitstekende profiel om met jongeren te werken. Na het ontslag van Stuivenberg werd local heroDomenico Olivieri, tot dan aan het roer bij de Genkse U21, aan de staf toegevoegd. Op die manier wilde de club de overgang van de jeugd naar de eerste ploeg vergemakkelijken. 'Die 'postformatie' moet in handen zijn van een professional', benadrukte Philippe Saint-Jean, specialist ter zake, in Namen tijdens een colloquium dat georganiseerd werd door de Communauté des Entraîneurs francophones de Football (de CEFF, de vereniging van Franstalige voetbaltrainers). 'Het is essentieel dat clubs in hun staf een voltijdse assistent in dienst nemen die zich met de jeugdopleiding bezighoudt en lange tijd aan de club verbonden blijft.' Hetzelfde verhaal bij Charleroi, waar Samba Diawara aan de staf van Felice Mazzu werd toegevoegd, terwijl hij ook coach bleef van de Zébrions, de U21 van Charleroi. Diawara is een fervent aanhanger van het voorstel om de reserveteams van de profclubs te laten voetballen in de amateurklasse en buigt zich al jaren over de postformatie. 'Op je zestiende moet je voetbaltechnische bagage volmaakt zijn', beweert hij. 'Vanaf dan moet je leren om als prof te leven.' Om van een veelbelovend talent een afgewerkte en constant presterende profspeler te maken, is een aanhoudende strijd nodig. Bij Anderlecht stelde Herman Van Holsbeeck zijn trainer René Weiler voor als een meester op dat vlak. 'Jongeren zijn immers zes maanden goed, maar meestal stagneren ze daarna. Je moet ze bijstaan in hun groeiproces.' Anderlecht ziet er ondertussen helemaal anders uit, maar de uitdaging blijft dezelfde. Karim Belhocine neemt die rol nu op zich, zoals Landry Dimata in Grand Débrief, de voetbaltalkshow op het Franstalige Proximus Sports aangaf: 'Karim helpt de jongeren om gefocust te blijven. Hij pakt ons hard aan wanneer het nodig is. Hij zorgt ervoor dat we niet op onze lauweren rusten.' Met de komst van Marc Coucke heeft Anderlecht weer de aansluiting gevonden bij de Belgische koplopers wat betreft jonge talenten een kans geven. De Brusselaars maken op dat vlak deel uit van de top zes (zie kader) en staan daarmee boven KRC Genk, een club die nochtans vaak geciteerd wordt als referentie in dit domein. De reputatie van de Limburgers is een doorn in het oog aan de andere kant van het land. Terecht, want van de G5 is Club Brugge de ploeg waarin jongeren het meeste speelgelegenheid krijgen. Het statuut van Karlo Letica, Arnaut Danjuma, Siebe Schrijvers en Wesley maakt dat de landskampioen zich op dat vlak tijdens de eerste tien speeldagen bij de beste vijftien clubs hijst in de zes competities die we bestudeerd hebben. In de lijst met clubs die jongeren een kans geven, staan hoofdzakelijk Nederlandse ploegen bovenaan. Groningen, Ajax en AZ geven zelfs meer dan 50 % van hun speeltijd aan spelers geboren na 1 januari 1996. In de top 10 staat één Belgische club, Royal Excel Mouscron. Net als Waasland-Beveren scoren les Hurlus uitstekend. Die clubs rekenen vaak op jongeren die door de jeugdopleiding van de Belgische topclubs met een onvoldoende zijn doorgestuurd. Ze zetten die jongens in bij hun strijd om het behoud en hopen wellicht dat ze daarin zoveel furore maken dat ze vervolgens ook een financiële meerwaarde kunnen vormen bij een lucratieve transferdeal. Die strategie wordt niet gevolgd door alle clubs die niet tot de G5 behoren. Waar het Oostende van Gert Verheyen wel resoluut inzet op jonge talenten, staan Zulte Waregem en Kortrijk helemaal onderaan dit bewuste klassement. Glen De Boeck gaf tijdens de eerste tien speeldagen van het seizoen zelfs geen enkele speler geboren na 1 januari 1996 ook maar een minuutje speelgelegenheid.